Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • Waarom de geest van murmureren te vermijden
    De Wachttoren 1979 | 15 april
    • andere wat geschapen is, verhoogt (Fil. 2:9-11). Toen hij op aarde was, kon hij de zwakheden en problemen van de gevallen mens begrijpen. Nu, in zijn verhoogde positie, kan Jezus „medegevoel . . . hebben met onze zwakheden” en ons te hulp komen (Hebr. 2:18; 4:15). Ook wij kunnen van veel zegeningen verzekerd zijn wanneer wij liefdevolle bezorgdheid voor anderen aan de dag blijven leggen en niet over hen klagen.

      Welke conclusie moeten wij derhalve trekken? Dat een murmurerende en klagende geest ontevredenheid tot gevolg heeft. Dit kan zelfs tot opstand tegen God leiden. Wilt u dat dit met u gebeurt? Of verlangt u ernaar een leven te leiden dat rijk is en voldoening schenkt, in de wetenschap dat u de zegen en goedkeuring van de hemelse Schepper heeft? U wilt beslist graag zijn gunst genieten. „Blijft [daarom] alle dingen zonder gemurmureer en tegenspraak doen, opdat gij onberispelijk en onschuldig moogt worden, kinderen van God, zonder smet te midden van een krom en verdraaid geslacht, onder wie gij schijnt als lichtgevers in de wereld.” — Fil. 2:14, 15.

  • Een goedgekeurde positie voor het aangezicht van Jehovah
    De Wachttoren 1979 | 15 april
    • Een goedgekeurde positie voor het aangezicht van Jehovah

      Dat iemand eens Gods gunst heeft ontvangen, garandeert op zichzelf nog niet dat hij een goedgekeurde dienstknecht van Jehovah zal blijven. De Israëlieten zijn bijvoorbeeld uit gevangenschap in Egypte bevrijd en in het land Kanaän gebracht. Niettemin gaf het feit dat zij Gods uitverkoren volk waren geworden, hun niet de zekerheid dat er geen verandering in hun verhouding tot de Allerhoogste zou kunnen komen. Toen zij zich tot afgoderij wendden en Jehovah’s wet ook anderszins veronachtzaamden, had de omstandigheid dat Jehovah hen ter wille van hun getrouwe voorvaders had uitgekozen, geen enkele betekenis meer. Via zijn profeet Amos verklaarde de Almachtige: „’Zijt gij mij niet als de zonen der Kuschieten, o zonen van Israël?’ is de uitspraak van Jehovah. ’Heb ik niet Israël zelf opgevoerd uit het land Egypte, en de Filistijnen uit Kreta, en Syrië uit Kir?’” — Amos 9:7.

      De Israëlieten gingen er misschien prat op dat zij door God waren uitgekozen. Maar wegens hun ontrouw was hun positie voor het aangezicht van Jehovah niet beter dan die van de Kuschieten. Hun besnijdenis had in werkelijkheid geen enkele waarde. Eeuwen later beklemtoonde de apostel Paulus hetzelfde punt door te zeggen: „De besnijdenis heeft in feite alleen nut indien gij de wet beoefent; maar indien gij een overtreder van de wet zijt, is uw besnijdenis onbesnedenheid geworden.” — Rom. 2:25.

      Op overeenkomstige wijze gaf het feit dat Israël uit Egypte was geleid, hun op zichzelf genomen nog niet de verzekering dat zij een goede positie voor het aangezicht van Jehovah God zouden blijven innemen. In het geval van de ontrouwe Israëlieten vormde de wonderbare bevrijding van hun voorvaders uit Egypte evenmin een waarborg van blijvende goddelijke gunst als het feit dat de Filistijnen en Syriërs in gebieden woonden die verschilden van hun vroegere woonplaatsen.

      Hierdoor wordt krachtig beklemtoond dat een goedgekeurde positie voor het aangezicht van God niet afhankelijk is van de natie, stam of familie waartoe men behoort. Wanneer men alleen maar belijdt een dienstknecht van de Allerhoogste te zijn, heeft dit weinig te betekenen. Men moet iemand zijn die de wil van Jehovah God doet.

Nederlandse publicaties (1950-2027)
Afmelden
Inloggen
  • Nederlands
  • Delen
  • Instellingen
  • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
  • Gebruiksvoorwaarden
  • Privacybeleid
  • Privacyinstellingen
  • JW.ORG
  • Inloggen
Delen