-
In „de vreugde” van de „Vredevorst” delenWereldomvattende zekerheid onder de „Vredevorst”
-
-
2. (a) Wat beeldde de door de rijke man ondernomen reis naar het buitenland in Jezus’ geval af, en naar wie ging hij toe? (b) Waarmee keerde de Meester terug?
2 Aangezien de rijke man in de gelijkenis Jezus Christus afbeeldt, wordt door de verre reis die de man naar het buitenland maakte, afgebeeld dat Jezus naar de ene Bron ging van de speciale vreugde die hij op het oog had. Naar wie ging hij dan toe? Hebreeën 12:2 vertelt ons: „Wij [houden] oplettend het oog gericht . . . op de Voornaamste Bewerker en Volmaker van ons geloof, Jezus. Wegens de hem in het vooruitzicht gestelde vreugde heeft hij een martelpaal verduurd, schande verachtend, en is hij aan de rechterhand van de troon van God gaan zitten.” Ja, inderdaad, Jehovah God is de Bron van die vreugde. Hij was degene naar wie Jezus toe ging nadat hij aan zijn getrouwe discipelen hier op aarde het beheer over zijn „talenten” had toevertrouwd. De Meester keerde terug met „veel dingen”, dingen die hij nog niet had toen hij de acht talenten zilver aan zijn drie slaven toevertrouwde. In een eerdere gelijkenis die Jezus vertelde, de gelijkenis van de „tien minen”, wordt specifiek gezegd dat hij met „koninklijke macht” terugkeerde. — Lukas 19:12-15.
-
-
In „de vreugde” van de „Vredevorst” delenWereldomvattende zekerheid onder de „Vredevorst”
-
-
4. Waarom had Jezus Christus nadat hij als Koning op de troon was geplaatst, een speciale reden om zijn getrouwe „slaven” ertoe uit te nodigen een vreugdevolle toestand binnen te gaan?
4 Indien het dus al een vreugdevolle gelegenheid was toen hij zich alleen nog maar aan de inwoners van Jeruzalem aanbood als degene die met Jehovah’s geest voor het koningschap was gezalfd, hoeveel meer dan wel niet toen hij aan het einde van de tijden der heidenen in 1914 werkelijk als Koning op de troon werd geplaatst? Het was een zeer vreugdevolle gelegenheid voor hem. Toen ging hij inderdaad een vreugde binnen die hij nooit eerder had ervaren. Toen hij afrekening hield, kon hij derhalve tot de discipelen die naar zijn oordeel ’goed en getrouw’ waren, zeggen: „Gij zijt over weinig dingen getrouw geweest. Ik zal u over veel dingen aanstellen. Ga de vreugde van uw meester binnen” (Matthéüs 25:21). Nu was er een nieuwe vreugde waarin deze goedgekeurde „slaven” konden delen. Wat een beloning!
5. (a) Hoe was de stand van zaken toen de apostel Paulus een ’gezant’ voor Christus was? (b) Maar na welke ontwikkeling zijn de leden van het gezalfde overblijfsel thans „gezanten” voor Christus?
5 In 1919 gingen de gezalfde discipelen van de regerende Koning, Jezus Christus, inderdaad een goedgekeurde toestand binnen, en dit ging met een enorme vreugde van hun zijde gepaard. Negentien eeuwen daarvóór schreef de apostel Paulus aan zijn geloofsgenoten om hun over hun verheven positie te vertellen: „Wij zijn daarom gezanten die optreden in de plaats van Christus” (2 Korinthiërs 5:20). Dat werd geschreven toen Jezus nog slechts de erfgenaam was met het onvervreemdbare vooruitzicht „het koninkrijk der hemelen” te ontvangen (Matthéüs 25:1). Hij moest dus aan Gods rechterhand zitten en wachten op de dag dat hij geïnstalleerd zou worden. Maar nu, sinds 1919, zijn de leden van het goedgekeurde overblijfsel „gezanten”, of ambassadeurs, die gezonden zijn door een werkelijk regerende Koning (Hebreeën 10:12, 13). Dit feit werd speciaal onder de aandacht gebracht van de Internationale Bijbelonderzoekers die in 1922 op het congres in Cedar Point (Ohio) aanwezig waren.
-