-
De oorsprong van het christendom en de Dode-ZeerollenDe Wachttoren 1959 | 1 november
-
-
Johannes de Doper heeft de doop niet van de Essenen overgenomen. Hijzelf vertelt ons dat het God was die hem machtigde anderen te dopen (Joh. 1:33). Jezus bracht een nieuwe boodschap, die in de bijbel met nieuwe wijn — welke geheel van de „oude wijn” van het joodse sektarisme, hetzij van de Farizeeën of van de Essenen, verschilt — wordt vergeleken. Hij was verstandig genoeg om niet te trachten deze „nieuwe wijn” in de uitgedroogde oude wijnzakken van sektarische organisaties en werkwijzen te doen. Deze „wijn” had hij, zoals hij zelf zei, van zijn Vader ontvangen: „Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, de Zoon kan niets doen van Zichzelf, of Hij moet het den Vader zien doen.” Wij aanvaarden dit getuigenis als waarachtig. Wij kunnen er dus van verzekerd zijn dat het christendom, ondanks alle menselijke theorieën, zijn oorsprong bij God vond en niets met de Dode-Zeerollen en hun sekte had uit te staan. — Luk. 5:37-39; Joh. 5:19.
In schrille tegenstelling tot de rollen die de filosofie der Essenen bevatten, behelzen de in zulk een grote getale in de omgeving van de Dode Zee gevonden bijbelmanuscripten Gods Woord en bevestigen ze op een verbazingwekkende wijze dat het onveranderd is gebleven, want „het woord des Heren blijft in der eeuwigheid”. — 1 Petr. 1:25.
-
-
Vragen van lezersDe Wachttoren 1959 | 1 november
-
-
Vragen van lezers
● Wat bedoelde Jezus toen hij volgens Johannes 3:13 zei: „En niemand is opgevaren naar den hemel, dan die uit den hemel nedergedaald is, de Zoon des mensen”? Verwijst hij, daar hij ten tijde dat hij deze woorden sprak nog op aarde vertoefde, naar voorvallen in zijn voormenselijke bestaan waarin hij als het Woord van God misschien als Jehovah’s geestelijke boodschapper verschenen kan zijn en toen weer is opgestegen? — F.B., Verenigde Staten.
Neen, de schriftuurplaats in Johannes 3:13 verwijst niet naar zijn voormenselijke activiteit als het Woord van God. Wij moeten het verband waarin deze uitspraak staat, in aanmerking nemen. Ten tijde dat Jezus deze woorden sprak, was hij van de hemel neergedaald, als een mens geboren, maar nog niet opgestegen, hetgeen pas veertig dagen nadat hij uit de dood was opgewekt, geschiedde.
Gelieve op te merken dat Johannes 3:13 met het voegwoord „en” begint, waardoor deze verklaring met de voorgaande wordt verbonden. Jezus spreekt hier tot Nicodemus, een overste der joden die hem ’s nachts kwam opzoeken, en hij had juist de vereisten voor het binnengaan in het koninkrijk Gods besproken. Hoewel Nicodemus een leraar van het volk was, vond hij het moeilijk te begrijpen hoe iemand wedergeboren moest worden om het hemelse koninkrijk binnen te gaan. Jezus antwoordde hem daarom: „Gíj zijt de leraar van Israël, en deze dingen verstaat gij niet? Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: wij spreken van wat wij weten en wij getuigen van wat wij gezien hebben, en gij neemt ons getuigenis niet aan. Indien Ik ulieden van het aardse gesproken heb, zonder dat gij gelooft, hoe zult gij geloven, wanneer Ik van het hemelse spreek? En niemand is opgevaren naar den hemel, dan die uit den hemel nedergedaald is, de Zoon des mensen” (Joh. 3:13). Met andere woorden, Jezus vertelde Nicodemus dat hij, wiens verblijfplaats vanaf het begin der schepping bij zijn Vader in de hemel was geweest, uit de hemel was neergedaald en in de positie verkeerde om hem over hemelse aangelegenheden in te lichten; indien Nicodemus zijn onderwijzingen echter niet wilde aannemen, dan was er voor hem geen andere manier waarop hij de door hem verlangde kennis zou kunnen verkrijgen, want er was nog nooit iemand wanneer dan ook naar de hemel opgestegen om zulk een kennis te verkrijgen waarna hij ermee naar beneden was gekomen. Jezus sprak hier niet over enige vroegere hemelvaart van zijn zijde.
De Statenvertaling voegt aan het einde van het vers de woorden „Die in den hemel is”, toe. Toen Jezus deze uitspraak deed, was hij echter niet in de hemel; hij was op aarde met Nicodemus in een gesprek gewikkeld. In overeenstemming hiermee zet Ferrar Fenton in een voetnoot van zijn vertaling uiteen dat deze woorden „door de beste en oudste autoriteiten worden weggelaten”. Om deze reden worden ze uit zulke vertalingen als de Leidsche Vertaling, de Vertaling van Obbink en Brouwer, de Nieuwe Vertaling van het Nederlandsch Bijbelgenootschap en de vertaling van Van Tichelen weggelaten.
● In het artikel „Het avondmaal des Heren” in De Wachttoren van 1 februari 1951 wordt op bladzijde 37 paragraaf 15 verklaard: „Wat de vieringen van de eerste vier Gedachtenisfeesten betreft (33-36 n. Chr.), zij die er aan deel hadden, waren Joden, proselieten en besneden Samaritanen.” Wie
-