dinsdag 28 december
Schep in mij een zuiver hart, o God, en leg in mij een nieuwe, vastberaden geest. — Ps. 51:10.
Je kunt jaloezie bestrijden met nederigheid en tevredenheid. Als je hart gevuld is met die goede eigenschappen, zal jaloezie geen ruimte krijgen om te groeien. Nederigheid zal je helpen niet teveel van jezelf te denken. Een nederig persoon vindt niet dat hij meer verdient dan alle anderen (Gal. 6:3, 4). Een tevreden persoon is blij met wat hij heeft en vergelijkt zich niet met anderen (1 Tim. 6:7, 8). Als een nederig en tevreden persoon ziet dat iemand iets goeds krijgt, is hij blij voor hem. We hebben de hulp van Gods heilige geest nodig om nederigheid en tevredenheid te ontwikkelen en zo de vleselijke neiging tot jaloezie te bestrijden (Gal. 5:16; Fil. 2:3, 4). Jehovah’s heilige geest kan ons helpen onze diepste gedachten en motieven te onderzoeken. Met Gods hulp kunnen we schadelijke gedachten en gevoelens vervangen door goede (Ps. 26:2). w20.02 15 ¶8-9
woensdag 29 december
Let constant op jezelf en je onderwijs. — 1 Tim. 4:16.
Je opdracht is een gelofte en Jehovah verwacht dat je die nakomt. Blijf daarom dicht bij je gemeente. Je broeders en zusters in de gemeente zijn je geestelijke familie. Als je geregeld naar de vergaderingen gaat, wordt je band met hen sterker. Lees elke dag Gods Woord en mediteer erover (Ps. 1:1, 2). Als je een stuk hebt gelezen, gebruik dan wat tijd om er diep over na te denken. Dan zullen de woorden je hart raken. ‘Bid voortdurend’ (Matth. 26:41). Je band met Jehovah wordt hechter als je oprecht tot hem bidt. ‘Blijf eerst het Koninkrijk (...) zoeken’ (Matth. 6:33). Je kunt dat doen door de prediking prioriteit te geven in je leven. Als je geregeld in de dienst gaat, houd je je geloof sterk. Elke beproeving die je in deze oude wereld misschien zult meemaken ‘duurt maar kort en is licht’ (2 Kor. 4:17). Maar je opdracht en doop maken de weg vrij voor een gelukkiger leven nu en voor ‘het echte leven’ dat nog komt. Het is waar dat er kosten zijn. Is het het waard? Absoluut! (1 Tim. 6:19) w20.03 13 ¶19-21
donderdag 30 december
Er is niet veel tijd meer. — 1 Kor. 7:29.
Als iemand die studeert geen progressie maakt, komt er een punt waarop je je moet afvragen of je de studie moet stopzetten. Vraag je bij het overwegen van de situatie af: Maakt hij vorderingen in een tempo dat voor zijn situatie redelijk is? Begint hij ‘zich te houden aan’ wat hij leert, past hij het toe? (Matth. 28:20) Helaas zijn sommigen net als de Israëlieten in Ezechiëls tijd. Over hen zei Jehovah tegen Ezechiël: ‘Voor hen ben je als een romantisch liefdeslied, gezongen met een mooie stem en goed gespeeld op een snaarinstrument. Ze zullen je woorden wel horen maar er niets mee doen’ (Ezech. 33:32). Misschien vind je het moeilijk om tegen iemand te zeggen dat je de studie stopzet. Maar ‘er is niet veel tijd meer’. In plaats dat je tijd blijft besteden aan een onproductieve studie, kun je beter zoeken naar iemand die laat zien dat hij ‘de goede instelling voor het eeuwige leven’ heeft (Hand. 13:48). w20.01 6 ¶17; 7 ¶20