-
Bedekt Gods barmhartigheid al uw zonden?De Wachttoren 1974 | 1 december
-
-
God geen hoedanigheid is die alleen op de voorgrond treedt wanneer mensen in feite voor hem „terechtstaan” omdat zij de een of andere overtreding hebben begaan. Barmhartigheid is veeleer een kenmerkende hoedanigheid van Gods persoonlijkheid, de normale wijze waarop hij reageert wanneer personen in nood verkeren, een facet van zijn liefde. — 2 Kor. 1:3; 1 Joh. 4:8.
14. Hoe wordt de betekenis van het woord door Jezus’ daden van barmhartigheid belicht?
14 Hetzelfde kan van Jezus gezegd worden. Hij beperkte zijn daden van barmhartigheid niet tot degenen die hem tegenstonden of beledigden. De blinden, de door demonen bezetenen, de melaatsen en degenen wier kinderen aan een ernstige ziekte leden, behoorden allen tot degenen die zijn barmhartigheid en medelijden opwekten (Matth. 9:27; 15:22; 17:15; Mark. 5:18, 19; Luk. 17:12, 13). In antwoord op het dringende verzoek: „Wees ons barmhartig”, verrichtte Jezus wonderen waardoor hij zulke personen verlichting schonk. Hij deed dit niet op een sleurse, onverschillige manier, maar omdat hij „door medelijden bewogen” was. — Matth. 20:33, 34.
15. Hoe vergelijkt Johannes Gods liefde met die van ons?
15 Verleent dit niet nog meer betekenis aan de woorden van Jezus’ halfbroer Jakobus, die waarschuwde: „Want wie geen barmhartigheid beoefent, zal zijn oordeel hebben zonder barmhartigheid”? (Jak. 2:13) Gods barmhartigheid jegens ons is zo enorm groot, dat wij verplicht zijn onze medemensen met barmhartigheid te bejegenen, ook al is onze tentoonspreiding ervan misschien betrekkelijk klein. Johannes zei: „Geliefden, laten wij elkaar blijven liefhebben, want de liefde komt van God, en een ieder die liefheeft, is uit God geboren en verwerft de kennis van God. Wie niet liefheeft, heeft God niet leren kennen, want God is liefde. Hierdoor werd de liefde Gods in ons geval openbaar gemaakt, dat God zijn eniggeboren Zoon naar de wereld heeft uitgezonden, opdat wij door bemiddeling van hem leven zouden verwerven. De liefde bestaat in dit opzicht niet hierin dat wij God hebben liefgehad, maar dat hij ons heeft liefgehad en zijn Zoon heeft uitgezonden als zoenoffer voor onze zonden. Geliefden, als God ons zó heeft liefgehad, zijn ook wij verplicht elkaar lief te hebben.” — 1 Joh. 4:7-11.
HOE VER GODS LIEFDE ZICH UITSTREKT
16. Hoe laat Gods barmhartigheid jegens ons zich vergelijken met barmhartigheid die wij zouden kunnen oefenen, en hoe illustreerde Jezus dit in Matthéüs 18:23-25?
16 Dit kan soms moeilijk lijken, en de overtredingen of schijnbare tekortkomingen van onze christelijke broeders en zusters kunnen van dien aard zijn dat wij geneigd zijn dit vereiste om liefde te tonen en barmhartigheid te oefenen te negeren, terwijl wij bij onszelf beredeneren dat Jezus beslist niet bedoeld kan hebben dat wij zulke „extreme” fouten van anderen over het hoofd zouden zien. Paulus verheerlijkte Gods liefde echter boven elke liefde die wij ten toon zouden kunnen spreiden toen hij zei: „God beveelt zijn eigen liefde jegens ons hierin aan, dat Christus voor ons is gestorven terwijl wij nog zondaars waren” (Rom. 5:8). Hoeveel groter zijn de zonden die God ons vergeven heeft dan welke eventuele zonden van onze christelijke broeders maar ook die wij moeten vergeven! En onze behoefte aan Gods barmhartigheid om in een weg van loskoping te voorzien, kan niet los gezien worden van de behoeften van onze broeders en zusters waarin wij kunnen voorzien. Wekt het dan nog verbazing dat Gods barmhartigheid zich onmogelijk kan uitstrekken tot degenen wie het aan barmhartigheid ontbreekt? — Kol. 3:13; vergelijk Matthéüs 18:23-35.
17. Hoe zouden wij, ook al hebben wij ons aan God opgedragen, toch onder het oordeel kunnen komen, maar welke geruststelling geeft Jakobus?
17 Wij dienen derhalve heel ernstig aandacht te schenken aan de vraag: Bedekt Gods barmhartigheid al mijn zonden? Indien ik mij aan Jehovah God heb opgedragen en deze opdracht door de waterdoop heb gesymboliseerd, waarbij ik God een verzoek om een goed geweten heb gedaan, zou ik dan toch nog onder het oordeel van God kunnen komen omdat ik in gebreke ben gebleven barmhartigheid en liefde jegens anderen ten toon te spreiden? (1 Kor. 13:1-3) Jakobus waarschuwde, zoals reeds is aangehaald: „Want wie geen barmhartigheid beoefent, zal zijn oordeel hebben zonder barmhartigheid.” Jakobus uitte onmiddellijk na deze vermaning echter de vertroostende geruststelling: „Barmhartigheid juicht in triomf over oordeel” (Jak. 2:13). Hoe dan wel? En in welk opzicht zou dit ons in het oordeel kunnen brengen, mochten wij nu reeds, vóór de Oordeelsdag, in gebreke blijven barmhartigheid te oefenen?
18. Welk voorbeeld van barmhartigheid zou beschouwd kunnen worden, welk model van barmhartigheid wordt hierbij gevolgd en in welke opzichten?
18 Een in het oog springend voorbeeld van barmhartigheid die in de volle mate van de betekenis van het woord werd uitgeoefend, is dat wat door Jozef, Jakobs geliefde zoon, werd ten toon gespreid. Jozef volgde echter in de barmhartigheid die hij ten toon spreidde het voorbeeld dat Jehovah God zelf in diezelfde periode ten toon spreidde. Of Jozef zich in het begin volledig bewust was van de barmhartigheid die God jegens hem en het huisgezin van zijn vader uitoefende, zegt het bijbelbericht niet. Jozef vertrouwde echter volledig op Jehovah’s bevrijding en wankelde nooit in zijn vastberadenheid om Jehovah’s leiding te volgen en zich strikt te houden aan Jehovah’s rechtvaardige vereisten die hij van zijn vader Jakob had geleerd. En als Jozef in grote nood verkeerde, kwam Jehovah’s barmhartigheid die ten behoeve van hem tot uitdrukking werd gebracht, hem altijd te hulp, terwijl ze hem na verloop van tijd in de op een na hoogste positie in de wereld van zijn tijd deed belanden, een positie waarin hij zo’n macht bezat dat hij, indien hij dit wilde, zich ongestraft op iedereen kon wreken die hem mishandeld had. Hij kon zijn positie daarentegen ook gebruiken om een grote zegen voor hen te worden. Wij zullen het aan het volgende artikel overlaten ons aan te tonen hoe Jozef barmhartigheid oefende, niet alleen jegens degenen die zich aan onrecht schuldig hadden gemaakt maar ook in de vorm van teder mededogen en empathie jegens degenen die in nood verkeerden, en hoe dit waar gebeurde verhaal ons kan laten zien hoe „barmhartigheid juicht in triomf over oordeel”. Alvorens deze bladzijden te beschouwen, zal het bijzonder interessant en leerzaam blijken te zijn de hoofdstukken 37 tot en met 47 van Genesis zorgvuldig te lezen.
-
-
Hoe barmhartig bent u?De Wachttoren 1974 | 1 december
-
-
Hoe barmhartig bent u?
1. Waarom is er voor dit huidige geslacht geen excuus voor het wijdverbreide gebrek aan barmhartigheid?
IN DEZE tijd van onverdraagzaamheid en eigenbelang vormt iemand die barmhartig handelt, een verkwikkende zegen. Er wordt over de ware God gezegd: „Jehovah is goedgunstig en barmhartig, langzaam tot toorn en groot in liefderijke goedheid. Jehovah is goed jegens allen, en zijn barmhartigheden zijn over al zijn werken” (Ps. 145:8, 9). En Jezus vermaande ons: „Blijft barmhartig worden, zoals uw Vader barmhartig is” (Luk. 6:36). Wat vormen de onverdraaglijke toestanden die voortvloeien uit de talloze gevallen van achterdocht, wedijver en vijandschap tussen bevolkingsgroepen en natiën dan een aanklacht tegen dit huidige geslacht!
2. Tot wie alleen strekt Gods barmhartigheid zich uit, en waarom?
2 In Spreuken 28:27 staat: „Hij die aan de onbemiddelde geeft, zal geen gebrek hebben, maar hij die zijn ogen verbergt, zal vele vervloekingen krijgen.” Hieruit blijkt duidelijk dat Gods barmhartigheid zich niet zal uitstrekken tot degenen die ’hun ogen verbergen’. God is niet sentimenteel. Zijn uitingen van barmhartigheid zijn altijd in harmonie met zijn andere hoedanigheden en rechtvaardige maatstaven, met inbegrip van zijn gerechtigheid en heiligheid (Hos. 2:19). Iedereen die misbruik maakt van Gods barmhartigheid, in de veronderstelling verkerend dat God zijn barmhartigheid jegens hem zal blijven aanwenden, ongeacht wat hij ook doet, zal onvermijdelijk bitter teleurgesteld worden. Iemand die er door zijn daden en levenswandel moedwillig blijk van geeft geen respect te hebben voor Gods rechtvaardige wegen, beledigt God, en de ware God zal terecht ’zijn barmhartigheden in toorn toesluiten’. — Ps. 77:9; Rom. 2:4-11.
3. Welke vragen zouden ons kunnen helpen te bepalen hoe het met onze eigen barmhartigheid gesteld is?
3 Jezus’ halfbroer Jakobus uitte een krachtige waarschuwing en tegelijkertijd een geruststelling toen hij schreef: „Want wie geen barmhartigheid beoefent, zal zijn oordeel hebben zonder barmhartigheid. Barmhartigheid juicht in triomf over oordeel” (Jak. 2:13). Hoe barmhartig bent u? Is het voor u gemakkelijk overtredingen over het hoofd te zien die misschien tegen u zijn begaan, of vindt u het moeilijk zulke dingen uit uw geest te zetten? Bent u zich actief bewust van de noden van degenen om u heen, of moeten deze dingen u voortdurend onder de aandacht gebracht worden? Bent u geneigd achterdochtig te zijn met betrekking tot de beweegredenen van anderen, of kunt u oprechtheid en het ontbreken van boos opzet erkennen en aanvaarden? Bent u geneigd liever om te gaan met mensen die belangrijk of in een bepaald opzicht begaafd zijn, of kunt u werkelijk behagen scheppen in strikt geestelijke hoedanigheden? Indien u zou moeten afwegen hoe uw houding op het gebied van deze vragen is, zou dan blijken dat het u aan barmhartigheid ontbreekt? Het resultaat is van levensbelang aangezien, of wij er nu wel of niet persoonlijk bij zijn betrokken, Jehovah’s oordeel ten aanzien van ons persoonlijk zal worden aangewend, zoals hij door bemiddeling van Jakobus te kennen heeft gegeven, en alleen jegens personen die barmhartigheid beoefenen zal barmhartigheid worden getoond wanneer zij geoordeeld worden.
4. Hoe zou een barmhartig persoon geïdentificeerd kunnen worden?
4 Een barmhartig persoon is iemand die geen wrok koestert, die bereid is veroordeling en straf in te houden wanneer de omstandigheden dit toelaten, die zowel in stoffelijk als in geestelijk opzicht edelmoedig geeft, die zich bewust is van degenen die behoeftig zijn en zich op een actieve wijze om hen bekommert, die geen partijdigheid toont of zijn tong op een trotse of jaloerse wijze gebruikt, die oprecht en nederig, zonder te pochen, daden van liefdadigheid verricht en gaven van barmhartigheid schenkt en die in zijn omgang met zijn metgezellen niet zo efficiënt wordt dat hij hen slechts als deeltjes van een „organisatorische machine” beschouwt. Dat hij aldus op edelmoedige wijze van zichzelf geeft, zelfs meer nog dan van zijn bezittingen, zal niet onbeloond blijven — beslist niet onbeloond door Jehovah. Gods Woord zegt: „Hij die gunst betoont aan de geringe, leent aan Jehovah, en zijn bejegening zal Hij hem vergelden.” En Jezus zei in aanvulling hierop: „Gelukkig zijn de barmhartigen, want hun zal barmhartigheid worden betoond.” — Spr. 19:17; Matth. 5:7.
TOEWIJDING AAN JUISTE BEGINSELEN SCHENKT GUNST
5. Wie was Jozef, en waarom had zijn vader hem bijzonder lief?
5 Jozef, de achterkleinzoon van Abraham en de zoon van Jakob of Israël, was een in het oog springend voorbeeld van iemand die Jehovah in het betonen van barmhartigheid navolgde. Jozef werd in Syrië geboren en was de eerste van Jakobs twee zonen bij zijn geliefde vrouw Rachel (Gen. 30:22-24; 35:24). Aangezien Jakob eenennegentig jaar oud was toen Jozef werd geboren, was Jozef een zoon van zijn ouderdom en had zijn vader hem meer lief dan zijn oudere broers. Toen Jozef ongeveer zes jaar oud was, verliet Jakob Paddan-Aram, waar hij naar toe gegaan was om
-