Een religie die leidt tot vrede en een goede moraal
UIT een onderzoek van het bewijsmateriaal komt dit wel duidelijk naar voren: De kerken hebben de mensheid, in plaats van op de weg van vrede en een goede moraal, op de weg van oorlog en immoraliteit geleid. De waarheid is dat de kerken de leer van Jezus Christus hebben verlaten. Zij beweren slechts de bijbel te volgen, maar hebben in werkelijkheid de leiding ervan verworpen.
Gaat dit echter voor alle geloven op? Hebben dan alle religies Christus’ leer verlaten? Is er misschien toch niet één onder die aan de hoge beginselen van de bijbel vasthoudt en de mensen tot vrede en een goede moraal leidt? Wat valt er over het vroege christendom te zeggen?
Vroege christenen en vrede
De eerste volgelingen van Jezus Christus waren ijverig in het verbreiden van het christelijke geloof. In ongeveer 60 G.T. schreef de christelijke apostel Paulus dat het „goede nieuws” reeds „in heel de schepping die onder de hemel is” was gepredikt (Kol. 1:23). De christenen hadden zich tegen die tijd over veel landen verspreid.
Wat deden christenen wanneer in een oorlog ’natie tegen natie en koninkrijk tegen koninkrijk’ opstond? (Matth. 24:7). Maakten zij deel uit van de legers van hun eigen vaderland en gingen zij vechten? Doodden zij medechristenen die in andere landen woonden? Hoe bezagen de eerste christenen Jezus’ gebod om ’elkaar lief te hebben’ en ’vredelievend’ te zijn? (Joh. 13:34; Matth. 5:9). Hierover wordt in Hastings’ vermaarde Encyclopædia of Religion and Ethics opgemerkt:
„In de vroege Kerk heerste alom de opvatting dat oorlog een georganiseerde zonde was, waar de Kerk en de volgelingen van Christus niets mee te maken konden hebben.”97
Ook de vooraanstaande kerkhistoricus C.J. Cadoux schreef:
„De vroege christenen hielden vast aan Jezus’ woorden en vatten zijn nadrukkelijke gebod om vriendelijk te zijn en geen weerstand te bieden in letterlijke zin op. Zij brachten hun geloof in nauw verband met vrede; de oorlog veroordeelden zij scherp wegens het bloedvergieten dat ermee gepaard ging; zij brachten de oudtestamentische profetie op zichzelf van toepassing waarin wordt voorzegd dat de oorlogswapens tot landbouwwerktuigen zullen worden omgesmeed [Jes. 2:4]; zij verklaarden dat het hun gedragsregel was om kwaad met goed te vergelden en het kwade te overwinnen door middel van het goede.”98
De eerste christenen hielden Jezus’ leer dus in ere; zij leefden er werkelijk naar en zochten geen „uitvluchten” door te beweren dat Christus het soldaat-zijn niet uitdrukkelijk heeft verboden. De Duitse protestantse theoloog Peter Meinhold schreef:
„Hoewel het Nieuwe Testament zwijgt over de vraag of christenen soldaat mogen zijn of niet en of zij, als zij christenen worden, uit het leger moeten gaan, had de vroege kerk in deze kwestie een duidelijk standpunt. Het christenschap en het soldaat-zijn werd als onverenigbaar beschouwd.”99
Dit is niet slechts de gevolgtrekking van één historicus; het is de algemene opvatting. Geschiedschrijvers menen, zo verklaart een boek over de geschiedenis van de vroege Kerk, dat „dienen in de keizerlijke legers onverenigbaar was met de christelijke overtuiging; . . . het druiste in tegen de uitdrukkelijke geboden van Christus en de gehele geest van het evangelie.”100
Wat was het dus dat de eerste christenen ervan weerhield te vechten en te doden? Het was hun geloof dat stevig op de leer van Gods Woord de bijbel gegrondvest was!
Gedurende meer dan honderd jaar heeft het christendom dit standpunt, om niet aan wereldse oorlogen deel te nemen, gehandhaafd. Professor R.H. Bainton merkte op:
„Vanaf het einde van de nieuwtestamentische periode tot aan de jaren A.D. 170-80 is er geen enkel bewijs dat er ooit christenen in het leger dienden. . . . De eerste keer dat er over christenen in het leger wordt gesproken is in het geval van het zogenaamde Bliksemlegioen onder Marcus Aurelius in het jaar A.D. 173. Vanaf die tijd blijken er steeds meer christenen onder de manschappen aanwezig te zijn.”101
Tegen ongeveer het jaar 313 G.T. had er een grote verandering plaatsgevonden. Een historicus verklaart: „De Kerk was met het keizerrijk verbonden en kon haar protest tegen de oorlog niet langer volhouden. Men kon hoe langer hoe meer christenen in het leger vinden.”102 Tegen die tijd had men de leer van Jezus verlaten. De afval was begonnen.
Vroege christenen en de moraal
Vóór deze afval brachten Jezus’ volgelingen elk aspect van hun leven in overeenstemming met de bijbelse leer. Bewogen door liefde voor Christus en geloof in zijn woord deden de eerste christenen hoererij, overspel, homoseksualiteit, liegen, stelen en elke vorm van oneerlijkheid uit hun leven weg. De geschiedschrijver J. Lord zegt:
„De ware triomf van het christendom bleek uit het feit dat het goede mensen maakte van hen die de christelijke leer beleden . . . Wij bezitten het getuigenis over hun smetteloze leven, hun onberispelijke moraal, hun goede burgerschap en hun christelijke deugden.”103
In de eerste en tweede eeuw leidde het christendom inderdaad tot vrede en een goede moraal. Doch hoe staat het er thans mee? Betekent het feit dat de kerken Christus’ leer hebben verlaten, dat er geen religie meer bestaat die met zijn leer overeenkomt?
Jehovah’s getuigen — hedendaagse ware christenen?
De Encyclopedia Canadiana merkt op: „Het werk van Jehovah’s getuigen is de herleving en het herstel van het primitieve christendom dat tijdens de eerste en tweede eeuw van onze tijdrekening door Jezus en zijn discipelen werd beoefend. . . . Zij zijn allen broeders.”104
Is dit werkelijk waar? Hebben Jehovah’s getuigen, toen de natiën in de Tweede Wereldoorlog betrokken raakten, Christus’ leer om ’elkaar lief te hebben’ en ’vredelievend’ te zijn, gehoorzaamd?
In elk land waar zij woonden wensten Jehovah’s getuigen Christus’ leer geen geweld aan te doen. „Jehovah’s getuigen bewaren in oorlogstijd een strikte neutraliteit”, werd in de Australian Encyclopædia opgemerkt. „Dit leidde in januari 1941 in Australië tot het verbieden van de organisatie.”105 Ook in andere landen werden dergelijke verbodsbepalingen uitgevaardigd. Zelfs in de Verenigde Staten werden duizenden Getuigen naar de gevangenis gestuurd omdat zij weigerden de oorlogswapens op te nemen. Aangezien Jehovah’s getuigen dit standpunt persoonlijk innemen, bemoeien zij zich niet met de aangelegenheden van de regering waaronder zij leven. Zij zeggen anderen niet wat zij in zulke gewetenskwesties wel of niet moeten doen. Een ieder dient zijn eigen beslissing te nemen. — Gal. 6:5.
In Duitsland vervolgde Hitler Jehovah’s getuigen en wierp hen in concentratiekampen. In een onlangs verschenen boek, grotendeels gebaseerd op niet eerder gepubliceerde Neurenbergse documenten, wordt verklaard waarom:
„Zij weigerden de Duitse groet [Hitlergroet] te brengen, welke nationaal-socialistische of staatsfunctie maar ook te bekleden en militaire dienst te verrichten.”
„Daar zij hun zienswijze op het bijbelse gebod grondvestten, weigerden zij zelfs tegen de vijanden van de natie de wapens op te nemen. . . . Het was geen verrassing toen in augustus 1938 een speciale wet werd aangenomen waarin werd bepaald dat weigering of aansporing tot weigering om in de gewapende macht te dienen, met de dood zou worden gestraft.”106
Toen de Tweede Wereldoorlog begon, werden de Getuigen in de Duitse concentratiekampen uitgenodigd vrijwillig in militaire dienst te gaan. Een schrijver die zelf tijdens de oorlog in het kamp Buchenwald zat, geeft het volgende verslag:
„In Buchenwald werd op 6 september 1939 de volgende oproep tot de Getuigen gedaan. De eerste dienstdoende officier Rödl zei tot hen: ’U weet dat er oorlog is uitgebroken en dat de Duitse natie in gevaar verkeert. Er treden nieuwe wetten in werking. Indien iemand van u weigert tegen Frankrijk of Engeland te strijden, moet u allen sterven!’ Twee compagnieën van de SS stonden in volle uitrusting bij het poortgebouw opgesteld. Geen enkele Jehovah’s Getuige reageerde op de oproep van de officier om voor Duitsland te vechten.”107
Ofschoon de Duitse officier bij deze gelegenheid zijn bedreiging niet volvoerde werden bij andere gelegenheden zulke bedreigingen wel ten uitvoer gebracht. Duizenden Getuigen in Duitsland zijn tot de dood getrouw gebleven aan Christus’ leer, net als de vroege christenen. J.S. Conway merkt dit op en geeft ook aan welk een schril contrast er tussen Jehovah’s getuigen en de kerken bestond:
„Niet minder dan een derde van de gehele aanhang zou zijn leven verliezen als gevolg van de weigering om zich te onderwerpen of te schipperen. In tegenstelling tot de meegaandheid van de grotere kerken, hielden de Jehovah’s Getuigen tot aan het fanatieke toe aan hun leerstellige tegenstand vast. Zulk een tegenstand was maar al te zeldzaam.
Geen enkele andere sekte vertoonde tegenover de volle kracht van het Gestapo-terrorisme een dergelijke vastbeslotenheid. Veel van de kleinere groepen trachtten, zich van hun onmacht bewust, in werkelijkheid hun onafhankelijkheid te kopen door op warme wijze hun steun te betuigen aan de politieke aanspraken van het nieuwe Duitsland.”108
Zelfs kerkleiders hebben erkend dat het Jehovah’s getuigen zijn die aan Christus’ leer vasthouden. Martin Niemöller, een vooraanstaand protestants leider in Duitsland voor en na de Tweede Wereldoorlog, schreef:
„Eerlijkheidshalve dient te worden opgemerkt dat de christelijke kerken alle eeuwen door er steeds in hebben toegestemd oorlogen, troepen en wapens te zegenen en dat zij op zeer onchristelijke wijze om de vernietiging van hun vijand hebben gebeden.
Dit alles is de fout van ons en onze vaders, maar beslist niet van God. En dan te bedenken dat wij hedendaagse christenen beschaamd gemaakt worden door de zogenaamde sekte van de ernstige bijbelonderzoekers [Jehovah’s getuigen, die bij honderden en duizenden de concentratiekampen zijn ingegaan en zijn gestorven omdat zij weigerden in de oorlog te dienen en niet op menselijke wezens wilden schieten.”109
Behalve dat Jehovah’s getuigen zich vasthouden aan Christus’ leer over liefde en vredelievendheid, vallen zij ook op door hun voorbeeldige morele gedrag. In de Zuidafrikaanse publikatie Personality werd bijvoorbeeld opgemerkt: „Jehovah’s Getuigen lijken wel met goede eigenschappen vervuld te zijn en bijna geen kwade te bezitten.”110 Ook een Zweeds kerkblad prees hen in verband met hun „hoge morele maatstaf”.111 Dit is wel heel anders dan in de kerken, waar immoraliteit steeds meer om zich heengrijpt!
Het voortreffelijke morele gedrag dat men bij Jehovah’s getuigen opmerkt, is het gevolg van hun getrouwe vasthouden aan de bijbelse leer. Zij vergoelijken geen enkele vorm van immoraliteit of keuren die goed, zoals de kerken van tegenwoordig doen. In plaats daarvan sluiten zij iedereen onder hen die in een verkeerde handelwijze blijft volharden buiten hun gemeenschap, evenals de vroege christelijke gemeente dit deed. — 1 Kor. 5:11-13.
Zou u graag willen omgaan met mensen die werkelijk overeenkomstig de leer van Gods Woord leven? Dat er thans een organisatie van zulke mensen zou bestaan, is in de bijbel voorzegd. Er staat dat in ’het laatst der dagen . . . vele volken stellig zullen heengaan en zeggen: „Komt, en laten wij opgaan naar de berg van Jehovah, naar het huis van de God van Jakob; en hij zal ons onderrichten omtrent zijn wegen, en wij zullen stellig zijn paden bewandelen.”’ Betreffende deze volken zegt de profetie vervolgens: „En zij zullen hun zwaarden tot ploegscharen moeten slaan en hun speren tot snoeimessen. . . . en zij zullen de oorlog niet meer leren.” — Jes. 2:2-4.
Wie zijn de volken die dit thans doen? De kerken der christenheid beslist niet en ook niet de religies buiten de christenheid. Het zijn Jehovah’s getuigen! Zij volgen het voorbeeld van de eerste christenen na. Hun religie is stevig op Gods Woord de bijbel gegrondvest en dit leidt hen waarlijk tot vrede en een goede moraal. De wereldreligie doet Gods wil echter niet. Ze leidt niet tot vrede en een goede moraal. Wat zal er daarom met haar gebeuren?
[Illustratie op blz. 23]
Net als de eerste christenen, hebben Jehovah’s getuigen werkelijk ’hun zwaarden tot ploegscharen omgesmeed’