Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • De bijbelse Jeruzalems identificeren
    De Wachttoren 1977 | 15 juni
    • recht op het Messiaanse koningschap dat op grond van het verbond dat Jehovah met David had gesloten, aan de koninklijke geslachtslijn van David toebehoorde. Dat verbond gaf koning David de verzekering dat zijn koninklijke dynastie eeuwig zou voortduren, hetgeen in feite de reden vormde waarom Jezus Davids rechtstreekse nakomeling moest zijn. Met het vertreden van dit recht op het Messiaanse koningschap werd in 607 v.G.T. begonnen, toen het aardse Jeruzalem werd omvergeworpen en zijn koning, Zedekia, werd afgezet. Tot wanneer duurde dit vertreden door de natiën? Totdat hij kwam die er recht op had, Jezus Christus. De vervulling van profetieën als Openbaring 11:15 tot 12:10 toont aan dat Christus in 1914 in de hemel van dit recht gebruik begon te maken. In die tijd gebood Jehovah hem te midden van zijn vijanden te gaan onderwerpen. — Ps. 2:7, 8; 110:1, 2.

      Het voorgaande is beslist verlichtend. Wij zien dat Jeruzalem de naam was van de letterlijke stad zelf en dat het soms een afbeelding vormde van de natie Israël of van het twee-stammenkoninkrijk Juda. Het symboliseert ook de ontrouwe christenheid, evenals het Jeruzalem uit de oudheid ontrouw werd. Verder wordt de naam van toepassing gebracht op Jehovah’s universele organisatie en af en toe op de „bruid” van Christus als het Nieuwe Jeruzalem, terwijl „Jeruzalem” ook betrekking kan hebben op het recht op het Messiaanse koningschap.

      Laten wij in gedachten houden dat het voorgaande niet alleen interessant, maar ook van het grootste belang voor ons is. Jehovah heeft ervoor gezorgd dat zijn profetieën met betrekking tot het herstel van Jeruzalem, die van toepassing waren op de joden die in 537 v.G.T. naar hun eigen land terugkeerden, een grotere en grootsere vervulling hebben in het herstel van degenen die in deze tijd „het hemelse Jeruzalem” vertegenwoordigen, namelijk het overblijfsel van het lichaam van Christus dat zich nog op aarde bevindt. Dezen verheugen zich thans samen met hun metgezellen, de „grote schare” „andere schapen” in een geestelijk paradijs. Alle oprechte aanbidders van de Schepper, Jehovah God, hebben het voorrecht en de plicht om zich met het „overblijfsel”, waardoor het ’Jeruzalem dat boven is’ wordt vertegenwoordigd, aan te sluiten en met hen samen te werken ten einde heilige dienst voor God te verrichten. — Joh. 10:16; Openb. 7:9, 15.

  • ’Het feest met ongezuurde broden vieren’
    De Wachttoren 1977 | 15 juni
    • ’Het feest met ongezuurde broden vieren’

      ■ De Heilige Schrift beklemtoont de noodzaak de reinheid van de christelijke gemeente te bewaren. Verontreinigende invloeden moeten eruit verwijderd worden. In zijn eerste brief aan de Korinthiërs gaf de apostel Paulus de raad: „Doet het oude zuurdeeg weg, opdat gij een nieuw deeg moogt zijn, zoals gij ongezuurd zijt. Ja, want Christus, ons pascha, is geslacht. Laten wij het feest daarom niet met oud zuurdeeg vieren, noch met zuurdeeg van slechtheid en goddeloosheid, maar met ongezuurde broden van oprechtheid en waarheid.” — 1 Kor. 5:7, 8.

      Onder de Mozaïsche wet werd het Pascha-offer jaarlijks gebracht, hetgeen werd gevolgd door het zeven dagen durende feest der ongezuurde broden. Jezus Christus heeft zich echter eens voor altijd opgeofferd (Hebr. 9:25-28). Daarom moet de hele levensloop van een christen als een voortdurend feest van ongezuurde broden zijn, vrij van alle slechtheid en goddeloosheid. Binnen de christelijke gemeente moet de bereidheid bestaan de persoonlijke en gemeentelijke zuiverheid in stand te houden en alles te verwijderen wat het geloof en morele gedrag verontreinigt.

Nederlandse publicaties (1950-2026)
Afmelden
Inloggen
  • Nederlands
  • Delen
  • Instellingen
  • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
  • Gebruiksvoorwaarden
  • Privacybeleid
  • Privacyinstellingen
  • JW.ORG
  • Inloggen
Delen