zondag 11 februari
De doop is wat jullie nu redt. — 1 Petr. 3:21.
Wat moet je doen om je voor te bereiden op de doop? Een van de eerste dingen is oprecht berouw hebben van je zonden (Hand. 2:37, 38). Echt berouw leidt tot echte veranderingen. Ben je gestopt met dingen waar Jehovah niet blij mee is, zoals een immoreel leven of het gebruik van tabak of smerige taal? (1 Kor. 6:9, 10; 2 Kor. 7:1; Ef. 4:29) Blijf proberen veranderingen aan te brengen. Praat erover met de persoon die met je studeert of vraag de ouderlingen van de gemeente om hulp en advies. Als je jong bent en nog thuis woont, vraag dan of je ouders je willen helpen te breken met eventuele slechte gewoonten die je ervan weerhouden je te laten dopen. Het is ook belangrijk een goede geestelijke routine te volgen. Daartoe behoort vergaderingen bezoeken en eraan deelnemen (Hebr. 10:24, 25). En maak ook de velddienst een deel van je routine, als je er eenmaal voor in aanmerking komt. w23.03 11 ¶14-16
maandag 12 februari
Jehovah God zei tegen de slang: ‘Omdat je dat hebt gedaan, ben je vervloekt.’ — Gen. 3:14.
De hoofdrolspelers in Genesis 3:14, 15 zijn onder meer ‘de slang’ en het ‘nageslacht’ van de slang. Een echte slang kon natuurlijk niet begrijpen wat Jehovah in Eden zei. Jehovah’s oordeel moet dus gericht zijn tot een met verstand begaafd wezen. Wie is het? In Openbaring 12:9 wordt het duidelijk onthuld. Daar staat dat ‘de oorspronkelijke slang’ Satan de Duivel is. Als in de Bijbel figuurlijk over nageslacht wordt gesproken, gaat het om personen die hetzelfde denken en doen als een symbolische vader. Het nageslacht van de slang bestaat dan ook uit geesten en mensen die zich net als Satan tegen Jehovah verzetten en zijn volk tegenstaan. Daartoe behoren de engelen die in Noachs tijd hun toewijzing in de hemel verlieten en alle slechte mensen die zich net zo gedragen als hun vader, de Duivel (Gen. 6:1, 2; Joh. 8:44; 1 Joh. 5:19; Jud. 6). w22.07 14-15 ¶4-5
dinsdag 13 februari
Jullie kunnen vaststellen wat echt belangrijk is. — Fil. 1:10.
Paulus hield veel van zijn broeders en zusters. En omdat hij zelf ontberingen had meegemaakt, kon hij medegevoel en empathie tonen als ze beproevingen doormaakten. Op een keer had Paulus geen geld meer en moest hij werk zoeken om zichzelf en degenen die bij hem waren te onderhouden (Hand. 20:34). Hij was tentenmaker van beroep. Toen hij in Korinthe aankwam, werkte hij aanvankelijk samen met zijn collega-tentenmakers Aquila en Priskilla. Toch predikte hij ‘elke sabbat’ tot de Joden en de Grieken. Toen Silas en Timotheüs kwamen, ‘ging Paulus zich helemaal op het woord richten’ (Hand. 18:2-5). Hij verloor nooit zijn levensdoel uit het oog: Jehovah dienen. Door zijn voorbeeld als harde werker was hij in een goede positie om zijn broeders en zusters op te bouwen. Hij herinnerde ze eraan dat ze zich niet door de druk van het leven en de zorg voor het gezin mochten laten afleiden van ‘wat echt belangrijk is’: elk aspect van de aanbidding van Jehovah. w22.08 20 ¶3