-
De doop — een christelijk vereisteDe Wachttoren 1979 | 15 augustus
-
-
toen hij zei: „Wil iemand achter mij komen, dan moet hij zichzelf verloochenen, zijn martelpaal opnemen en mij voortdurend volgen.” — Matth. 16:24.
Welke gedachte gaat schuil achter de woorden dat men gedoopt moet worden „in de naam van de Vader en van de Zoon en van de heilige geest”? (Matth. 28:19) Wij kunnen dit beter begrijpen wanneer wij Jezus’ woorden beschouwen die staan opgetekend in Mattheüs 10:41: „Die een profeet ontvangt in den naam eens profeten, zal het loon eens profeten ontvangen; en die een rechtvaardige ontvangt in den naam eens rechtvaardigen, zal het loon eens rechtvaardigen ontvangen” (Statenvertaling). Dit betekent dat men een profeet of een rechtvaardige ontvangt in erkenning van wat hij is. Kandidaten voor de christelijke doop moeten de Vader, de Zoon en de heilige geest erkennen voor wat zij zijn: de Vader als de Opperste Soeverein; de Zoon als loskoper en koning en de heilige geest als Gods werkzame kracht die personen helpt de goddelijke wil te doen. — Ps. 83:18; Matth. 20:28; Openb. 19:16; Joh. 14:16, 17.
HOE BELANGRIJK?
Hoe belangrijk is het dat mensen zich aan de christelijke doop onderwerpen? Beschouwt u eens de raad die de apostel Petrus met Pinksteren, 33 G.T., aan joden gaf die in gemeenschapsverantwoordelijkheid deelden omdat zij zo zondig waren geweest de Messías of Christus aan een paal te nagelen en die reiniging van die zonde nodig hadden: „Hebt berouw, en een ieder van u worde gedoopt in de naam van Jezus Christus tot vergeving van uw zonden, en gij zult de vrije gave, de heilige geest, ontvangen” (Hand. 2:38). Personen die door bemiddeling van Jezus Christus vergeving van zonden wensen te ontvangen, moeten volgens de Schrift berouw hebben en gedoopt worden.
Betekent dit dat het water van de doop zonden wegwast? Het zou verkeerd zijn zo’n conclusie te trekken. Wanneer Petrus commentaar geeft op de vloed in Noachs dagen, geeft hij een diepere betekenis aan de doop door te zeggen: „Ook nu wordt gij gered door dat wat hiermee [dat acht personen in een ark door de Vloedwateren heenkwamen] overeenkomt, namelijk de doop (niet het wegdoen van de vuiligheid van het vlees, maar het verzoek aan God om een goed geweten), krachtens de opstanding van Jezus Christus.” — 1 Petr. 3:21.
Hoe doen wij derhalve een verzoek aan God om dat goede geweten? Door te doen wat Noach deed, en wel door ons aan God op te dragen voordat wij door het water gaan. Evenals Noach dragen wij ons aan Jehovah God op om zijn wil te doen, terwijl wij er van dat moment af mee voortgaan die wil ten uitvoer te brengen. Dit heeft tot resultaat dat wij een goed geweten krijgen, want als wij weten dat wij Gods wil doen, verheugen wij ons in een goed geweten. Vandaar dat onze opdracht aan God in werkelijkheid een „verzoek aan God om een goed geweten” is. Het goede geweten ontstaat niet doordat wij onze eigen werken van zelfrechtvaardigheid verrichten, maar doordat wij de door God voorgeschreven werken, Gods wil, doen, Hiertoe dragen wij onszelf op.
Op deze wijze vormt onze opdracht aan God door bemiddeling van Christus een „verzoek aan God om een goed geweten”. Uit onszelf zijn wij in onze onvolmaakte, zondige toestand niet aanvaardbaar voor God. Maar omdat wij berouw hebben over zonde en ons omkeren en ons aan Jehovah opdragen, brengt Jehovah het reinigende bloed van Christus’ zoenoffer op ons van toepassing, waardoor hij ons van de veroordeling van zonde bevrijdt en ons een goed geweten jegens hem geeft. Wanneer wij gehoorzaam door het doopwater heengaan, symboliseren wij daarom onze opdracht aan Jehovah God door bemiddeling van Jezus Christus.
Wil dit zeggen dat iemand zich na de doop niet langer als zondig moet bezien? Helemaal niet. Zelfs Paulus, een gedoopte christen en een apostel van Jezus Christus, klaagde: „Zo ben ik dan zelf met mijn verstand een slaaf van Gods wet, maar met mijn vlees van de wet der zonde” (Rom. 7:25). Opgedragen, gedoopte christenen kunnen echter een goed geweten hebben doordat zij weten dat de zonden-verzoenende waarde van Jezus’ slachtoffer niet alleen vroegere zonden uitwist, maar ook de zonden die zij als gevolg van menselijke onvolmaaktheid van dag tot dag begaan (1 Joh. 2:1, 2). Christenen hoeven wegens hun vroegere levenswijze en overgeërfde zondige toestand dus niet onder schuldgevoelens gebukt te gaan.
SLECHTS EEN BEGIN
Moeten mensen hun doop bezien als bewijs dat zij de eindstreep ten slotte hebben gehaald en nu helemaal klaar zijn om eeuwig leven te ontvangen? Dat zou onverstandig zijn, want de bijbel schildert de doop af als louter het begin van iemands opgedragen heilige dienst voor God. Houd in gedachte dat Jezus’ doop aan het begin van zijn Messiaanse dienst plaatsvond. Ook in het geval van zijn apostelen en andere vroege discipelen was de doop een eerste stap. Hebt u Petrus’ opmerking over de doop opgemerkt — „ook nu wordt gij gered”? (1 Petr. 3:21) Het commentaar van G. F. C. Fronmüller merkt hierover op: „De tegenwoordige tijd [van het Griekse woord voor ’wordt gered’] wordt gebruikt omdat het redden pas is begonnen en nog niet is voltooid.” — Matth. 10:22; Rom. 13:11; Fil. 2:12; Openb. 2:10.
Dat er voor redding meer nodig is dan slechts gedoopt te zijn, blijkt uit de volgende woorden van de apostel Paulus: „Want indien gij dat ’woord in uw eigen mond’, dat Jezus Heer is, in het openbaar bekendmaakt en in uw hart geloof oefent dat God hem uit de doden heeft opgewekt, zult gij worden gered. Want met het hart oefent men geloof tot rechtvaardigheid, maar met de mond doet men een openbare bekendmaking tot redding” (Rom. 10:9, 10). Hieruit blijkt duidelijk dat naast geloof en de doop, ook het doen van een „openbare bekendmaking” met betrekking tot het feit dat Jezus Christus Heer is en dat God hem uit de doden heeft opgewekt, een vereiste voor het verkrijgen van redding is.
Hoewel deze openbare bekendmaking ten tijde van iemands doop wordt gedaan, wil dit niet zeggen dat men zijn hoop daarna niet meer aan anderen bekend hoeft te maken. Integendeel, de bijbel toont aan dat wij dit moeten blijven doen, op gemeentevergaderingen, voor regeringsautoriteiten en rechterlijke functionarissen die een uitleg van onze christelijke hoop vragen en door het „goede nieuws” van Gods koninkrijk in het openbaar bekend te maken. — Hebr. 10:23; 1 Petr. 3:15; Matth. 24:14.
Het is duidelijk dat de christelijke doop voor allen die een goedgekeurde positie voor het aangezicht van God willen innemen, een vereiste is. Met het oog op hetgeen erdoor wordt gesymboliseerd, dient de doop niet licht opgevat te worden en dient men zich er ook niet zonder er zorgvuldig over nagedacht te hebben, aan te onderwerpen. Bent u voornemens zich binnenkort te laten dopen? Zo ja, denk dan ernstig over de betekenis ervan na. Wees vastbesloten eeuwig in overeenstemming te leven met de opdracht aan God, waarvan de doop een symbool is.
-
-
Een offerdier de handen opleggenDe Wachttoren 1979 | 15 augustus
-
-
Een offerdier de handen opleggen
Als een Israëliet een dierlijk offer bij het heiligdom aanbood, legde hij altijd zijn hand op de kop van het schaap, de stier of de geit (Lev. 1:4). Dit betekende dat die persoon erkende dat het zijn offer was en dat het ten behoeve van hem werd aangeboden.
-