maandag 7 februari
Geef me een onverdeeld hart. — Ps. 86:11.
Koning David zag de vrouw van een ander die zich aan het baden was. Hij kende Jehovah’s norm: ‘Verlang niet naar de vrouw van een ander’ (Deut. 5:21; Ex. 20:17). Maar kennelijk bleef hij kijken. Zijn hart raakte verdeeld tussen zijn verlangen naar de vrouw, Bathseba, en zijn verlangen om Jehovah’s wil te doen. Hoewel David al heel lang liefde en ontzag voor Jehovah had, gaf hij toe aan een egoïstisch verlangen. Op dat moment sloeg hij een heel slecht pad in. Hij bracht smaad op Jehovah’s naam. Daarnaast waren onschuldige mensen, onder wie zijn eigen familie, de dupe van wat hij deed (2 Sam. 11:1-5, 14-17; 12:7-12). Jehovah corrigeerde David, die zijn band met hem herstelde (2 Sam. 12:13; Ps. 51:2-4, 17). De pijn en ellende die het gevolg waren toen zijn hart verdeeld raakte, zal David nooit vergeten zijn. Heeft Jehovah hem geholpen weer een onverdeeld hart te krijgen? Ja, want in Gods Woord wordt later gezegd dat Davids hart ‘onverdeeld met Jehovah’ was (1 Kon. 11:4; 15:3). w20.06 11 ¶12-13
dinsdag 8 februari
Ik bleef hen trekken, met de koorden van liefde. — Hos. 11:4.
De Bijbel vergelijkt Jehovah’s liefde voor zijn volk met een koord of touw. Waarom een touw? Stel je voor dat je op zee overboord bent geslagen. De golven zijn hoog en het water is koud. Je dreigt te verdrinken. Maar dan gooit iemand je een reddingsvest toe. Daar ben je natuurlijk blij mee, want zo kun je in ieder geval blijven drijven. Maar om te overleven heb je meer nodig. Je moet het water uit. Iemand moet je een touw toegooien en je naar de boot toe trekken. Zoals in de tekst voor vandaag staat, zei Jehovah dat hij de Israëlieten die waren afgedwaald ‘bleef trekken’. Hetzelfde doet hij in deze tijd voor degenen die hem niet meer dienen en die verdrinken in de problemen en zorgen. Jehovah wil dat ze weten hoeveel hij van ze houdt en hij wil ze tot zich trekken. En hij kan jou gebruiken om zijn liefde voor hen tot uitdrukking te brengen. Het is belangrijk inactieven ervan te verzekeren dat Jehovah van ze houdt en dat ook wij van ze houden. w20.06 27 ¶12-13
woensdag 9 februari
Gelukkig is de man die volhardt onder beproeving. — Jak. 1:12.
Na de moord op Stefanus verlieten veel christenen Jeruzalem. Ze werden ‘verspreid over Judea en Samaria’ en kwamen uiteindelijk zelfs helemaal in Cyprus en Antiochië (Hand. 7:58–8:1; 11:19). Stel je eens voor hoe moeilijk de discipelen het hebben gehad. Maar overal waar ze kwamen predikten ze ijverig het goede nieuws. In het hele Romeinse Rijk werden gemeenten opgericht (1 Petr. 1:1). Toch waren de beproevingen voor de eerste christenen nog niet voorbij. Rond het jaar 50 gaf de Romeinse keizer Claudius bijvoorbeeld alle Joden het bevel uit Rome te vertrekken. Joden die christen waren geworden moesten dus hun huis verlaten en zich ergens anders vestigen (Hand. 18:1-3). Rond 61 schreef Paulus dat christenen publiekelijk waren beledigd, in de gevangenis waren gegooid en waren beroofd (Hebr. 10:32-34). En net als andere mensen hadden de christenen te maken met armoede en ziekte (Rom. 15:26; Fil. 2:25-27). w21.02 26-27 ¶2-4