-
Van seider tot reddingDe Wachttoren 1990 | 15 februari
-
-
13, 14. Hoe is Jezus’ bloed levenreddend en noodzakelijk voor redding? (Efeziërs 1:13)
13 Bloed heeft ook te maken met redding in deze tijd — Jezus’ vergoten bloed. Toen in 32 G.T. ’het Pascha, het feest der joden, nabij was’, vertelde Jezus een groot gehoor: „Wie zich met mijn vlees voedt en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven, en ik zal hem op de laatste dag uit de dood opwekken; want mijn vlees is waar voedsel en mijn bloed is ware drank” (Johannes 6:4, 54, 55). Al zijn joodse luisteraars zouden daarbij het ophanden zijnde Pascha in gedachten hebben, en dat in Egypte het bloed van een lam was gebruikt.
14 Jezus had het toen niet over de symbolen die gebruikt worden bij het Avondmaal des Heren. Die nieuwe viering voor christenen werd pas een jaar later ingesteld, zodat zelfs de apostelen die Jezus in 32 G.T. hoorden spreken, daar nog niets van wisten. Niettemin liet Jezus zien dat zijn bloed essentieel was voor eeuwige redding. Paulus legde uit: „Door bemiddeling van hem hebben wij de verlossing door losprijs door middel van diens bloed, ja, de vergeving van onze overtredingen, overeenkomstig de rijkdom van zijn onverdiende goedheid” (Efeziërs 1:7). Slechts door vergeving op basis van Jezus’ bloed kunnen wij eeuwig leven.
-
-
Van seider tot reddingDe Wachttoren 1990 | 15 februari
-
-
15. Welke redding en voorrechten werden mogelijk voor de Hebreeën in Egypte, en wat zou niet gebeuren? (1 Korinthiërs 10:1-5)
15 In het oude Egypte ging het slechts om een beperkte redding. Niemand die Egypte verliet, verwachtte na de uittocht eeuwig leven te krijgen. Het is waar dat God de levieten aanstelde tot priesters voor de natie, en dat sommigen van de stam Juda tijdelijke koningen werden, maar al dezen zouden sterven (Handelingen 2:29; Hebreeën 7:11, 23, 27). Hoewel het ’grote gemengde gezelschap’ dat ook Egypte verliet, niet deze voorrechten genoot, mochten zij met de Hebreeën hopen het Beloofde Land te bereiken en daar een normaal leven te leiden en God te aanbidden. Toch hadden Jehovah’s voorchristelijke dienstknechten een basis voor de hoop dat zij mettertijd eeuwig leven mochten genieten op aarde, waar de mensheid volgens Gods voornemen zou leven. Dit zou in overeenstemming zijn met Jezus’ belofte in Johannes 6:54.
16. Op wat voor redding mochten Gods dienstknechten in de oudheid hopen?
16 God gebruikte sommige van zijn dienstknechten in de oudheid om bezielende woorden op te tekenen over het feit dat de aarde geschapen was om bewoond te worden en over de oprechten die er voor eeuwig op zouden leven (Psalm 37:9-11; Spreuken 2:21, 22; Jesaja 45:18). Maar hoe zouden ware aanbidders zo’n redding kunnen verwerven als zij stierven? Doordat God hen weer terugbracht tot leven op aarde. Job bijvoorbeeld bracht de hoop tot uitdrukking dat er aan hem gedacht zou worden en dat hij weer tot leven geroepen zou worden (Job 14:13-15; Daniël 12:13). Eén vorm van redding is duidelijk de redding tot eeuwig leven op aarde. — Matthéüs 11:11.
-