Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • Welke toekomst voor de schapen en de bokken?
    De Wachttoren 1995 | 15 oktober
    • Behalve de schapen en de bokken voegt de Zoon des mensen er de derde groep aan toe, waarvan de identiteit zeer belangrijk is om de schapen en de bokken te kunnen identificeren. Jezus noemt deze derde groep zijn geestelijke broeders (Mattheüs 25:40, 45). Zij moeten ware aanbidders zijn, want Jezus zei: „Al wie de wil doet van mijn Vader . . ., die is mijn broer en zuster en moeder” (Mattheüs 12:50; Johannes 20:17). Nog specifieker schreef Paulus over christenen die deel uitmaken van „Abrahams zaad” en zonen van God zijn. Hij noemde hen Jezus’ „broeders” en „deelgenoten van de hemelse roeping”. — Hebreeën 2:9–3:1; Galaten 3:26, 29.

      6. Wie zijn „de geringsten” van Jezus’ broeders?

      6 Waarom maakte Jezus melding van „de geringsten” van zijn broeders? Die woorden doen sterk denken aan wat de apostelen hem eerder hadden horen zeggen. Toen Jezus Johannes de Doper, die vóór Jezus was gestorven en derhalve een aardse hoop had, vergeleek met degenen die hemels leven zullen verkrijgen, zei hij: „Er [is] geen grotere verwekt dan Johannes de Doper; maar wie een mindere is in het koninkrijk der hemelen, is groter dan hij” (Mattheüs 11:11). Sommigen die naar de hemel gaan, hebben misschien een vooraanstaande positie bekleed in de gemeente, zoals de apostelen, terwijl anderen wat dit betreft minder op de voorgrond traden, maar zij zijn allen Jezus’ geestelijke broeders (Lukas 16:10; 1 Korinthiërs 15:9; Efeziërs 3:8; Hebreeën 8:11). Dus ook al leken sommigen op aarde onbelangrijk, toch waren zij zijn broeders en hadden dienovereenkomstig bejegend moeten worden.

      Wie zijn de schapen en de bokken?

      7, 8. Wat zei Jezus over de schapen, en wat kunnen wij dus aangaande hen concluderen?

      7 Wij lezen over het oordeel dat over de schapen wordt uitgesproken: „[Jezus] zal . . . tot die aan zijn rechterhand zeggen: ’Komt, gij op wie de zegen van mijn Vader rust, beërft het koninkrijk dat sedert de grondlegging der wereld voor u is bereid. Want ik werd hongerig en gij hebt mij iets te eten gegeven; ik werd dorstig en gij hebt mij iets te drinken gegeven. Ik was een vreemde en gij hebt mij gastvrij ontvangen; naakt, en gij hebt mij gekleed. Ik werd ziek en gij hebt mij verzorgd. Ik was in de gevangenis en gij zijt tot mij gekomen.’ Dan zullen de rechtvaardigen hem antwoorden en zeggen: ’Heer, wanneer hebben wij u hongerig gezien en u gevoed, of dorstig en u iets te drinken gegeven? Wanneer hebben wij u als vreemde gezien en u gastvrij ontvangen, of naakt en u gekleed? Wanneer hebben wij u ziek of in de gevangenis gezien en zijn naar u toe gegaan?’ En de koning zal hun ten antwoord geven: ’Voorwaar, ik zeg u: Voor zover gij het voor een van de geringsten van deze broeders van mij hebt gedaan, hebt gij het voor mij gedaan.’” — Mattheüs 25:34-40.

      8 Het is duidelijk dat de schapen die waardig worden geoordeeld om aan Jezus’ rechterhand van eer en gunst geplaatst te worden, een klasse van mensen vertegenwoordigen (Efeziërs 1:20; Hebreeën 1:3). Wat hebben zij gedaan, en wanneer? Jezus zegt dat zij hem vriendelijk, respectvol en edelmoedig van voedsel, drank en kleding voorzien hebben en hem geholpen hebben toen hij ziek of in de gevangenis was. Wanneer de schapen zeggen dat zij dit niet voor Jezus persoonlijk hebben gedaan, laat hij uitkomen dat zij wel zijn geestelijke broeders, het overblijfsel van gezalfde christenen, hebben ondersteund, zodat zij het in dat opzicht voor hem hebben gedaan.

      9. Waarom heeft de gelijkenis geen betrekking op de periode van het Millennium?

      9 De gelijkenis heeft geen betrekking op de periode van het Millennium, want de gezalfden zullen dan geen mensen zijn die honger of dorst lijden of ziek of in de gevangenis zijn. Velen van hen hebben deze dingen echter tijdens het besluit van dit samenstel van dingen ervaren. Sinds Satan naar de aarde is geworpen, heeft hij het overblijfsel voortdurend tot een speciaal voorwerp van zijn woede gemaakt en spot, marteling en de dood over hen gebracht. — Openbaring 12:17.

      10, 11. (a) Waarom is het onredelijk om aan te nemen dat de schapen iedereen omvatten die iets vriendelijks voor Jezus’ broeders doet? (b) Wie beelden de schapen terecht af?

      10 Zegt Jezus dat iedereen die ook maar iets vriendelijks voor een van zijn broeders doet, zoals hem of haar een stuk brood of een glas water geven, ervoor in aanmerking komt een van deze schapen te zijn? Zeker, zulke vriendelijkheden kunnen menslievendheid weerspiegelen, maar er schijnt in het geval van de schapen uit deze gelijkenis in werkelijkheid veel meer bij betrokken te zijn. Jezus doelde bijvoorbeeld stellig niet op atheïsten of geestelijken die toevallig iets vriendelijks voor een van zijn broeders doen. Integendeel, Jezus noemde de schapen tweemaal „rechtvaardigen” (Mattheüs 25:37, 46). De schapen moeten dus personen zijn die Christus’ broeders over een langdurige periode hulp hebben geboden — actief hebben ondersteund — en zo’n mate van geloof aan de dag hebben gelegd dat zij een rechtvaardige positie voor het aangezicht van God zijn gaan innemen.

      11 In de loop der eeuwen hebben velen zich net als Abraham in een rechtvaardige positie verheugd (Jakobus 2:21-23). Noach, Abraham en andere getrouwen behoren tot de „andere schapen” die leven in het Paradijs onder Gods koninkrijk zullen beërven. In recente tijden hebben nog miljoenen meer de ware aanbidding als andere schapen opgenomen en zijn samen met de gezalfden „één kudde” geworden (Johannes 10:16; Openbaring 7:9). Deze personen met een aardse hoop erkennen Jezus’ broeders als gezanten van het Koninkrijk en zijn hun derhalve te hulp gekomen — zowel letterlijk als geestelijk. Jezus beschouwt datgene wat de andere schapen voor zijn broeders op aarde doen, als voor hem gedaan. Zulke personen die in leven zijn wanneer hij komt om de natiën te oordelen, zullen als schapen geoordeeld worden.

      12. Waarom zouden de schapen kunnen vragen hoe zij Jezus vriendelijk hebben bejegend?

      12 Als de andere schapen thans het goede nieuws samen met de gezalfden prediken en hen helpen, waarom zouden zij dan vragen: „Heer, wanneer hebben wij u hongerig gezien en u gevoed, of dorstig en u iets te drinken gegeven?” (Mattheüs 25:37) Er zouden verschillende redenen voor kunnen bestaan. Dit is een gelijkenis. Door middel van deze gelijkenis toont Jezus zijn diepe bezorgdheid voor zijn geestelijke broeders; hij voelt met hen mee en lijdt met hen. Jezus had eerder gezegd: „Wie u ontvangt, ontvangt ook mij, en wie mij ontvangt, ontvangt ook hem die mij heeft uitgezonden” (Mattheüs 10:40). In deze illustratie breidt Jezus het beginsel uit en toont hij aan dat wat er voor zijn broeders wordt gedaan (goed of slecht) zelfs tot in de hemel reikt; het is alsof het voor hem in de hemel wordt gedaan. Ook beklemtoont Jezus hier Jehovah’s maatstaf voor het oordeel door duidelijk te maken dat Gods oordeel, hetzij gunstig of ongunstig, zowel deugdelijk als rechtvaardig is. De bokken kunnen niet met het excuus aankomen: ’O, als wij u maar persoonlijk hadden gezien.

  • Welke toekomst voor de schapen en de bokken?
    De Wachttoren 1995 | 15 oktober
    • En de koning zal hun ten antwoord geven: ’Voorwaar, ik zeg u: Voor zover gij het voor een van de geringsten van deze broeders van mij hebt gedaan, hebt gij het voor mij gedaan.’” — Mattheüs 25:34-40.

      8 Het is duidelijk dat de schapen die waardig worden geoordeeld om aan Jezus’ rechterhand van eer en gunst geplaatst te worden, een klasse van mensen vertegenwoordigen (Efeziërs 1:20; Hebreeën 1:3). Wat hebben zij gedaan, en wanneer? Jezus zegt dat zij hem vriendelijk, respectvol en edelmoedig van voedsel, drank en kleding voorzien hebben en hem geholpen hebben toen hij ziek of in de gevangenis was. Wanneer de schapen zeggen dat zij dit niet voor Jezus persoonlijk hebben gedaan, laat hij uitkomen dat zij wel zijn geestelijke broeders, het overblijfsel van gezalfde christenen, hebben ondersteund, zodat zij het in dat opzicht voor hem hebben gedaan.

      9. Waarom heeft de gelijkenis geen betrekking op de periode van het Millennium?

      9 De gelijkenis heeft geen betrekking op de periode van het Millennium, want de gezalfden zullen dan geen mensen zijn die honger of dorst lijden of ziek of in de gevangenis zijn. Velen van hen hebben deze dingen echter tijdens het besluit van dit samenstel van dingen ervaren. Sinds Satan naar de aarde is geworpen, heeft hij het overblijfsel voortdurend tot een speciaal voorwerp van zijn woede gemaakt en spot, marteling en de dood over hen gebracht. — Openbaring 12:17.

      10, 11. (a) Waarom is het onredelijk om aan te nemen dat de schapen iedereen omvatten die iets vriendelijks voor Jezus’ broeders doet? (b) Wie beelden de schapen terecht af?

      10 Zegt Jezus dat iedereen die ook maar iets vriendelijks voor een van zijn broeders doet, zoals hem of haar een stuk brood of een glas water geven, ervoor in aanmerking komt een van deze schapen te zijn? Zeker, zulke vriendelijkheden kunnen menslievendheid weerspiegelen, maar er schijnt in het geval van de schapen uit deze gelijkenis in werkelijkheid veel meer bij betrokken te zijn. Jezus doelde bijvoorbeeld stellig niet op atheïsten of geestelijken die toevallig iets vriendelijks voor een van zijn broeders doen. Integendeel, Jezus noemde de schapen tweemaal „rechtvaardigen” (Mattheüs 25:37, 46). De schapen moeten dus personen zijn die Christus’ broeders over een langdurige periode hulp hebben geboden — actief hebben ondersteund — en zo’n mate van geloof aan de dag hebben gelegd dat zij een rechtvaardige positie voor het aangezicht van God zijn gaan innemen.

      11 In de loop der eeuwen hebben velen zich net als Abraham in een rechtvaardige positie verheugd (Jakobus 2:21-23). Noach, Abraham en andere getrouwen behoren tot de „andere schapen” die leven in het Paradijs onder Gods koninkrijk zullen beërven. In recente tijden hebben nog miljoenen meer de ware aanbidding als andere schapen opgenomen en zijn samen met de gezalfden „één kudde” geworden (Johannes 10:16; Openbaring 7:9). Deze personen met een aardse hoop erkennen Jezus’ broeders als gezanten van het Koninkrijk en zijn hun derhalve te hulp gekomen — zowel letterlijk als geestelijk. Jezus beschouwt datgene wat de andere schapen voor zijn broeders op aarde doen, als voor hem gedaan. Zulke personen die in leven zijn wanneer hij komt om de natiën te oordelen, zullen als schapen geoordeeld worden.

Nederlandse publicaties (1950-2027)
Afmelden
Inloggen
  • Nederlands
  • Delen
  • Instellingen
  • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
  • Gebruiksvoorwaarden
  • Privacybeleid
  • Privacyinstellingen
  • JW.ORG
  • Inloggen
Delen