-
Bijbelboek nummer 32 — Jona„De gehele Schrift is door God geïnspireerd en nuttig”
-
-
5. Hoe reageert Jona op zijn toewijzing, en met welk gevolg?
5 Jona wordt naar Nineve gezonden maar loopt weg (1:1-16). „Het woord van Jehovah kwam voorts tot Jona, de zoon van Amittai, en luidde: ’Sta op, ga naar Nineve, de grote stad, en kondig tegen haar af dat hun slechtheid voor mijn aangezicht is opgestegen’” (1:1, 2). Staat deze toewijzing Jona aan? Niet in het minst! Hij vlucht in tegengestelde richting en neemt een schip dat naar Tarsis gaat, mogelijk hetzelfde als Spanje. Jona’s schip komt in een zware storm terecht. Bevreesd roepen de zeelieden om hulp, „ieder tot zijn god”, terwijl Jona in het ruim van het schip ligt te slapen (1:5). Na Jona gewekt te hebben, werpen zij het lot in een poging erachter te komen wie voor hun hachelijke toestand verantwoordelijk is. Het lot valt op Jona. Nu vertelt hij hun dat hij een Hebreeër is, een aanbidder van Jehovah, en dat hij wegloopt van de opdracht die God hem heeft gegeven. Hij stelt hun voor hem in zee te werpen. Na verdere pogingen gedaan te hebben het schip veilig door de storm heen te brengen, gooien zij Jona ten slotte overboord. De woede van de zee bedaart.
-
-
Bijbelboek nummer 32 — Jona„De gehele Schrift is door God geïnspireerd en nuttig”
-
-
9. Welke houding en handelwijze van Jona dienen een waarschuwing voor ons te zijn?
9 Jona’s handelwijze en het gevolg ervan dienen een waarschuwing voor ons te zijn. Hij liep weg van het hem door God opgedragen werk; hij had zijn hand aan de ploeg moeten slaan en erop moeten vertrouwen dat God hem zou schragen (Jona 1:3; Luk. 9:62; Spr. 14:26; Jes. 6:8). Toen hij zich in de verkeerde richting begaf, legde hij een negatieve houding aan de dag door er tegenover de zeelieden niet openlijk voor uit te komen dat hij een aanbidder was van „Jehovah, de God van de hemel”. Hij had zijn vrijmoedigheid verloren (Jona 1:7-9; Ef. 6:19, 20). Jona was zo met zichzelf bezig dat hij Jehovah’s barmhartigheid tegenover Nineve als een persoonlijke belediging ging beschouwen; hij trachtte zijn gezicht te redden door tot Jehovah te zeggen dat hij al die tijd wel had geweten dat het hierop zou uitlopen — dus waarom hem dan als profeet zenden? Hij werd terechtgewezen om deze oneerbiedige, klagende houding, en wij dienen dan ook profijt te trekken van zijn ervaring door ons te onthouden van aanmerkingen op Jehovah’s tentoonspreiding van barmhartigheid of op de manier waarop hij dingen doet. — Jona 4:1-4, 7-9; Fil. 2:13, 14; 1 Kor. 10:10.
-