-
Elíab — een Judeeër die niet in aanmerking kwam voor het koningschapDe Wachttoren 1979 | 1 maart
-
-
ontbrandde Elíab in toorn. — 1 Sam. 17:20-28.
Zich tot David richtend, zei Elíab: „Waarom zijt gij hierheen afgekomen? En aan wiens zorg hebt gij die paar schapen daar in de wildernis overgelaten? Ik voor mij ken uw overmoed en de slechtheid van uw hart heel goed, want gij zijt hierheen afgekomen om de strijd te zien” (1 Sam. 17:28). Elíab probeerde niet achter de feiten te komen, maar maakte een voorbarige gevolgtrekking ten aanzien van zijn broer. Hij gaf bedekt te kennen dat David geen zorg had gedragen voor die paar schapen die zo kostbaar voor de familie waren dat het verlies van slechts een dier al een grote slag voor hen zou hebben betekend. Maar niets was minder waar. Om de kudde van zijn vader te verdedigen, had David tevoren zowel een beer als een leeuw gedood (1 Sam. 17:34, 35). Door zich zo bezorgd over schapen uit te laten, legde Elíab een onevenwichtige houding aan de dag. Hij maakte zich druk over een zaak die veel onbelangrijker was in vergelijking met het veel ernstiger strijdpunt dat door Goliath werd opgeworpen. De Filistijn was er werkelijk mee bezig Jehovah, de God van Israël, te honen en David zag dat duidelijk in.
Louter van veronderstellingen uitgaand, ging Elíab nog verder. Hij beschuldigde David ervan dat hij aanmatigend was en op arrogante wijze op eigen initiatief naar het strijdtoneel was gekomen. Hij schreef David ook een verkeerde beweegreden, een slecht hart, toe. De reden die Elíab hiervoor opgaf, was: „Want gij zijt hier heen afgekomen om de strijd te zien.” Dit houdt in dat Elíab de gedachte was toegedaan dat zijn jongste broer van zijn werk was weggelopen om iets opwindends te zien.
Om zichzelf tegen deze valse beschuldigingen te verdedigen antwoordde David: „Wat heb ik nu gedaan? Was het niet slechts een woord?” In feite zei David: ’Waar baseer jij jouw beschuldigingen op? Ik heb toch niets gedaan? Heb ik niet het recht om vragen te stellen ten einde erachter te komen wat er aan de hand is?’ Daarmee was de zaak afgedaan. David stelde een verder onderzoek in en ten slotte behaalde hij de overwinning op Goliath omdat hij een diep geloof in Jehovah bleef tonen. — 1 Sam. 17:29, 36-51.
Hoe krachtig toont het hierboven genoemde voorval aan dat Elíab niet de beste keus voor het koningschap was! Zonder enige werkelijke reden schreef hij snel verkeerde motieven aan zijn broer David toe. Het ontbrak hem aan volledig geloof in Jehovah door niets te doen aan het gehoon van de Filistijn Goliath. Hij zag niet in hoe uitermate belangrijk het was Jehovah’s naam te zuiveren van de smaad die de Filistijn erop wierp en was blijkbaar meer bezorgd om een paar schapen. Een man die zo’n gebrek aan geloof, moed en evenwichtig oordeel aan de dag legde, zou beslist niet Jehovah’s keuze voor het koningschap kunnen zijn. Jehovah, die de harten onderzoekt, had er niet verkeerd aan gedaan David, de jongste zoon van Isaï, in plaats van Isaï’s eerstgeborene te kiezen. — 1 Sam. 13:14.
-
-
Naar geroddel luisterenDe Wachttoren 1979 | 1 maart
-
-
Naar geroddel luisteren
De eerstvolgende keer dat u ertoe verleid wordt het oor te lenen aan roddelpraatjes die iemand u te vertellen heeft, moet u zich te binnen brengen dat iemand die tegenover u graag roddelt over de fouten van een ander, waarschijnlijk tegenover een ander over uw fouten zal roddelen. Hoe waar zijn de woorden van Salomo: „Wie de overtreding bedekt, zoekt liefde, en hij die over een zaak blijft praten, scheidt hen die vertrouwelijk met elkaar omgaan.” — Spr. 17:9.
-