-
OpstandingRedeneren aan de hand van de Schrift
-
-
Wat is de betekenis van Johannes 5:28, 29? Daar staat: „Allen die in de herinneringsgraven zijn, [zullen] zijn stem . . . horen en te voorschijn . . . komen, zij die goede dingen hebben gedaan, tot een opstanding des levens, zij die verachtelijke dingen hebben beoefend, tot een opstanding des oordeels.” Wat Jezus hier zei, moet begrepen worden in het licht van de openbaring die hij later aan Johannes gaf. (Zie Openbaring 20:12, 13, hierboven aangehaald.) Zowel zij die vroeger goede dingen hebben gedaan als zij die vroeger slechte dingen hebben beoefend, worden „ieder afzonderlijk geoordeeld overeenkomstig hun daden”. Welke daden? Indien wij de zienswijze zouden huldigen dat mensen veroordeeld zouden worden op grond van daden die zij in hun vroegere leven hebben gedaan, zou dat in strijd zijn met Romeinen 6:7: „Wie gestorven is, is van zijn zonde vrijgesproken.” Ook zou het onredelijk zijn mensen alleen maar op te wekken om hen te vernietigen. Jezus wees dus in Johannes 5:28, 29a vooruit naar de opstanding en bracht vervolgens in de rest van vers 29 onder woorden welke afloop er zou zijn nadat zij tot menselijke volmaaktheid waren gebracht en geoordeeld waren.
-
-
OpstandingRedeneren aan de hand van de Schrift
-
-
Wie zullen een aardse opstanding krijgen?
Joh. 5:28, 29: „Verwondert u hierover niet, want het uur komt waarin allen die in de herinneringsgraven zijn, zijn stem [de stem van Jezus] zullen horen en te voorschijn zullen komen.” (Het Griekse woord dat met „herinneringsgraven” is vertaald, is niet de meervoudsvorm van taʹfos [graf, een afzonderlijke grafstede] of haiʹdes [het gemeenschappelijke graf van de gestorven mensheid], maar de meervoudsdatief van mne·meiʹon [herinnering, herinneringsgraf]. Het legt de nadruk op het feit dat de herinnering aan de overledene wordt bewaard. Niet degenen aan wie de herinnering wegens onvergeeflijke zonden werd uitgewist in Gehenna, maar personen die in Gods herinnering bestaan, zullen worden opgewekt en de gelegenheid ontvangen eeuwig te leven. — Matth. 10:28; Mark. 3:29; Hebr. 10:26; Mal. 3:16.)
-