-
De wereld was hun niet waardigDe Wachttoren 1987 | 15 januari
-
-
13. (a) Wie ondergingen „bespottingen en geselingen”? (b) Wie moesten „boeien en gevangenissen” verduren?
13 Indien wij geloof hebben, zullen wij in staat zijn vervolging te verduren. (Lees Hebreeën 11:36-38.) Wanneer wij vervolgd worden, is het nuttig te denken aan de opstandingshoop en te beseffen dat God ons kan schragen zoals hij gedaan heeft in het geval van „anderen [die] . . . hun [geloofs]beproeving [kregen] door bespottingen en geselingen, zelfs meer dan dat, door boeien en gevangenissen”. De Israëlieten „dreven [voortdurend] de spot met zijn profeten, totdat de woede van Jehovah zich tegen zijn volk verhief” (2 Kronieken 36:15, 16). Door geloof verduurden Michaja, Elisa en andere dienstknechten van God „bespottingen” (1 Koningen 22:24; 2 Koningen 2:23, 24; Psalm 42:3). „Geselingen” kwamen voor in de dagen van Israëls koningen en profeten, en tegenstanders „sloegen” Jeremia, wat meer betekende dan hem een klap geven bij wijze van belediging. „Boeien en gevangenissen” kunnen ons zowel aan zijn ervaringen als aan die van de profeten Michaja en Hanani doen denken (Jeremia 20:1, 2; 37:15; 1 Koningen 12:11; 22:26, 27; 2 Kronieken 16:7, 10). Omdat Jehovah’s hedendaagse getuigen net zo’n geloof hebben, zijn zij in staat geweest „ter wille van rechtvaardigheid” soortgelijk lijden te verduren. — 1 Petrus 3:14.
-
-
De wereld was hun niet waardigDe Wachttoren 1987 | 15 januari
-
-
15. Wie werden „slecht behandeld” en „doolden rond in woestijnen”?
15 Anderen „stierven door afslachting met het zwaard”, zoals bijvoorbeeld Elia’s medeprofeten van God die „met het zwaard gedood” werden in de dagen van de goddeloze koning Achab (1 Koningen 19:9, 10). Elia en Elisa behoorden tot de mannen van geloof die „[rondzwierven] in schapevachten, in geitevellen, terwijl zij gebrek leden en verdrukt en slecht behandeld werden” (1 Koningen 19:5-8, 19; 2 Koningen 1:8; 2:13; vergelijk Jeremia 38:6). Tot degenen die vanwege de vervolging die zij ondergingen „[ronddoolden] in woestijnen en op bergen en in grotten en holen der aarde”, moeten niet alleen Elia en Elisa worden gerekend maar ook de honderd profeten die Obadja in groepen van vijftig in een grot verborg, waar hij hen van brood en water voorzag toen de afgoderij beoefenende koningin Izébel ertoe overging ’Jehovah’s profeten af te snijden’ (1 Koningen 18:4, 13; 2 Koningen 2:13; 6:13, 30, 31). Wat een rechtschapenheidbewaarders! Geen wonder dat Paulus zei: „De wereld [onrechtvaardige mensenmaatschappij] was hun niet waardig”!
-