-
De radiokoolstofklok opnieuw onderzochtOntwaakt! 1972 | 8 augustus
-
-
De radiokoolstofklok opnieuw onderzocht
GEEN enkel wetenschappelijk hulpmiddel dat ontworpen is om de mens te helpen zijn nieuwsgierigheid omtrent zijn verleden te bevredigen, is beter bekend dan de radiokoolstofklok. Deze methode voor het dateren van organisch materiaal in oude voorwerpen berust op het meten van de daarin aanwezige radiokoolstof; deze radiokoolstof ontstaat in de atmosfeer onder invloed van kosmische straling en wordt door de planten opgenomen. De methode is in het bijzonder bruikbaar voor het dateren van voorwerpen die uit hout, houtskool, of uit dierlijke of plantaardige vezels bestaan. Met deze methode kan men datums bepalen die meer dan 10.000 jaar in de geschiedenis teruggaan.
Archeologen hebben grote interesse voor de resultaten van dergelijke dateringen omdat hun studie gericht is op de oudheid, op de mensen die toen leefden en op wat zij gedaan hebben. Ook onderzoekers van de bijbel hebben belangstelling gehad voor de radiokoolstofdateringsmethode omdat de tijdsperiode die door deze methode wordt bestreken, de 6000 jaar menselijke geschiedenis omvat die in de bijbel wordt beschreven.
Misschien bent u op de hoogte van het feit dat de radiokoolstofklok werd gebruikt voor het dateren van het linnen omhulsel van de oude Jesaja-rol die in de omgeving van de Dode Zee werd gevonden.1a Men ontdekte dat het materiaal waarin de rol verpakt was, achttien tot twintig eeuwen oud was, hetgeen overeenstemde met andere bewijzen die aantoonden dat het manuscript echt, en geen knappe hedendaagse vervalsing, is.
Symposium te Uppsala
De belangstelling voor de radiokoolstofdatering is opnieuw gewekt door een recente publikatie (uit 1971) van de verhandelingen van het twaalfde Nobel-symposium dat in 1969 te Uppsala in Zweden werd gehouden. Op dit symposium kwamen radiochemie-deskundigen uit vele landen met geologen en archeologen samen. Zij bespraken hun jongste onderzoekingen in verband met de theorie en het praktische gebruik van radiokoolstof (koolstof 14) voor ouderdomsbepalingen. De erepresident was de Nobelprijswinnaar W. F. Libby, verbonden aan de universiteit van Californië te Los Angeles, die in 1949 de stoot gaf tot de koolstof-14-dateringsmethode.
Het gehele verslag van de conferentie ademt een geest van voldoening, voldoening over de successen die men reeds met de methode heeft geboekt. Ook de problemen die waren ontstaan door de strijdige resultaten die soms uit verschillende laboratoria kwamen, heeft men voor het grootste deel kunnen oplossen. Er kan nu worden verwacht dat een gevonden datum op vijftig tot honderd jaar nauwkeurig is. Weliswaar zijn er grotere verschillen tussen de „radiokoolstofouderdom”, berekend uit de radioactiviteit, en de werkelijke ouderdom die van bepaalde monsters bekend was aan het licht getreden, maar die kunnen verrekend worden met een correctiegrafiek die in verscheidene laboratoria is samengesteld.
Deze grafiek is voornamelijk gebaseerd op de jaarringen die men geteld heeft bij hout van bomen met een lange levensduur. Zo kan bijvoorbeeld een stuk hout dat volgens zijn jaarringen 7000 jaar oud is, een radiokoolstofouderdom hebben van slechts 6000 jaar. Die 1000 jaar wordt nu als correctie bij de koolstofouderdom van elk voorwerp uit die tijd gevoegd.
Men is tot de ontdekking gekomen dat de theorie waarop de radiokoolstofmethode is gebaseerd, veel ingewikkelder is dan men twintig jaar geleden vermoedde; en veel verbeteringen die in de theorie zijn aangebracht, zijn reeds bestudeerd om te zien of ze eventueel van invloed zouden kunnen zijn op reeds gemeten ouderdommen. Als men met al deze factoren rekening houdt, lijkt het mogelijk om tamelijk nauwkeurig de ouderdom te kunnen bepalen van organisch materiaal dat op het een of andere tijdstip in de afgelopen 7400 jaar is gevormd.
Er zijn op het ogenblik echter monsters, afkomstig van huizen en vuurplaatsen uit de oudheid, die volgens de radiokoolstofdateringsmethode meer dan 6000 jaar oud zijn. Dergelijke vondsten zijn in strijd met de bijbelse chronologie, volgens welke de eerste mens pas 6000 jaar geleden werd geschapen. Dit doet enkele mogelijk verontrustende vragen rijzen. Heeft de toegenomen verfijning en het klaarblijkelijke succes van de radiokoolstofklok de bijbelse chronologie soms verouderd gemaakt? Kunnen wij nog steeds ons vertrouwen stellen in de bijbelse jaartelling, of heeft de wetenschap aangetoond dat ze onbetrouwbaar is?
Het zou van voorzichtigheid getuigen de details die op de conferentie te Uppsala werden besproken, wat nader te beschouwen voordat wij overhaast conclusies trekken. Eerst willen wij ons afvragen of de gedetailleerde correcties die in de radiokoolstofmethode zijn aangebracht en die haar op het eerste gezicht exacter maken, in werkelijkheid niet de mogelijkheid dat de theorie fout kan zijn, hebben vergroot.
Noodzakelijke onderstellingen
De betrekkelijk eenvoudige theorie van twintig jaar geleden was gebaseerd op de volgende onderstellingen:
1. Dat koolstof 14, de radioactieve component van natuurlijke koolstof, vervalt met een halveringstijd van 5568 jaar.
2. Dat de verhouding tussen het aantal koolstof-14-atomen en het aantal stabiele koolstof-12-atomen in „levende” koolstof altijd hetzelfde is geweest als nu. Deze onderstelling is afhankelijk van twee andere (2a en 2b).
2a. Dat het aantal koolstof-14-atomen constant is gebleven; dit betekent dat de kosmische straling, die koolstof 14 doet ontstaan, in de afgelopen 15.000 tot 20.000 jaar niet in intensiteit heeft gevarieerd.
2b. Ook, dat de totale hoeveelheid stabiele koolstof in het „uitwisselingsreservoir” gedurende diezelfde periode constant is gebleven. Dit reservoir omvat het koolzuur of de kooldioxyde in de lucht, alsook de organische koolstof in alle levensvormen, daar deze door middel van de fotosynthese voortdurend koolzuur opnemen en die door middel van de ademhaling weer afstaan. Kooldioxyde lost ook op in zeewater, waar het koolzuur en carbonaten (zouten van koolzuur) vormt, die zich mengen met de reeds in het water opgeloste carbonaten. Dit proces is ook omkeerbaar, zij het soms met een verloop van vijftig jaar. De minerale carbonaten in de gesteenten worden natuurlijk niet als een deel van het uitwisselingsreservoir beschouwd.
2c. Met nummer twee is de onderstelling verbonden dat de produktie van koolstof 14 tijdens deze hele periode constant is gebleven, en dit houdt tevens in dat het verval, beschouwd over de hele wereld, in evenwicht is geweest met de produktie.
3. Dat alle levensvormen, plant en dier, tijdens hun leven radioactieve koolstof in hun weefsels opnemen; dat na de dood de radioactiviteit in deze eens levende voorwerpen wiskundig afneemt volgens het natuurlijke radioactieve verval; dat er geen radiokoolstof wordt opgenomen door contact met jongere materialen, noch verliezen optreden door het uitwisselen van koolstofatomen met oudere koolstof.
4. Dat voor een praktisch gebruik van radiokoolstofdatums het monster uit dezelfde tijd moet stammen als de gebeurtenis die men ermee wil dateren, en niet van iets afkomstig moet zijn dat lange tijd daarvoor groeide.
Het is goed van nu af aan in gedachten te houden dat de radiokoolstofklok alleen dan juiste datums geeft, als aan alle bovenstaande onderstellingen is voldaan. Als slechts één ervan niet opgaat, is de methode waardeloos geworden en zal ze geen juiste ouderdom aanwijzen.
Bij de eerste monsters, die werden genomen van het hout van oude bomen en uit de graven van Egyptische koningen, en die in het laboratorium van Libby werden gemeten, vertoonden de radiokoolstofdatums een redelijk goede overeenkomst met de aangenomen ouderdom voor deze voorwerpen. Ze waren ongeveer 4000 jaar oud. Daarom was men van mening dat de onderstellingen misschien, of in ieder geval ten naaste bij, juist waren. Hoe ziet het beeld er nu, na meer dan twintig jaar van onderzoek in het „mechanisme” van de radiokoolstofklok, echter uit? Zien de onderstellingen er nog steeds zo betrouwbaar uit als toen?
Als men de verslagen van de conferentie te Uppsala doorleest, komt men tot de conclusie dat op het ogenblik zelfs niet één van de bovengenoemde onderstellingen nog juist blijkt te zijn! Sommige zijn er misschien slechts weinig naast, maar andere zijn volkomen in strijd met de werkelijkheid gebleken. Laten wij elk van deze onderstellingen in het licht van de huidige kennis — of misschien nog steeds bestaande onwetendheid — nog eens aan een beschouwing onderwerpen.
De waarde van de monsters
Een van de direct voor de hand liggende mogelijkheden voor het ontstaan van fouten bij de radiokoolstofdatering is het verlies aan zuiverheid van het monster (onderstelling 3). Als een monster veranderingen ondergaat of verontreinigd wordt, doordat het in contact komt met, of ingesloten wordt door materiaal dat oudere of jongere koolstof bevat, kan er uit de analyse van het monster geen juist antwoord komen. De archeoloog van de praktijk heeft echter wel geleerd wat hij moet doen met een monster dat terugkomt van het laboratorium met een datum die verschilt van wat hij had verwacht. Dr. Evzen Neustupný, lid van het Archeologisch Instituut van de Tsjechische Academie van Wetenschappen, vertelde op het symposium: „Verontreiniging van monsters met nieuwe of oude koolstof kan vaak snel worden opgemerkt als het resultaat van een meting aanzienlijk afwijkt van de verwachte waarde.”2
Met andere woorden, voordat hij een monster inzendt weet hij niet of het verontreinigd is; als hij het echter opnieuw beschouwt en er een minder prettig antwoord bij is gegeven, kan hij duidelijk zien dat het verontreinigd was.
In verband met de belangrijkheid monsters uit te kiezen die uit dezelfde tijd stammen (onderstelling 4), wees dezelfde deskundige ook op het volgende: „Het moet duidelijk zijn, hoewel veel archeologen dit feit schijnen te negeren, dat de radiokoolstofmetingen de ouderdom van het organische weefsel van het monster, d.w.z de tijd dat het ontstond, aangeven. Het weefsel van een monster waarmee een historische of prehistorische gebeurtenis wordt gedateerd, kan biologisch gesproken reeds vele decennia of zelfs eeuwenlang dood zijn geweest voordat het door de mens uit de oudheid werd gebruikt. Dit geldt voor het hout dat voor het bouwen is gebruikt, voor de houtskool uit de vuurplaatsen en voor de meeste andere soorten van materiaal.”2
De lezer doet er goed aan dit punt in gedachten te houden als hij in een nieuwsbericht leest dat door de radiokoolstofdatering van een stuk houtskool dat ergens uit een grot is opgegraven, is bewezen dat daar zo en zo veel duizend jaar geleden holbewoners leefden. Ook nu zijn er nog plaatsen op de wereld waar een kampeerder hout zou kunnen verzamelen dat honderden, of zelfs duizenden jaren geleden gegroeid heeft.
Dit soort van fouten zijn vaak genoeg voorgekomen, hetgeen verklaart waarom de aangegeven radiokoolstofdatums niet algemeen door archeologen worden aanvaard. Maar zij hebben slechts te maken met de toepassing van de methode op bepaalde monsters, zodat het ene monster onjuist, maar een ander juist gedateerd kan zijn.
Behalve deze, zijn er nog andere problemen waarvoor de radiokoolstof-deskundigen zich gesteld zien, problemen die de kern van de theorie zelf raken. Als deze problemen niet tot volle tevredenheid kunnen worden opgelost, rijst de vraag of er wel van enig monster de juiste ouderdom bepaald kan worden.
De halveringstijd van radiokoolstof
Een van deze problemen betreft de allereerste onderstelling. Hoe zeker is het dat de halveringstijd van koolstof 14 juist is? Opmerkelijk is het volgende commentaar van twee deskundigen die werkzaam zijn op het radiokoolstof-laboratorium van de universiteit van Pennsylvania:
„De meeste zorg betreffende de betrouwbaarheid van deze halveringstijd-bepalingen baart het feit dat ze alle op dezelfde basismethoden berusten — namelijk het nauwkeurig vaststellen van de absolute afwijking van de teller die wordt gebruikt voor het bepalen van de specifieke snelheid waarmee de radiokoolstof uiteenvalt, en de daaropvolgende massaspectografische meting van de exact nauwkeurige hoeveelheid 14C waarbij de telling is verricht. Bij de eerste fase is de moeilijkheid een absoluut nauwkeurige vaststelling te krijgen van de afwijking die een telbuis vertoont, en in de tweede fase bestaat er het probleem van precieze verdunning en inbrenging van de radioactieve 14C in de massaspectograaf. Het is mogelijk dat bij alle bepalingen van de halveringstijd dezelfde fout van ongeveer dezelfde grootte ontstaat doordat er wat 14C op de wanden van de houders wordt geabsorbeerd. Het is duidelijk dat er behoefte bestaat aan een geheel onafhankelijke benadering en werkwijze voor men met zekerheid kan zeggen wat de werkelijke getalwaarde van de halveringstijd van 14C is.”3
Libby zelf was zich terdege bewust van deze beperkte nauwkeurigheid van de halveringstijd. In 1952 schreef hij over de grote belangrijkheid die er toegekend moest worden aan het meten van de absolute afbraaksnelheden; hij zei onder andere het volgende: „Het is te hopen dat er verdere metingen van de halveringstijd van radiokoolstof zullen worden gedaan, en dan liefst met geheel andere technieken.”4 Tot nu toe is deze hoop niet verwezenlijkt.
De produktie van koolstof 14
Wat valt er te zeggen over de constantheid van de kosmische straling (onderstelling 2a)? Waarnemingen hebben aangetoond dat ze in het geheel niet constant is. Men kent nu verschillende factoren die grote schommelingen in de hoeveelheid kosmische straling kunnen teweegbrengen.
Een van deze factoren is de sterkte van het aardmagnetische veld. Dit veld oefent invloed uit op de kosmische straling, doordat de minder energierijke deeltjes van de straling, die grotendeels uit protonen bestaat (geladen kernen van waterstofatomen), van de atmosfeer worden afgebogen. Als het aardmagnetische veld sterker wordt, bereikt een kleiner gedeelte van de straling de aarde en wordt er minder radiokoolstof geproduceerd. Als het aardmagnetische veld zwakker wordt, bereikt een groter gedeelte van de straling de aarde en wordt er meer radiokoolstof geproduceerd.
Onderzoekingen hebben uitgewezen dat het magnetische veld van de aarde in de periode die liep van 5500 tot 1000 jaar geleden, in sterkte is verdubbeld en nu weer aan het afnemen is. Alleen dit effect kan er reeds de oorzaak van zijn dat er bij de oudere dateringen een correctie van bijna 1000 jaar moest worden toegepast.
Ook verschijnselen op de zon veroorzaken grote veranderingen. Het magnetische veld van de zon strekt zich tot ver in de ruimte uit, zelfs voorbij de baan van de aarde. Dit veld wisselt, hoewel niet erg regelmatig, met de zonnevlekkencyclus van ongeveer elf jaar, en ook deze factor beïnvloedt de hoeveelheid kosmische straling die de aarde bereikt.
Een van de verschijnselen die op de zon waargenomen kunnen worden, zijn de zonnevlammen. Dit zijn grote stromen gloeiend heet gas die zo nu en dan uit het zonsoppervlak schieten en een enorm aantal protonen uitwerpen. De protonen die de aarde bereiken, veroorzaken het ontstaan van koolstof 14. Hierdoor wordt de toename in de hoeveelheid koolstof 14 onvoorspelbaar. Het verslag bevat een tabel en een grafiek waarin de produktie van koolstof 14 te zien is als gevolg van specifieke vlammen. Op 23 februari 1956 was er een vlam die in een paar uur evenveel koolstof 14 deed ontstaan als anders in een heel jaar van gemiddelde kosmische straling wordt gevormd. Het is duidelijk dat het onmogelijk is dit soort van effecten te verwerken in de correcties die men wil toepassen op de radiokoolstofklok, want niemand weet of er in de afgelopen millennia meer of minder vlammen waren dan op het huidige ogenblik.
Nog een factor waarvan men weinig weet, is de intensiteit van de kosmische straling die vanuit de melkweg ons zonnestelsel binnenkomt. Geleerden op het gebied van de geochemie hebben getracht enig idee omtrent de gemiddelde intensiteit in het verleden te krijgen door de zeer zwakke radioactiviteit te meten van verscheidene elementen die door kosmische straling in meteorieten zijn ontstaan. De resultaten geven echter weinig zekerheid dat de kosmische straling in de afgelopen 10.000 jaar constant is gebleven.
De radiokoolstoftheorie zou in een veel sterkere (hoewel nog niet onkwetsbare) positie staan met betrekking tot bovengenoemde bezwaren als er kon worden aangetoond dat de radiokoolstof in onze tijd even snel uiteenvalt als ze wordt gevormd (onderstelling 2c). Als men tot de ontdekking komt dat dit niet waar is, is daarmee ook bewezen dat de onderstelling van een constante voorraad koolstof 14 niet waar is; waarmee de pogingen van iemand die wil vasthouden aan de constantheid van de radiokoolstofactiviteit enigszins gaan lijken op de verrichtingen van een koorddanser die zijn evenwicht probeert te bewaren op een touw dat aan twee onafhankelijk van elkaar bewegende ophangpunten is bevestigd.
De hoeveelheid radiokoolstof die wordt gevormd, is moeilijk te berekenen. Libby trachtte dit te doen met het beste cijfermateriaal dat hem in 1952 ter beschikking stond. Hij ontdekte dat er op iedere gram koolstof uit het „reservoir” ongeveer negentien atomen radiokoolstof per seconde worden geproduceerd. Dit was ietwat hoger dan de zestien uiteenvallingen die hij in dezelfde periode mat. Maar met het oog op de ingewikkeldheid van het probleem en de ruwe schatting die hij van zoveel factoren had moeten maken, vond hij dat de uitkomst in voldoende mate overeenstemde met zijn onderstellingen.
Zijn er nu, zeventien jaar later, met behulp van betere gegevens en een beter begrip van het proces preciezere berekeningen mogelijk? De deskundigen op het symposium konden niets definitievers zeggen dan dat de snelheid waarmee de radiokoolstof wordt gevormd, tussen de 75 en 161 percent ligt van de snelheid waarmee ze uiteenvalt. Het lage cijfer zou erop duiden dat de hoeveelheid radiokoolstof op het ogenblik afneemt; het hoge dat de hoeveelheid toeneemt. De metingen geven niet de zekerheid dat de hoeveelheid constant blijft, zoals voor de radiokoolstoftheorie wordt vereist. Weer moet men zijn toevlucht nemen tot een onderstelling, namelijk de onderstelling dat „de betrekkelijke constantheid van de 14C-activiteit in het verleden doet vermoeden dat [de verhouding van radiokoolstof tot gewone koolstof] binnen veel nauwere grenzen moet liggen.”5 De ene onderstelling wordt gebruikt om de andere te rechtvaardigen.
Het koolstof-12-reservoir
Wil de radiokoolstofklok gelijk blijven lopen, dan moet niet alleen de voorraad koolstof 14, maar ook de hoeveelheid koolstof 12 in het uitwisselingsreservoir constant blijven (onderstelling 2b). Hebben wij gegronde redenen om te geloven dat deze onderstelling waar is?
Daar er zich in de oceanen ongeveer zestig maal zoveel koolstof bevindt als in de dampkring, zijn wij voornamelijk geïnteresseerd in dat oceaan-reservoir. Ook dit punt kwam op de conferentie te Uppsala aan de orde; de algemene mening was dat, zoals zij het noemden, een „ijstijd” belangrijke verstoringen zou hebben kunnen veroorzaken. Libby had reeds in 1952 op deze mogelijkheid gewezen:
„De mogelijkheid dat de hoeveelheid koolstof in het uitwisselingsreservoir de afgelopen 10.000 tot 20.000 jaar aanzienlijk is gewijzigd, hangt bijna geheel af van de vraag of het ijstijdperk, dat, zoals wij later zullen zien, gedeeltelijk in deze periode schijnt te liggen, een merkbare invloed heeft gehad op het volume en de gemiddelde temperatuur van de oceanen.”6
De gevolgen van de Vloed
Als een onderzoeker van de bijbel hoort spreken over het volume van de oceanen, komt in zijn geest onmiddellijk de gedachte op dat er mogelijk ten tijde van de vloed van Noachs dagen, 4340 jaar geleden, grote storingen in de radiokoolstofklok zijn opgetreden. Na de Vloed moeten de oceanen beslist een veel grotere omvang en diepte hebben gekregen dan voordien. Dit op zichzelf zou de hoeveelheid carbonaten in de oceanen niet vermeerderen, integendeel eerder verdunnen. De hoeveelheid koolstof 14 en koolstof 12, alsook hun onderlinge verhouding, waardoor de specifieke mate van radioactiviteit wordt bepaald, zal enkel door het neervallende water niet veranderd zijn. De oceanen zouden door hun toegenomen volume echter wel de capaciteit bezitten om ten slotte een veel grotere hoeveelheid opgeloste carbonaten te bevatten.
Ook mag men verwachten dat er wegens het toegenomen gewicht van het water in de oceaanbekkens veranderingen in de aardkorst zijn opgetreden. Deze druk op de bodem van de oceanen zal groter geweest zijn dan de druk op de continenten; waardoor de plastische mantel onder de oceaanbekkens werd weggedrukt in de richting van de continenten en deze tot grotere hoogten werden opgestuwd. Hierdoor zullen rotsoppervlakken aan een sterkere erosie zijn blootgesteld, met inbegrip van de kalksteenformaties in de beddingen van de ondiepe zeeën die op geologische kaarten voor het pliocene tijdvak staan aangegeven in laag gelegen continentale gebieden.
Beginnend kort na de Vloed zal dus de hoeveelheid carbonaten in het oceaan-reservoir in de loop der tijd gestaag zijn toegenomen tot het peil van de huidige concentratie werd bereikt. Dus in plaats van te mogen veronderstellen dat het „carbonaat-reservoir” met een constante hoeveelheid carbonaten gevuld is geweest, dienen wij de mogelijkheid onder ogen te zien dat deze hoeveelheid carbonaten, en daarmee de hoeveelheid koolstof, in de afgelopen 4300 jaar langzamerhand is toegenomen.
Welke uitwerking zal de Vloed hebben gehad op het koolstof-14-gehalte? Daar de bijbel de aanwijzing verschaft dat het water dat tijdens de Vloed neerviel, voordien op de een of andere wijze boven de aardatmosfeer hing, moet hierdoor het binnendringen van kosmische straling en daarmee ook de produktie van radiokoolstof zijn belemmerd. Als het water gelijkmatig in een bolvormige schil rond de aarde verdeeld is geweest, zou de vorming van radiokoolstof wel eens helemaal niet hebben kunnen plaatsvinden. Het is echter niet noodzakelijk dit te veronderstellen; het watergewelf is misschien boven de evenaar dikker geweest dan boven de polen, waardoor er toch kosmische straling met lage energie de dampkring is binnengedrongen. In ieder geval kunnen wij zeggen dat de verwijdering van dit waterschild, dat in de vorm van regen naar beneden kwam, een vermeerdering tot gevolg zal hebben gehad van de hoeveelheid koolstof 14 die werd gevormd.
Wij mogen dus verwachten dat na de Vloed zowel de radioactieve koolstof 14 als de stabiele koolstof 12 in het oceaan-reservoir snel in hoeveelheid toenamen. En, zoals wij ons nog zullen herinneren, is het de verhouding tussen de hoeveelheid koolstof 14 en koolstof 12 die bepalend is voor de specifieke mate van radioactiviteit. Het is dus mogelijk dat deze activiteit is toegenomen of afgenomen, afhankelijk van de snelheid waarmee door de erosie van de rotsen op het vasteland carbonaten naar de zee werden gevoerd. Het is inderdaad mogelijk, hoewel niet waarschijnlijk, dat de hoeveelheden van de genoemde stoffen evenredig zijn toegenomen; in dat geval zou de radiokoolstofklok ook gedurende en na de Vloed goed zijn blijven lopen. Libby heeft gewezen op de mogelijkheid dat een dergelijk toevallig evenwicht de oorzaak zou kunnen zijn van de „overeenstemming die er bestaat tussen de voorspelde en waargenomen radiokoolstofhoeveelheid in organisch materiaal van bekende historische datum.”7 Hij was echter geen voorstander van deze uitleg.
Daar de respectieve hoeveelheden koolstof 14 en koolstof 12 onafhankelijk van elkaar zijn, is het mogelijk voor deze hoeveelheden waarden te veronderstellen waardoor de buitensporige ouderdom van oude monsters verklaard zou worden. Als wij bijvoorbeeld aannemen dat de koolstof vóór de Vloed slechts half zo radioactief was als de koolstof nu, zouden alle voorwerpen van vóór de Vloed 6000 jaar ouder lijken dan ze in werkelijkheid zijn. Dit zou ook nog enige tijd na de Vloed gelden; deze fout zou echter in de loop van de eeuwen na de Vloed steeds geringer zijn geworden door de extra produktie van radiokoolstof in de atmosfeer. Het schijnt dat omstreeks 1500 v.G.T. de activiteit haar huidige peil had bereikt, daar de radiokoolstofdatums vanaf die tijd behoorlijk schijnen te kloppen.
Het beginsel van gelijktijdigheid
Dit zijn enkele van de erkende problemen waarmee de radiokoolstofchronologie wordt geconfronteerd. Er zijn nog andere problemen die nauwelijks zijn beschouwd, en mogelijk zijn er enkele waaraan men zelfs nog niet eens heeft gedacht. Dit is ook de reden waarom de twintig jaar geleden gepubliceerde theorie niet langer houdbaar is. Het is eenvoudig niet meer mogelijk met enige zekerheid de ouderdom van een monster te bepalen louter door de radioactiviteit van de koolstof te meten en die te vergelijken met de hedendaagse activiteit. Eén hoofdpunt van de radiokoolstoftheorie schijnt echter tot nog toe zijn geldigheid niet verloren te hebben, en wel het beginsel van gelijktijdigheid.
Volgens dit beginsel was op een willekeurig tijdstip in het verleden de concentratie radioactieve koolstof over de hele wereld hetzelfde, zodat alle monsters die in dezelfde tijd ontstonden, dezelfde activiteit hadden. Hieruit volgt dat ze, afgezien van veranderingen en verontreinigingen, in onze tijd bij metingen een zelfde overgebleven mate van radioactiviteit zullen vertonen. Zelfs als men alle andere onderstellingen moet laten varen, kan men toch nog op grond van dit bovenstaande beginsel ouderdomsbepalingen verrichten met de radiokoolstofmethode. Dit wordt gedaan met behulp van monsters waarvan men de ouderdom met zekerheid weet; van deze monsters wordt de radiokoolstofouderdom gemeten, waarna op grond van deze gegevens een correctiegrafiek wordt samengesteld; men kan nu van ieder willekeurig monster de ouderdom bepalen door een radiokoolstofmeting uit te voeren om zijn positie op de grafiek te bepalen en daaruit zijn juiste ouderdom af te leiden.
Eén laboratorium heeft in het verleden een reeks houtmonsters verzameld van bomen met een lange levensduur en aan deze monsters een bepaalde datum toegekend door de jaarringen te tellen. Deze monsters zijn toen naar de radiokoolstof-laboratoria gestuurd, waar het gehalte aan radioactieve koolstof werd bepaald. De datums van deze monsters zijn nu algemeen aanvaard als een vaste basis voor de radiokoolstofchronologie. Inderdaad, zonder deze noodmaatregel zou de radiokoolstofklok nu zo gehavend zijn dat hij nauwelijks meer te vertrouwen was en zou hij slechts gebruikt kunnen worden voor globale ouderdomsbepalingen.
Willen wij dus geloof kunnen stellen in de gecorrigeerde radiokoolstofdatums, dan is het nodig dat wij nu in iets anders vertrouwen gaan stellen, namelijk in de huidige fundamentele standaardmeting, het tellen van jaarringen. Hoe betrouwbaar is deze nieuwe methode? Laten wij dat in het volgende artikel eens nader beschouwen.
-
-
Radiokoolstofdatums gekoppeld aan jaarringenOntwaakt! 1972 | 8 augustus
-
-
Radiokoolstofdatums gekoppeld aan jaarringen
DE TITEL van het twaalfde Nobel-symposium was: „Radiokoolstofvariaties en absolute chronologie”. De titel houdt reeds in dat de radiokoolstofdateringsmethode niet langer als absoluut wordt beschouwd. Op het symposium lag de nadruk op de variaties in de radiokoolstofdatums en de, slechts gedeeltelijk geslaagde, pogingen om ze te verklaren. De chronologie die gebaseerd is op het tellen van jaarringen kwam op dit symposium naar voren als de absolute chronologie.
Is dat slecht nieuws? Waarom? Per slot vormt de radiokoolstofdatering een zeer gespecialiseerd technisch terrein waarop slechts een paar zeer getrainde specialisten werkzaam zijn; en de theorie is hier gecorrigeerd en daar veranderd tot ze zelfs voor andere geleerden moeilijk te begrijpen is geworden. Terwijl het aan de andere kant zo is dat iedereen weet — niet waar? — dat een groeiende boom elk jaar een nieuwe ring om zijn stam legt. En nadat een boom is omgehakt, kan men precies vertellen hoe oud hij is door alleen maar de jaarringen te tellen, niet waar? Wat is er nu nog eenvoudiger? Ongetwijfeld zullen heel veel mensen opgelucht zijn te vernemen dat men nu de radiokoolstofklok die toch altijd nog een beetje deed denken aan wetenschappelijke toverij, gelijk laat lopen met behulp van zoiets gemakkelijks en begrijpelijks als het tellen van jaarringen.
De grafiek met correctiefactoren was opgenomen in het verslag over het symposium (ook gepubliceerd in het tijdschrift Scientific American van oktober 1971). De grafiek gaat terug tot ongeveer 5200 v.G.T. en laat voor elk tussenliggend jaar zien hoeveel jaren er bij de radiokoolstofdatum moeten worden bijgeteld of afgetrokken om hen te laten overeenstemmen met de jaarringdatum.
Op het eerste gezicht bent u geneigd deze grafiek te houden voor een grafische voorstelling van de koersen van een effectenbeurs. Die gelijkenis wordt nog beklemtoond door het ontbreken van enige regelmaat, de willekeurige schommelingen over een korte periode en het onvoorspelbare algemenere verloop. Door het gebruik van deze correctiegrafiek zijn de radiokoolstof-dateringslaboratoria voor de nauwkeurigheid van hun datums volledig afhankelijk geworden van de nauwkeurigheid van de jaarringchronologie, ook wel dendrochronologie genaamd.
Daarom zullen zij die geloof hebben gesteld in de radiokoolstofdatums zichzelf nu moeten afvragen of dat geloof door de nieuwe koppeling aan jaarringdatums wordt versterkt of verzwakt. Dit antwoord hangt natuurlijk af van het antwoord op de vraag hoe zeker de jaarringchronologie is. Biedt ze een stevig houvast voor de radiokoolstofdatums, zodat deze niet in de onbekende diepten van de oudheid wegzinken?
„Denneboom”-chronologie
Niet veel bomen leven duizenden jaren. De luisterrijke, reusachtige sequoia’s, die op de berghellingen van Californië groeien, zijn beroemd om hun lange levensduur. In de afgelopen jaren heeft men echter ontdekt dat de Pinus aristata, een onaanzienlijke, armoedig uitziende denneboom, die groeit op de rotsachtige hellingen in het zuidwesten van de Verenigde Staten, soms zelfs nog langer leeft. Van één boom in Nevada wordt zelfs gezegd dat hij 4900 jaar oud is.
In 1953 was E. Schulman, verbonden aan de universiteit van Arizona, de eerste die op de waarde van deze langlevende bomen wees. In de White Mountains in het oosten van Californië vond hij een aantal zeer oude bomen; sommige leefden nog, van andere was nog slechts een stomp of een stam over. Hij sneed hout uit levende bomen, alsook uit de overblijfselen van omgevallen bomen in het bos. Dit hout werd in het laboratorium onderzocht en door Schulman gebruikt om een jaarringchronologie op te bouwen. Na zijn dood in 1958 werd dit werk in hetzelfde laboratorium door professor C.W. Ferguson hervat. Ferguson gaf op het symposium een verslag over het stadium waarin dit onderzoek op het ogenblik verkeert. Hij beweert een jaarringchronologie te hebben opgebouwd voor de Pinus aristata die helemaal teruggaat tot het jaar 5522 v.G.T. Dit omvat een tijdspanne van bijna 7500 jaar, een werkelijk indrukwekkende prestatie. Kan er enige reden bestaan om aan de juistheid van deze chronologie te twijfelen?
Door sommige onderzoekers betwijfeld
Wel, misschien mogen wij de aandacht vestigen op hetgeen professor P.E. Damon, verbonden aan de geologische faculteit van dezelfde universiteit als Ferguson, heeft gezegd: „De nauwkeurigheid van de jaarringdateringsmethode zal door sommige onderzoekers betwijfeld worden.”8a Laten wij ons dus eens gaan verdiepen in de manier waarop een jaarringchronologie wordt samengesteld, om te zien waarom wij de nauwkeurigheid ervan misschien mogen betwijfelen.
Het eerste wat onze aandacht heeft, is de basisonderstelling van de jaarring-telling: dat iedere ring overeenkomt met één jaar. Het zal u misschien verbazen te vernemen dat dit niet altijd waar is. Ferguson zegt over dit punt: „In sommige gevallen kan er langs een straal die een afstand van vele eeuwen omvat, 5 percent of meer van de jaarringen ontbreken. In een boom wordt de plaats van dergelijke ’ontbrekende’ ringen bepaald door zijn ringpatroon te vergelijken met het ringpatroon van andere bomen waarin de ’ontbrekende’ ring wel aanwezig is.”9 Aangezien de onderzoeker deze „ontbrekende ringen” aan zijn chronologie toevoegt, wordt zijn tijdrekening langer dan het werkelijke aantal getelde ringen, namelijk vijf of meer jaren per eeuw.
Nog interessanter is Fergusons commentaar over de mogelijkheid dat een boom, wel twee of drie ringen in één jaar kan vormen: „Bij bepaalde soorten coniferen, vooral bij die welke op lagere hoogten of op meer zuidelijke breedten groeien, kan de bijgroei van één seizoen best zijn samengesteld uit twee of meer aanwassingen, die elk een heel sterke gelijkenis vertonen met een jaarring. Zulke veelvoudige groeiringen zijn echter bij de Pinus aristata buitengewoon zeldzaam en komen vooral op de breedtegraad en de hoogte van de plaatsen waar ze bestudeerd zijn, weinig voor.”9
Onder de huidige klimatologische omstandigheden zijn veelvoudige ringen dus zeldzaam. Zulk een verklaring is vanuit het standpunt van een actualist bezien voldoende geruststellend. Actualisten zien echter het overvloedige bewijsmateriaal over het hoofd, dat het klimaat vóór de Vloed van 2370 v.G.T. veel gematigder was. Ook de huidige plaats van de Pinus aristata-bossen kan toen op veel lagere hoogte hebben gelegen. Beide verschillen zouden, in overeenstemming met bovenstaande aanhaling, tot gevolg kunnen hebben gehad dat er bij de toen levende bomen meer veelvoudige ringen voorkwamen. Dit zou niet alleen vóór de Vloed kunnen zijn gebeurd, maar ook zelfs nog enige tijd daarna, in de periode dat de aardkorst zich aan de nieuwe spanningen aanpaste. Wie kan zeggen hoe vaak er onder dergelijke omstandigheden veelvoudige groeiringen zijn gevormd, of hoeveel extra eeuwen er daardoor in de chronologie zijn bijgeteld?
De patronen aan elkaar passen
Het volgende punt dat opgemerkt dient te worden, is dat geen enkele boom 7500 jaarringen heeft. Hoewel er wordt gezegd dat sommige nog bestaande bomen meer dan 3000, en zelfs meer dan 4000 jaar oud zijn, is de oudste nog levende boom die bij de chronologie wordt gebruikt, pas in het jaar 800 G.T. ontstaan. Men heeft echter ook een dode boom gevonden met ongeveer 2200 jaarringen, en er werden overeenkomsten in het patroon van dikke en dunne ringen aangetroffen tussen de buitenste lagen van de dode boom en de binnenste lagen van de nog levende boom. Hieruit kon men afleiden dat de periode waarin de bomen gelijktijdig hebben geleefd, heeft gelopen van 800 tot 1285 G.T.; de oudere boom kon men nu terugdateren tot 957 v.G.T. Deze gang van zaken werd met zeventien andere overblijfselen van omgevallen bomen — waarvan het aantal jaarringen varieerde van 439 tot 3250 — herhaald, waardoor men met de ringtelling in totaal 7484 jaar terug kon tellen.
U kunt zich nu afvragen: Hoe zeker is het dat de overlappende patronen bij elkaar passen? Ferguson verzekert ons dat alle zeventien slechts op één manier aan elkaar gepast kunnen worden. Hij zegt hierover: „De moeder-chronologie is voor alle betrokken voorwerpen uniek in haar van-jaar-tot-jaarpatroon; nergens in de tijd wordt over een lange periode de opeenvolging van brede en smalle ringen op precies dezelfde wijze herhaald, omdat de van jaar tot jaar optredende wisselingen in het klimaat nooit exact hetzelfde zijn.”9 Veel mensen zullen bereid zijn deze uitspraak meteen als waar te aanvaarden; andere onderzoekers kunnen, met de woorden van Damon, tot degenen behoren die de nauwkeurigheid ervan betwijfelen.
Nog een vraag: Als het mogelijk zou zijn een segment van een dode boom op meer dan één plaats in te passen, door welke overwegingen zou men zich dan laten leiden bij het uitkiezen van de „juiste plaats”? Een aanwijzing omtrent het antwoord hierop wordt verschaft door de volgende verklaring van Ferguson: „Zo nu en dan onderwerpen wij een monster dat afkomstig is van een nog niet gedateerd exemplaar, aan een radiokoolstofanalyse. De aldus verkregen datum vormt een aanwijzing voor de globale ouderdom van het monster, waardoor wordt aangegeven welk gedeelte van de moeder-chronologie wij moeten afspeuren; op deze wijze kan de jaarringdatum sneller worden bepaald.”10 Ook zijn volgende verklaring is interessant: „De radiokoolstofanalyse die wij hebben verricht bij een enkel, klein exemplaar met een serie van 400 ringen van hoge kwaliteit, geeft aan dat dit exemplaar bij benadering 9000 jaar oud is. Dit houdt grote beloften in voor de uitbreiding van de jaarringchronologie verder terug in de tijd.”11
Het is dus duidelijk dat de koolstof-14-datering soms dient als gids bij het aaneenpassen van de stukjes van de jaarring-puzzel. Hebben wij door deze erkenningen reden te vermoeden dat de jaarringchronologie misschien niet zo goed verankerd is als op het eerste gezicht wel lijkt, maar dat haar voorstanders voor ondersteuning terugvallen op de radiokoolstofdatering? Een dergelijke achterdocht is niet ongefundeerd, gezien de volgende uitspraak van professor Damon, die, nadat hij ons verzekerd heeft van zijn persoonlijke vertrouwen in de jaarringdatums, zegt: „Het is niettemin geruststellend de een of andere objectieve vergelijkingsmogelijkheid te hebben, zoals bijvoorbeeld een andere dateringsmethode. Zo’n mogelijkheid wordt in feite verschaft door de koolstof-14-datering van historisch reeds gedateerde monsters.”8
Als jaarringdatums zelfs binnen het tijdvak waarin ze nog worden ondersteund door historische datums, over een periode van slechts 4000 jaar, extra ondersteund moeten worden door vergelijking met radiokoolstofdatums, wat valt er dan te zeggen over dezelfde noodzaak voor de periode die daar 4000 of 5000 jaar vóór ligt?
Problemen in verband met het dateren van hout
De pogingen om de wederzijdse ondersteuning van de twee chronologieën te versterken, worden nog door een andere moeilijkheid gehandicapt, waarover onder de deskundigen een uitgebreide discussie ontstond. Zelfs bij de radiokoolstofanalyse van monsters die afkomstig zijn van de Pinus aristata en die nu als basis voor alle andere radiokoolstofdatums dienen, moet de mogelijkheid overwogen worden dat de monsters veranderingen hebben ondergaan. Het is bekend dat er bij anorganische stoffen, als de kalk in de schaal van schaaldieren en het carbonaat in beenderen, heel gemakkelijk een uitwisseling kan optreden met andere, opgeloste carbonaten hetzij jonger of ouder. Om deze reden zijn ze praktisch nutteloos voor de koolstofdatering. Bij organische stoffen, als houtcellulose, gaat men van de veronderstelling uit dat er praktisch geen uitwisseling optreedt. Wij kunnen ons echter afvragen of het zeker is dat de levenssappen van een boom, die weliswaar uit het dode hout kunnen worden weggewassen, niet gedeeltelijk de uiteenvallende koolstof 14 hebben vervangen door de stabiele koolstof 12, vooral gezien het feit dat deze sappen eeuwen of zelfs millennia lang door het hout hebben gecirculeerd.
In tegenstelling tot de sappen, is hars heel moeilijk te verwijderen. Ferguson sprak over het „sterk harsachtige karakter” van het hout van de Pinus aristata.12 De deskundigen waren het erover eens dat het hars uit jonger hout in ouder hout dringt, waardoor er daar fouten ontstaan. „Het binnendringen van hars is beslist een niet te verwaarlozen factor.”13 Nog een verklaring luidde: „Dit harsprobleem is belangrijk, vooral daar de aan te brengen correcties toenemen naarmate men dichter bij de kern van de boom komt.”13 Bij één experiment was de hars die aan het hout was onttrokken schijnbaar 400 jaar jonger dan het hout.
De meningen van de experts lopen echter uiteen wat de doeltreffendheid van hun chemische behandelingen betreft. Een zei dat ’alle hars verwijderd wordt’ wanneer men het hout achtereenvolgens kookt in een zuur en een loog.14 Een ander zei: „Naar mijn mening kan de hars in de Pinus aristata niet volledig verwijderd worden met behulp van anorganische chemicaliën.”14 Als men echter organische oplosmiddelen gaat gebruiken, ontstaat weer het probleem of het oplosmiddel na de behandeling wel volledig verwijderd is, omdat slechts een klein beetje „moderne” koolstof, afkomstig van het oplosmiddel, een monster van oud hout schijnbaar zou kunnen „verjongen”. Natuurlijk wordt er nauwgezet gewerkt om al deze fouten uit te sluiten; heeft men echter altijd succes bij deze pogingen? Hoe zeker kunnen wij daarvan zijn?
De warvenanalyse
Op de bijeenkomst kwam ook een ietwat overeenkomstige methode voor het tellen van jaren ter sprake, namelijk de warvenanalyse. Warven zijn afwisselende laagjes zand en slib die jaarlijks door het smelten van een gletsjer worden afgezet. Men beweert nu dat deze laagjes een continu verloop hebben en op één plaats in Zweden wel 12.000 jaar teruggaan. Ook deze telling werd voorgesteld om als absolute chronologie gebruikt te worden, waaraan dan weer de radiokoolstofdatums gekoppeld zouden kunnen worden. Maar hoe stevig is deze basis voor de tijdrekening?
De Scandinavische warvenchronologie is samengesteld uit waarnemingen die men op verschillende plaatsen over heel Zweden heeft gedaan. De daarmee opgestelde chronologie lijkt veel minder waardevol dan een jaarringchronologie, en wel om verscheidene redenen.
In de eerste plaats bestaat er geen schakel met het heden, hetgeen bij de jaarringchronologie wel het geval is in de vorm van de buitenste ring van een levende boom. De schattingen betreffende de datum waarop de laatste warve is afgezet, variëren sterk. En die onzekerheid wordt nog vergroot doordat het moeilijk is te onderscheiden welk materiaal in één jaar is afgezet. Zo dateerde één geoloog het begin van de warvenreeks in Skåne op 12.950 v.G.T., een ander kwam echter maar tot 10.550 v.G.T. Dr. E. Fromm, lid van de Zweedse Geologische Dienst, heeft het volgende gezegd: „Bij deze gevallen legt de geologische structuur a priori geen beperking op aan de mogelijke reikwijdte van de datums, en de ’telecorrelaties’ hebben duidelijk onbetrouwbare resultaten opgeleverd. Bovendien blijven er in deze gedeelten van Skåne twijfels bestaan over de vraag of alle gelaagde sedimenten in kleine smeltwatermeertjes werkelijk warven zijn die in één jaar zijn afgezet.”15
Het is interessant op te merken dat deze geleerde erkent dat warven niet altijd corresponderen met jaarlijkse afzettingen. In werkelijkheid vertegenwoordigen ze alleen maar een afwisselende snelle en langzame stroom van het water; en onder bepaalde klimatologische omstandigheden kan het water verscheidene malen per jaar langzamer of sneller stromen. „Dr. Hörnsten, lid van de Zweedse Geologische Dienst, legde de nadruk op het feit dat iedere warve zorgvuldig beschouwd diende te worden, ten einde te vermijden dat de warve van één jaar voor twee jaar geteld werd. Eén enkele warve die gedurende één jaar wordt afgezet, kan één of twee pseudo-winterlagen hebben, wat veroorzaakt wordt door wisselingen in de vrijkomende hoeveelheden smeltwater (vgl. dubbele jaarringen).”16 Professor R.F. Flint, een bekend geoloog van de Yale-universiteit, vroeg om een duidelijke uiteenzetting van de criteria die worden gebruikt voor het herkennen van een warve, maar voor zover het verslag laat zien kwam dit niet uit de bus.17
Dit waren dan de „absolute chronologieën” die op het Nobel-symposium werden besproken. Uit de artikelen in populair wetenschappelijke tijdschriften zou men makkelijk de indruk kunnen krijgen dat de radiokoolstofdatering een steviger basis dan ooit heeft gekregen. Maar als men de achtergrondbesprekingen op de conferentie te Uppsala nauwkeurig leest, wordt duidelijk dat de onzekerheden zijn toegenomen. De radiokoolstoftheorie voorziet niet langer in een gezonde basis voor het aanvaarden van de datums die met de radiokoolstofmetingen verkregen worden. De resultaten van twintig jaar onderzoek hebben de meeste basisonderstellingen van deze theorie sterk verzwakt.
Nu verlaat men zich op het werk van één enkele researchgroep die zich heeft beziggehouden met een nieuwe methode — jaarringdatering. Welke zwakheden zal deze wijze van dateren blijken te bezitten nadat ze twintig jaar in andere laboratoria is onderzocht? Zou u met het oog op de belangrijke beslissingen die u in de nabije toekomst moet nemen, nu reeds, in de huidige fase van deze dateringsmethode, daarin meer vertrouwen willen stellen dan in de bijbel?
[Voetnoten]
a Verwijsbronnen kunnen worden gevonden op blz. 21.
-
-
Wetenschappelijke of bijbelse chronologie — Welke verdient uw vertrouwen?Ontwaakt! 1972 | 8 augustus
-
-
Wetenschappelijke of bijbelse chronologie — Welke verdient uw vertrouwen?
DE MEESTE mensen die de bijbel lezen, zelfs zij die dat maar zo nu en dan doen, weten dat het mensengeslacht ongeveer zesduizend jaar oud is. Maar misschien weten zij niet welke bijbelteksten een aanwijzing verschaffen voor deze ouderdom. Het is mogelijk dat u in sommige bijbels de datum 4004 v.Chr. in de kantlijn bij het eerste hoofdstuk van Genesis hebt zien staan.
Weet u of die datum juist is, of hoe men eraan gekomen is? Wat doet u als u in de krant een berichtje leest over een nieuwe radiokoolstoftijdmeting bij een archeologische vindplaats die heeft aangetoond dat daar acht- of negenduizend jaar geleden primitieve mensen hebben gewoond? Vraagt u zich dan of hoe zeker de bijbelse datum voor de schepping van de mens werkelijk is? Of komt de gedachte bij u op dat de evolutionisten misschien per slot van rekening toch nog gelijk zullen krijgen?
Gewetensvolle onderzoekers van de bijbel weten dat de Auteur van dit boek zich exact en nauwgezet aan de tijd houdt. Zij zijn de schriftplaatsen nagegaan die het precieze aantal jaren noemen tussen de ene en de volgende kenmerkende gebeurtenis. Zij weten hoe de oude chronologie van de mensheid, die slechts in de bijbel is bijgehouden, gekoppeld kan worden aan betrouwbare historische chronologie, zodat de gebeurtenissen vanaf de schepping van Adam in 4026 v.G.T. nauwkeurig gedateerd kunnen worden.
Meer dan dat, zij weten dat de bijbel, als een profetisch boek, vaak toekomstige gebeurtenissen heeft verbonden met bepaalde tijdskenmerken, en dat deze gebeurtenissen ook precies in de voorzegde tijd uitkwamen. Velen die thans leven zijn persoonlijk getuige geweest van de vervulling van de profetie over de „tijden der heidenen”, een profetie die zich over een lange tijd tot in deze twintigste eeuw heeft uitgestrekt. Zij zagen hoe in het voorzegde jaar 1914 de Eerste Wereldoorlog uitbrak, waardoor de wereld een periode van benauwdheid werd binnengeleid waarvan ze nooit meer zal herstellen. Zij zien uit naar dit decennium voor de voltooiing van zesduizend jaar menselijke geschiedenis. Vol vertrouwen koesteren zij de verwachting dat de zevende dag van 1000 jaar de millenniumregering van de Vredevorst zal inluiden.
Rijpe christenen zijn door hun studie en ervaring bekend geraakt met de nauwkeurige chronologie van de bijbel. Voor hen is de gedachte ongeloofwaardig dat God zich in de tijd van ’s mensen schepping zou hebben kunnen vergissen, of dat hij zo zorgeloos zou zijn geweest bij het verschaffen en bewaren van dit verslag dat wij heden ten dage niet over deze belangrijke inlichtingen zouden beschikken. Wanneer mensen wetenschappelijke chronologieën naar voren schuiven die de bijbelse chronologie tegenspreken, zeggen zij vol vertrouwen dat de geleerden het bij het verkeerde eind moeten hebben, omdat ’God niet kan liegen’. — Tit. 1:2.
Nu is het echter heel goed mogelijk dat u tot degenen behoort die dit vertrouwen niet delen. U vraagt zich misschien af: Kunnen wij werkelijk vertrouwen stellen in het bijbelse verslag van de schepping van de mens, als dit verslag zo volkomen in strijd lijkt met wat geleerden ontdekken? Als de radiokoolstofdatums voor vroege menselijke nederzettingen juist zijn, moeten de bijbelse datums op de een of andere wijze verkeerd zijn, en hoe weten wij dan waar wij ons in de stroom des tijds bevinden? Ja, wat nog erger is, als de bijbelse tijdtafel niet betrouwbaar is, is het dan mogelijk dat andere dingen in de bijbel ook niet betrouwbaar zijn? Kunnen wij ons dus werkelijk op dit boek verlaten?
Als de dateringen van de radiokoolstofklok er de oorzaak van zijn dat u de bijbelse beloften omtrent een nieuwe ordening niet volledig kunt aanvaarden, nodigen wij u uit de inlichtingen in de voorgaande twee artikelen nauwkeuriger te beschouwen. Aanvaard niet lichtgelovig de mening van geleerden als het laatste woord in aangelegenheden die zo’n uitermate belangrijke invloed uitoefenen op uw toekomst. Denk aan de vele keren dat wetenschappelijke „feiten” waaraan de ene generatie van geleerden vasthield, door een volgende generatie werden verworpen. Kijk naar de radiokoolstoftheorie zelf; hoeveel van haar basisonderstellingen heeft men niet moeten bijschaven om ze in overeenstemming te brengen met recente onderzoekingen? Zonder de (soms zeer twijfelachtige) ondersteuning van monsters die op andere manieren worden gedateerd, zou de radiokoolstofdatering een heel onzekere aangelegenheid zijn geworden. Zou u het verstandig vinden uw vertrouwen in de bijbel te laten varen en in plaats daarvan vertrouwen te stellen in een wetenschappelijke theorie die op zulke losse schroeven staat?
Koolstof-14-datums — Een wankele constructie
De geleerden die deelnamen aan het in 1969 gehouden symposium te Uppsala, keerden naar huis terug met het gevoel dat hun vele problemen duidelijker waren geworden en men wat dichter bij een oplossing was gekomen. Wat hun vooral veel voldoening schonk, was de vergelijkingsmogelijkheid van de radiokoolstofdatering en de jaarring-telling. Hoewel de jaarringchronologie de radiokoolstofdatums tamelijk uit hun verband heeft gerukt, kwamen de voorstanders van beide methoden toch tot een overeenstemming. Zij waren in staat een wederzijds kloppende correctiegrafiek samen te stellen en aannemelijke verklaringen te geven voor de belangrijkste afwijkingsverlopen.
Het is echter heel goed mogelijk dat geen van deze twee wetenschappelijke chronologieën zo onafhankelijk van elkaar zijn als hun ondersteuners wel zouden willen doen geloven. Het is mogelijk dat ze als een cirkelredenatie aan elkaar hangen. Geloven de radiokoolstof-deskundigen dat hun dateringen kloppen omdat de jaarring-laboratoria de juistheid ervan bevestigen? En zijn de jaarringonderzoekers tevreden dat hun moeder-chronologie juist is omdat de radiokoolstofdatums erin passen? Zolang zij zich nog op het kanaal bevinden dat door historische „boeien” wordt afgebakend, varen beide groepen een redelijke koers, maar in de mistige verten daarachter zeilen zij lukraak verder met slechts één opdracht: elkaar in het oog houden.
Opdat u dit geen onbillijke vergelijking zult vinden, willen wij u uitnodigen slechts enkele tegenwinden en -stromen te beschouwen die de radiokoolstof-„loods” op zijn weg ontmoet:
1. De halveringstijd van radiokoolstof is niet zo zeker bekend als de geleerden wel zouden willen.
2. De nooit stabiele kosmische straling kan in de afgelopen 10.000 jaar veel sterker of zwakker zijn geweest dan algemeen wordt aangenomen.
3. Zonnevlammen oefenen invloed uit op de hoeveelheid radiokoolstof; hoe groot die invloed in het verleden is geweest weet niemand.
4. Over een korte tijdsperiode ondergaat het aardmagnetische veld onregelmatige veranderingen; en over een periode van duizenden jaren verandert het zo drastisch dat zelfs de noord- en zuidpool verwisseld worden. Geleerden weten niet waarom.
5. Radiokoolstof-geleerden geven toe dat een „ijstijd” het radiokoolstofgehalte van de lucht zou hebben kunnen beïnvloeden door veranderingen in het volume en de temperatuur van het oceaanwater; zij kunnen echter niet met zekerheid zeggen hoe groot deze veranderingen zijn geweest.
6. Zij veronachtzamen zowel de wetenschappelijke als bijbelse bewijzen dat er drieënveertig eeuwen geleden een wereldomvattende overstroming is geweest; waardoor zij geen rekening houden met de drastische uitwerking die zulk een catastrofe moet hebben gehad op de monsters die zij uit die periode meten.
7. De vermenging van de radiokoolstof in de atmosfeer en in de oceaan kan onder invloed hebben gestaan van klimaats- of weersveranderingen; niemand weet echter in welke mate.
8. Ook de vermenging van de radiokoolstof uit de oppervlaktelagen en de diepere lagen van de oceaan heeft een bepaald effect; hiervan heeft men echter nog een zeer onvolledig begrip.
9. De nauwkeurigheid van de jaarring-telling, gebruikt voor het corrigeren van de radiokoolstofklok, wordt betwijfeld omdat de mogelijkheid bestaat dat er in voorbije tijden geheel andere klimaatsomstandigheden bestonden.
10. Het radiokoolstofgehalte van oude bomen kan veranderd zijn door het binnendringen van sappen en hars in het kernhout.
11. Begraven voorwerpen kunnen radiokoolstof winnen of verliezen ten gevolge van het doorsijpelen van grondwater of door verontreiniging.
12. Het is nooit zeker dat het monster dat men uitkiest om een bepaalde gebeurtenis te dateren ook werkelijk met deze gebeurtenis overeenstemt. Dit is meer of minder waarschijnlijk, afhankelijk van het archeologische bewijsmateriaal ter plaatse.
Dit is in de verste verte geen volledige lijst van alle valkuilen die voor de radiokoolstofdatering opdoemen; ze is echter wel lang genoeg om iemand even te doen nadenken voordat hij zijn bijbel aan de kant gooit. Veel van de opgesomde invloeden zullen weinig effect hebben op de datums uit het recente verleden; maar naarmate wij verder teruggaan in de tijd, zal hun uitwerking steeds groter worden. De methode werkt dus redelijk goed tot 2500 à 3500 jaar terug, maar hoe verder wij in het verleden teruggaan, des te twijfelachtiger de resultaten worden. Wij kunnen eenvoudig niet verwachten dat de radiokoolstofklok vóór de Vloed met dezelfde snelheid liep als nu. En het zou verbazend zijn als hij reeds binnen duizend jaar na een dergelijke catastrofe weer regelmatig zou lopen.
Merk vooral ook het laatstgenoemde punt in bovenstaande lijst op. Zelfs indien al het andere in verband met de radiokoolstofdatering zou kloppen, zou dan bewezen zijn dat de bijbel fout was als men in het prehistorische dorp Jarmo in Irak enkele plekjes houtskool zou opgraven die na meting 6700 jaar oud zouden blijken te zijn? Zou dat niet afhangen van de interpretatie van de archeoloog die de monsters verzamelde? Is hij onfeilbaar? Zelfs als hij u verzekert dat zijn monsters onmiskenbaar, onbetwistbaar en onweerlegbaar echt zijn, kunt u zich afvragen of zijn geloof een gezonde basis is voor uw geloof.
Zie bij het afwegen van al het bewijsmateriaal ook het belangrijkste feit niet over het hoofd, namelijk dat van alle monsters die in verband zijn gebracht met de aanwezigheid van de mens, de overgrote meerderheid, misschien wel meer dan 90 percent, minder dan 6000 jaar oud is gebleken.
Als het evolutionaire idee juist zou zijn dat de mens reeds ongeveer een miljoen jaar op aarde leeft, zouden wij zeker mogen verwachten dat er een veel groter aantal voorwerpen werd ontdekt met een ouderdom van 10.000–20.000 jaar, een periode die nog binnen het bereik van de koolstof-14-methode ligt. Waarom vallen bijna alle monsters precies binnen de afgelopen 6000 jaar? Wij verwachten niet dat een wetenschappelijke meting dezelfde waarde heeft als het verslag van een betrouwbare ooggetuige. Zo’n meting kan slechts een bijkomstig bewijs leveren. Maar statistisch gesproken, doet de radiokoolstofklok door het gewicht van zijn getuigenis de schaal duidelijk doorslaan naar de kant van het scheppingsverslag, en niet naar de evolutionaire hypothese over de oorsprong van de mens.
Zwakke schakels in de jaarringchronologie
Daartegenover staat dat de methode van het tellen van jaarringen veel rechtstreekser schijnt te zijn dan de koolstof-14-metingen. Bij een nadere beschouwing ontdekken wij echter dat er zwakke schakels zijn in de keten van elkaar overlappende patronen. Geen twee bomen hebben precies hetzelfde patroon van dikke en dunne ringen. Aan alle patronen moeten ontbrekende ringen worden toegevoegd om ze aan elkaar te kunnen passen. Moeten wij geloven dat het oordeel van de onderzoeker altijd juist is als het gaat om het invoegen van ontbrekende ringen? Zou het mogelijk zijn dat de overlapping in een ander gedeelte van het jaarringenverslag beter zou passen als de ontbrekende ringen op andere plaatsen waren ingevoegd?
Zoals met alle wetenschappelijke resultaten, is de betrouwbaarheid van de jaarring-datering aan beperkingen onderhevig. Het lijkt erop dat sommige bomen, afgezien van enkele misrekeningen in verband met ontbrekende en dubbele ringen, jaren kunnen tellen, terwijl ze hun telling ook lang nadat ze gestorven zijn bewaren. Maar dode bomen vertellen niet uit zichzelf wanneer ze begonnen en wanneer ze opgehouden zijn met tellen. De man die de ringpatronen aan elkaar past, zal dat moeten beslissen en hij zal zich bij deze beslissing niet kunnen losmaken van zijn eigen meningen en vooroordelen. Zou u bereid zijn uw leven te riskeren enkel wegens de bewering dat hij geen fouten heeft gemaakt?
Zou u bereid zijn het woord van welke vooraanstaande geleerde dan ook te aanvaarden die zegt dat de radiokoolstofdatering met de ondersteuning van de jaarring-telling het nu zeker heeft gemaakt dat er in de tijd van Noach geen vloed is geweest zoals de bijbel die beschrijft? Jezus Christus heeft gezegd dat er zo’n vloed is geweest (Matth. 24:37-39; Luk. 17:26, 27). God zelf heeft het verslag van de Vloed in zijn geïnspireerde Woord laten optekenen. Wiens autoriteit aanvaardt u liever als u een beslissing moet nemen waarbij het gaat om leven of dood?
Superioriteit van de bijbelse chronologie
Vergelijk die wetenschappelijke chronologische systemen eens met dat wat in de bijbel staat: „Sem was honderd jaar oud toen hij twee jaar na de geweldige vloed de vader van Arpachsad werd. . . . En Arpachsad leefde vijfendertig jaar. Toen werd hij de vader van Selah. . . . En Selah leefde dertig jaar. Toen werd hij de vader van Heber” (Gen. 11:10-26). Dit is een chronologie die bijgehouden is door mensen die konden tellen, die geen jaar oversloegen of één jaar voor twee telden, en die over hun telling geschreven berichten konden bijhouden. Ook wij kunnen tellen, en wij kunnen de jaren in hun verslag vanaf de Vloed aanvullen tot onze tijd, een totaal van 4340 jaar. Is dit niet geloofwaardiger dan het tellen en met elkaar combineren van ringen in bomen die reeds lang dood zijn?
De bijbelse chronologie neemt een unieke superieure positie in ten opzichte van de wetenschappelijke chronologieën. Ze strekt zich namelijk zelfs uit tot in de toekomst. De radiokoolstofklok gaat steeds langzamer en langzamer lopen zonder ooit een eindpunt te bereiken. De jaarringchronologie houdt op met het laatste jaar waarin de boom gegroeid heeft. De bijbelse chronologie richt echter onze aandacht op een definitief tijdstip dat nog in de toekomst ligt — het einde van zes dagen van 1000 jaar menselijke geschiedenis, zoals deze geteld zijn door de Schepper van de mens.
Het verslag van reeds door de bijbel voorzegde datums is indrukwekkend. Jehovah’s christelijke getuigen gebruikten bijbelchronologie toen zij het jaar 1914 voorzeiden als de datum waarop er reusachtige veranderingen in de aangelegenheden van de wereld zouden plaatsvinden, die toen ook inderdaad zijn gekomen. Op 30 augustus 1914 stond in de New York World: „Het uitbreken van de verschrikkelijke oorlog in Europa heeft een buitengewone profetie in vervulling doen gaan. De afgelopen vijfentwintig jaar hebben de ’Internationale bijbelonderzoekers’, . . . de wereld via predikers en door middel van de pers bekendgemaakt dat de Dag der Gramschap, waarover in de bijbel wordt geprofeteerd, in 1914 zou aanbreken. ’Ziet uit naar 1914!’ is de roep geweest van de . . . evangelisten.”
Dat jaar 1914 was zo’n duidelijk gekenmerkte datum dat moderne geschiedkundigen hem niet over het hoofd kunnen zien. En het is niet louter een toevallige samenloop van omstandigheden dat vele vooruitziende geleerden dit decennium kenmerken als het tijdvak waarin de wereld geconfronteerd zal worden met chaos en een laatste ramp die veroorzaakt zal worden door een aantal onverbiddelijke catastrofes, die zich reeds nu op fatale wijze aan het ontwikkelen zijn. Welk succes van de radiokoolstofklok kan ook maar vergeleken worden met wat de bijbel op zijn naam heeft staan in verband met het nauwkeurig bepalen van datums?
Dr. Säve-Söderbergh, verbonden aan het Instituut voor Egyptologie van de universiteit van Uppsala, vertelde op het symposium de volgende anekdote:
„Op een symposium over de prehistorie van het Nijldal werd de koolstof-14-datering besproken. Een beroemde Amerikaanse collega van mij, professor Brew, gaf een korte samenvatting van de algemene houding die archeologen tegenover deze methode aannemen; hij zei toen:
’Als een radiokoolstofdatum onze theorieën ondersteunt, zetten wij hem in de hoofdtekst. Als hij ze niet geheel tegenspreekt, zetten wij hem in een voetnoot. En als hij volledig „uit de tijd” is, laten wij hem gewoon weg.’
Er zijn maar weinig archeologen die zich met absolute chronologie hebben beziggehouden die zich nog nooit aan deze methode schuldig hebben gemaakt, terwijl velen nog steeds aarzelend zijn radiokoolstofdatums zonder voorbehoud te accepteren.”18
Wereldse geleerden zijn nog steeds terughoudend om de resultaten van de radiokoolstofdatering te accepteren, terwijl er toch niet meer kwaad zou geschieden dan dat hun geliefkoosde theorieën omvergeworpen zouden worden. Heeft een christen dan niet een nog veel sterkere reden om terughoudend te zijn bij het aanvaarden van een wetenschappelijke chronologie waarvan de basistheorie voortdurend gewijzigd is, en die voor ondersteuning eerst op deze en dan weer op een andere kruk leunt? Waarom zouden zij deze chronologie aanvaarden als de resultaten ervan lijnrecht in tegenspraak zijn met een bijbelse chronologie die in stand is gehouden door nauwgezette kroniekschrijvers, onder goddelijk toezicht stond en duizenden jaren lang de toets van zowel historische als profetische nauwkeurigheid heeft doorstaan? Voorzeker, het is de bijbel die laat zien dat wij in de „laatste dagen” van dit goddeloze samenstel leven en dat Gods nieuwe ordening nabij is — het is de chronologie uit dit boek die ons vertrouwen verdient.
VERWIJSBRONNEN
1. Radiocarbon Dating, door W.F. Libby, 1952, blz. 72.
2. Nobel Symposium 12: Radiocarbon Variations and Absolute Chronology, 1970, blz. 25.
3. E.K. Ralph en H.N. Michael, Archaeometry, Deel 10, 1967, blz. 7.
4. Radiocarbon Dating, blz. 41.
5. Nobel Symposium 12, blz. 522.
6. Radiocarbon Dating, blz. 29.
7. Idem, blz. 32.
8. Nobel Symposium 12, blz. 576.
9. C.W. Ferguson, Science, Deel 159, 23 febr. 1968, blz. 840.
10. Idem, blz. 845.
11. Idem, blz. 842.
12. Idem, blz. 839.
13. Nobel Symposium 12, blz. 272.
14. Idem, blz. 273.
15. Idem, blz. 167.
16. Idem, blz. 216.
17. Idem, blz. 219.
18. Idem, blz. 35.
-