-
JehovahInzicht in de Schrift, Deel 1
-
-
Waarom hij zich met onvolmaakte mensen kan inlaten. De rechtvaardige maatstaven van Jehovah lieten toe dat hij met de nakomelingen van Adam en Eva op een andere wijze handelde dan met hun ouders. Waarom? Omdat Adams nakomelingen zonde hadden geërfd, dus onvrijwillig hun leven begonnen als onvolmaakte schepselen met een aangeboren neiging tot kwaaddoen (Ps 51:5; Ro 5:12). Er was dus een basis om hun barmhartigheid te betonen. Jehovah’s eerste profetie (Ge 3:15), die hij uitte toen hij in Eden een oordeel uitsprak, toonde dat de opstand van zijn eerste menselijke kinderen (alsook van een van zijn geestenzonen) Jehovah niet had verbitterd, noch zijn liefde had doen verkoelen. Die profetie liet in symbolische taal uitkomen dat de situatie die door de opstand was ontstaan, rechtgezet zou worden en de toestanden in hun oorspronkelijke volmaaktheid hersteld zouden worden; de volledige betekenis van de profetie werd echter pas duizenden jaren later geopenbaard. — Vgl. het gebruik van de symbolische uitdrukkingen „slang”, „vrouw” en „zaad” in Opb 12:9, 17; Ga 3:16, 29; 4:26, 27.
-
-
JehovahInzicht in de Schrift, Deel 1
-
-
Waarom de ’God van vrede’ strijdt. Jehovah’s verklaring in Eden dat hij vijandschap zou stellen tussen het zaad van zijn Tegenstander en het zaad van „de vrouw”, veranderde niets aan het feit dat hij de ’God van vrede’ is (Ge 3:15; Ro 16:20; 1Kor 14:33). De toenmalige situatie was dezelfde als die in de dagen van het aardse leven van zijn Zoon, Jezus Christus, die zei: „Denkt niet dat ik gekomen ben om vrede op de aarde te brengen; ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar een zwaard” (Mt 10:32-40). Jezus’ bediening bracht verdeeldheid teweeg, zelfs binnen gezinnen (Lu 12:51-53), maar dat kwam doordat hij zich aan Gods rechtvaardige maatstaven en waarheid hield en deze verkondigde. Aangezien velen hun hart tegen deze waarheden verhardden, terwijl anderen ze aannamen, ontstond er verdeeldheid (Jo 8:40, 44-47; 15:22-25; 17:14). Dit was onvermijdelijk indien men de goddelijke beginselen hoog wilde houden; de schuld lag echter bij degenen die verwierpen wat juist was.
Evenzo zou er volgens de voorzegging vijandschap komen omdat Jehovah’s volmaakte maatstaven geen verontschuldiging voor de opstandige handelwijze van Satans „zaad” toelieten. Dat God enerzijds zulke opstandelingen zijn gunst onthield en anderzijds degenen zegende die een rechtvaardige handelwijze volgden, zou verdeeldheid brengen (Jo 15:18-21; Jak 4:4), zoals in het geval van Kaïn en Abel. — Ge 4:2-8; Heb 11:4; 1Jo 3:12; Ju 10, 11; zie KAÏN.
-