-
Nieuwe-WereldvertalingRedeneren aan de hand van de Schrift
-
-
willen weten wat een van de grote verschillen is tussen de Nieuwe-Wereldvertaling en andere vertalingen. Het betreft de naam van de belangrijkste persoon over wie in de Schrift wordt gesproken. Weet u wie dat is?’ En misschien toevoegen: (1) ’Wist u dat zijn persoonlijke naam zo’n 7000 keer — meer dan elke andere naam — in het oorspronkelijke Hebreeuws van de bijbel voorkomt?’ (2) ’Wat voor verschil maakt het of wij Gods persoonlijke naam wel of niet gebruiken? Wel, heeft u echt goede vrienden van wie u de naam niet weet? . . . Wanneer wij in een persoonlijke verhouding tot God willen staan, is het kennen van zijn naam een belangrijk begin. Merk eens op wat Jezus zei in Johannes 17:3, 6 (Ps. 83:18).’
-
-
NoodlotRedeneren aan de hand van de Schrift
-
-
Noodlot
Definitie: Een onvermijdelijke en dikwijls ongunstige afloop. Het fatalisme, of geloof in het noodlot, houdt in dat alles wat er gebeurt, bepaald wordt door de goddelijke wil of door een kracht die machtiger is dan de mens, dat alles moet gaan zoals het gaat omdat het van tevoren bepaald is. Noch het woord noch de gedachte komt in de bijbel voor.
Is voor iedereen de „tijd om te sterven” voorbestemd?
Dit geloof was onder de Grieken en Romeinen populair. Volgens de heidense Griekse mythologie waren er drie schikgodinnen, die de levensdraad sponnen, de lengte ervan bepaalden en hem doorsneden.
Prediker 3:1, 2 spreekt over „een tijd om te sterven”. Maar uit de vermaning in Prediker 7:17 blijkt dat dit niet een voor ieder afzonderlijk van tevoren bepaald moment is: „Wees niet al te goddeloos, en word niet dwaas. Waarom zoudt gij sterven als het uw tijd niet is?” Spreuken 10:27 zegt: „Het zijn de jaren van de goddelozen die verkort zullen worden.” En Psalm 55:23 zegt verder: „Wat de mannen van bloedschuld en bedrog betreft, zij zullen het niet tot de helft van hun dagen brengen.” Wat wordt er dan met Prediker 3:1, 2 bedoeld? Het is eenvoudig een opmerking over de ononderbroken cyclus van leven en dood in dit onvolmaakte samenstel van dingen. Er is een tijd waarop mensen geboren worden en een tijd waarop zij sterven — gewoonlijk op een leeftijd van niet meer dan 70 of 80 jaar, maar soms eerder en soms later. — Ps. 90:10; zie ook Prediker 9:11.
Als het moment en de wijze van sterven voor iedereen reeds ten tijde van zijn geboorte of eerder vaststond, zou het niet nodig zijn gevaarlijke situaties te vermijden of zou men geen zorg hoeven te dragen voor zijn gezondheid, en zouden veiligheidsmaatregelen niets veranderen aan de sterftecijfers. Maar gelooft u dat een slagveld tijdens de oorlog even veilig is als iemands ver daarvandaan gelegen huis? Waarom sterven rokers gemiddeld drie of vier jaar eerder dan niet-rokers? Waarom zijn er minder ongelukken met dodelijke afloop wanneer autopassagiers een veiligheidsgordel gebruiken en als chauffeurs zich aan de verkeersregels houden? Het is duidelijk dat voorzorgsmaatregelen nut hebben.
Is alles wat er gebeurt „de wil van God”?
2 Petr. 3:9: „Jehovah . . . is geduldig met u, omdat hij niet wenst dat er iemand vernietigd wordt maar wenst dat allen tot berouw geraken.” (Maar niet iedereen reageert gunstig op zijn geduld. Het is duidelijk niet „de wil van God” als sommigen niet tot berouw geraken. Vergelijk Openbaring 9:20, 21.)
Jer. 7:23-26: „Dit woord heb ik hun [Israël] geboden, zeggende: ’Gehoorzaamt mijn stem en ik wil uw God worden en gíj zult mijn volk worden; en gij moet heel de weg bewandelen die ik u gebieden zal, opdat het u goed moge gaan.’ Doch zij luisterden niet . . . ik bleef tot u zenden al mijn knechten de profeten, dagelijks vroeg op zijnde en hen zendende. Doch zij luisterden niet naar mij en zij neigden hun oor niet, maar zij bleven hun nek verharden.” (Klaarblijkelijk waren de slechte dingen die in Israël plaatsvonden, niet „de wil van God”.)
Mark. 3:35: „Al wie de wil van God doet, die is mijn broer en zuster en moeder.” (Als alles wat iedereen deed „de wil van God” was, zou iedereen in de hier door Jezus genoemde goede verhouding tot hem hebben gestaan. Maar tot sommigen zei hij: „Gij zijt uit uw vader de Duivel.” — Joh. 8:44.)
Wat vormt de verklaring voor veel schijnbaar onverklaarbare dingen die er gebeuren?
Pred. 9:11: „Tijd en onvoorziene gebeurtenissen [„toeval”, WV, NBG] treffen hen allen.” (Dus niet doordat
-