-
MariaInzicht in de Schrift, Deel 2
-
-
Jezus had liefde en achting voor haar. Jezus heeft na zijn doop geen speciale begunstiging ten aanzien van Maria aan de dag gelegd; hij sprak haar niet met „moeder” aan, maar eenvoudig met „vrouw” (Jo 2:4; 19:26). Dat was beslist geen uiting van oneerbiedigheid, zoals het in hedendaags Nederlands misschien zou kunnen overkomen. Maria was Jezus’ moeder naar het vlees; maar vanaf zijn doop, toen hij door de geest werd verwekt, was hij in de allereerste plaats Gods zoon, terwijl „het Jeruzalem dat boven is” zijn „moeder” was (Ga 4:26). Jezus liet dit uitkomen toen Maria en haar andere kinderen hem tijdens een van de keren dat hij onderwijs gaf, onderbraken en hem vroegen naar buiten te komen, waar zij hem wilden spreken. Jezus gaf te kennen wie in werkelijkheid zijn moeder en zijn naaste verwanten waren, namelijk degenen die tot zijn geestelijke familie behoorden, en toonde aldus dat geestelijke zaken prioriteit hadden boven vleselijke belangen. — Mt 12:46-50; Mr 3:31-35; Lu 8:19-21.
-
-
MariaInzicht in de Schrift, Deel 2
-
-
Toen Jezus aan de martelpaal werd gehangen, stond Maria erbij. Voor haar was Jezus meer dan een geliefde zoon, hij was de Messias, haar Heer en Redder, de Zoon van God. Maria was naar het schijnt inmiddels weduwe. Als de eerstgeborene in Jozefs huisgezin kweet Jezus zich dus van zijn verantwoordelijkheid toen hij aan de apostel Johannes, waarschijnlijk een neef van hem, vroeg Maria mee naar huis te nemen en voor haar te zorgen als voor zijn eigen moeder (Jo 19:26, 27). Waarom vertrouwde Jezus haar niet aan een van zijn halfbroers toe? Er wordt niet gezegd dat een van hen aanwezig was. Bovendien waren zij nog geen gelovigen, en Jezus beschouwde de geestelijke verwantschap belangrijker dan de vleselijke. — Jo 7:5; Mt 12:46-50.
-