-
De mondelinge wet — Waarom op schrift gesteld?De Wachttoren 1999 | 15 januari
-
-
WAAROM bleven vele eerste-eeuwse joden in gebreke Jezus als de Messias te aanvaarden? Eén ooggetuige bericht: „Nadat [Jezus] . . . de tempel was binnengegaan, kwamen de overpriesters en de oudere mannen van het volk naar hem toe, terwijl hij bezig was onderwijs te geven, en zij zeiden: ’Krachtens welke autoriteit doet gij deze dingen? En wie heeft u die autoriteit gegeven?’” (Mattheüs 21:23) Naar hun mening had de Almachtige de joodse natie de thora (Wet) gegeven en bezaten bepaalde mannen op grond van deze Wet een door God geschonken autoriteit. Bezat Jezus zo’n autoriteit?
Jezus toonde absolute eerbied voor de thora en voor degenen die op grond hiervan ware autoriteit bezaten (Mattheüs 5:17-20; Lukas 5:14; 17:14). Maar hij hekelde vaak degenen die Gods geboden overtraden (Mattheüs 15:3-9; 23:2-28). Zulke mensen volgden tradities of overleveringen die bekend kwamen te staan als de mondelinge wet. Jezus verwierp de autoriteit ervan. Op hun beurt verwierpen velen hem als de Messias. Zij geloofden dat iemand alleen Gods steun kon hebben wanneer hij zich achter de overleveringen stelde van degenen die onder hen autoriteit bekleedden.
-
-
De mondelinge wet — Waarom op schrift gesteld?De Wachttoren 1999 | 15 januari
-
-
„Wie heeft u die autoriteit gegeven?”
De Mozaïsche wet legde het hoogste religieuze gezag en onderricht duidelijk in handen van de priesters, de nakomelingen van Aäron (Leviticus 10:8-11; Deuteronomium 24:8; 2 Kronieken 26:16-20; Maleachi 2:7). In de loop der eeuwen werden sommige priesters echter ontrouw en corrupt (1 Samuël 2:12-17, 22-29; Jeremia 5:31; Maleachi 2:8, 9). Tijdens de Griekse overheersing schipperden vele priesters met betrekking tot religieuze kwesties. In de tweede eeuw v.G.T. begonnen de Farizeeën — een nieuwe groep in het judaïsme die wantrouwend stond tegenover de priesterschap — overleveringen in te voeren op basis waarvan de gewone man zich even heilig als de priester kon beschouwen. Deze overleveringen spraken velen aan, maar ze vormden een onaanvaardbare toevoeging aan de Wet. — Deuteronomium 4:2; 12:32 (13:1 in joodse uitgaven).
De Farizeeën werden de nieuwe wetgeleerden, die het werk op zich namen dat de priesters naar hun mening veronachtzaamden. Omdat de Mozaïsche wet geen basis verschaft voor hun autoriteit, ontwikkelden zij door middel van cryptische zinspelingen en andere methoden die hun zienswijzen schijnbaar ondersteunden, een nieuwe methode van bijbeluitleg.a Als de belangrijkste toezichthouders op en voorstanders van deze overleveringen, schiepen zij een nieuwe basis van autoriteit in Israël. In de eerste eeuw G.T. waren de Farizeeën een overheersende kracht in het judaïsme geworden.
Omdat de Farizeeën bestaande mondelinge overleveringen verzamelden en schriftuurlijke implicaties zochten voor het invoeren van nog meer tradities van eigen makelij, zagen zij er de noodzaak van in hun activiteit extra autoriteit te verlenen. Er ontstond een nieuwe opvatting over de oorsprong van deze overleveringen. De rabbi’s begonnen te leren: „Mozes ontving de thora bij de Sinaï en gaf ze door aan Jozua, Jozua aan de oudsten en de oudsten aan de profeten. En de profeten gaven ze door aan de mannen van de grote vergadering.” — Avot 1:1, de misjna.
Met de woorden „Mozes ontving de thora” doelden de rabbi’s niet alleen op de geschreven wetten, maar ook op al hun mondelinge overleveringen. Zij beweerden dat deze overleveringen — door mensen uitgedacht en ontwikkeld — bij de Sinaï door God aan Mozes waren gegeven. En zij leerden dat God het niet aan mensen had overgelaten ’de hiaten te vullen’, maar mondeling had gedefinieerd wat in de geschreven Wet ongezegd was gebleven. Volgens hen had Mozes deze mondelinge wet in de loop van de generaties niet aan de priesters, maar aan andere leiders doorgegeven. De Farizeeën beweerden zelf de natuurlijke erfgenamen van deze „ononderbroken” keten van autoriteit te zijn.
-