-
In eenheid vergaderd voor bedieningswerkDe Wachttoren 1964 | 15 september
-
-
doet. In andere schriftplaatsen, waarin dezelfde illustratie van Gods tempel wordt gebruikt, wordt de nadruk op hetzelfde gelegd, namelijk hoe noodzakelijk het is dat wij het geestelijke gezichtspunt behouden en ook dat degenen die tot Gods tempel behoren de verantwoordelijkheid dragen het te vermijden „onder een ongelijk juk met ongelovigen” te komen. — 1 Kor. 3:16, 17; 2 Kor. 6:14–7:1, NW.
29. Welke plaats neemt de grote schare der „andere schapen” in het tempelbeeld in?
29 Alle 144.000 leden van de christelijke gemeente vormen te zamen met Jezus Christus de geestelijke tempel, die uit „levende stenen” is opgebouwd (1 Petr. 2:4, 5; Joh. 2:19-22, NW). Misschien zult u zeggen dat u dit begrijpt, maar dat dit niets met u te maken heeft, aangezien uw hoop niet hemels is, zoals die van de „kleine kudde”, maar aards. Vele lezers van De Wachttoren zullen hier zo over denken, maar vergis u niet. Indien u Jehovah liefhebt en u aan hem hebt onderworpen door u aan hem op te dragen, hetgeen u hebt gesymboliseerd door de waterdoop, hoort u er ook bij. Ter aanmoediging willen wij u eraan herinneren dat Johannes, nadat hij de vorming van het geestelijke Israël, de tempel- of heiligdom-klasse, had beschreven, een visioen ontving van een grote schare „andere schapen”, over wie werd gezegd dat zij „dag en nacht heilige dienst voor hem [God] in zijn tempel” verrichten. Wij zouden ons geen voortreffelijker beeld van hechte eenheid en harmonie kunnen indenken! — Openb. 7:15, NW.
30. In welk opzicht wordt het bijeenbrengingswerk thans op grotere schaal verricht, en op welke noodzaak wordt hierdoor de nadruk gelegd?
30 Als een ondersteuning hiervan lezen wij dat het Gods „wil . . . is dat alle soorten van mensen worden gered en tot een nauwkeurige kennis van de waarheid komen” (1 Tim. 2:4, NW). Thans reageren alle soorten van mensen gunstig op het goede nieuws en brengen zij hun leven ermee in overeenstemming. Vervolgens worden zij in „één kudde” onder „één herder” bijeengebracht. In de Schrift wordt duidelijk aangetoond dat al dezen door hun gedrag tot lof van Gods heerlijkheid moeten zijn door eendrachtig deel te nemen aan het bedieningswerk dat vóór het volbrachte einde van het tegenwoordige samenstel van dingen voltooid moet worden. Sinds de dagen van de apostelen is de nadruk gelegd op het vergaderen van de christelijke gemeente van Christus’ 144.000 medeërfgenamen, maar nu, aan de „volledige grens van de bestemde tijden”, en vooral sinds 1931, wordt het bijeenbrengingswerk op grotere schaal verricht, terwijl het tevens veel dringender is geworden, aangezien de tijd kort is. Wij hebben alle hulp en aanmoediging nodig die maar beschikbaar zijn en het zal daarom goed zijn ons bedieningswerk aandachtig te beschouwen, zowel ons bedieningswerk binnen Gods organisatie als dat daarbuiten.
-
-
„Volbreng uw bediening ten volle”De Wachttoren 1964 | 15 september
-
-
„Volbreng uw bediening ten volle”
1. Hoe dient de bediening van de christen te worden bezien?
GOD heeft zijn volk nooit zonder werk gelaten. Hij heeft zijn volk iets te doen gegeven, en omdat dit werk in opdracht van hem gebeurt, kan het terecht bedieningswerk worden genoemd, want het draagt het karakter van aan hem bewezen diensten. Zulk werk kan daarom nooit licht worden opgevat, maar moet als iets worden bezien waarover ons het
-