-
Een talrijke grote schareDe Openbaring — Haar grootse climax is nabij!
-
-
Hoofdstuk 20
Een talrijke grote schare
1. Welke andere groep ziet Johannes nadat hij het verzegelen van de 144.000 heeft beschreven?
NADAT Johannes het verzegelen van de 144.000 heeft beschreven, brengt hij vervolgens verslag uit over een van de opwindendste onthullingen in de gehele Schrift. Zijn hart moet wel van vreugde opgesprongen zijn toen hij met de volgende woorden vertelde wat hij had gezien: „Na deze dingen zag ik, en zie! een grote schare, die niemand tellen kon, uit alle natiën en stammen en volken en talen, staande voor de troon en voor het Lam, gehuld in lange witte gewaden, en er waren palmtakken in hun handen” (Openbaring 7:9). Ja, het tegenhouden van de vier winden opent de weg tot redding voor een andere groep buiten de 144.000 leden van het geestelijke Israël: een uit vele taalgroepen afkomstige, internationale grote schare.a — Openbaring 7:1.
2. Hoe hebben wereldse commentators de grote schare geïnterpreteerd, en hoe hebben in het verleden zelfs de Bijbelonderzoekers deze groep beschouwd?
2 Wereldse commentators hebben deze grote schare geïnterpreteerd als tot het christendom bekeerde niet-joden naar het vlees, of als christelijke martelaren met een hemelse bestemming. Zelfs de Bijbelonderzoekers beschouwden hen in het verleden als een secundaire hemelse klasse, zoals bleek uit wat in 1886 in Deel I van de Schriftstudiën, Het Goddelijk Plan der Eeuwen (Nederlandse uitgave van 1908), stond: „Zij verliezen den prijs van den troon, en van de goddelijke natuur, maar zullen ten laatste wedergeboren worden tot geestelijke wezens eener lagere orde dan de goddelijke natuur. Hoewel deze waarlijk gezalfd zijn, heeft de geest der wereld hen in zulke mate overmand, dat zij er niet in slaagden hun leven ten offer te brengen.” En zelfs nog in 1930 werd in het boek Light, Deel Eén, de gedachte tot uitdrukking gebracht: „Deze grote schare blijft in gebreke gehoor te geven aan de uitnodiging om ijverige getuigen voor de Heer te worden.” Zij werden beschreven als een groep van in eigen ogen rechtvaardige personen die weliswaar kennis van de waarheid hadden, maar er weinig aan deden om die te prediken. Zij zouden als een secundaire klasse, die niet met Christus zou regeren, naar de hemel gaan.
3. (a) Welke hoop werd bepaalde rechtgeaarde personen die later ijverig werden in het predikingswerk, voor ogen gesteld? (b) Hoe werd de gelijkenis van de schapen en de bokken in 1923 in The Watch Tower verklaard?
3 Er waren echter andere metgezellen van de gezalfde christenen die later heel ijverig werden in het predikingswerk. Zij hadden geen aspiraties om naar de hemel te gaan. Ja, hun hoop was in overeenstemming met de titel van een openbare lezing die van 1918 tot 1922 door Jehovah’s Getuigen gehouden was. De oorspronkelijke titel luidde: „De wereld is geëindigd — Miljoenen nu levende mensen zullen nimmer sterven”.b Kort daarna werd in The Watch Tower van 15 oktober 1923 de volgende verklaring van Jezus’ gelijkenis van de schapen en de bokken (Matthéüs 25:31-46) gegeven: „De schapen zijn een afbeelding van alle mensen uit de natiën die niet door de geest verwekt maar wel rechtvaardig gezind zijn en die Jezus Christus met hun verstand erkennen als de Heer en die uitzien naar en hopen op een betere tijd onder zijn regering.”
4. Hoe werd in 1931, 1932 en 1934 een steeds helderder licht op de aardse klasse geworpen?
4 Enkele jaren later, in 1931, werd in het boek Vindication (Rechtvaardiging), Deel I, Ezechiël hoofdstuk 9 besproken en werd uiteengezet dat degenen die aan hun voorhoofd gekentekend werden voor overleving van het einde der wereld, de schapen uit de bovengenoemde gelijkenis waren. Vindication, Deel III, vrijgegeven in 1932, beschreef de oprechte hartetoestand van de niet-Israëlitische man Jonadab, die zich bij Israëls gezalfde koning Jehu in zijn wagen voegde en meeging om Jehu’s ijver in het terechtstellen van vals-religieuze ijveraars te zien (2 Koningen 10:15-17). Het commentaar in het boek luidde: „Jonadab was een afbeelding of afschaduwing van de klasse mensen van goede wil die thans, gedurende de tijd dat het Jehuwerk [het bekendmaken van Jehovah’s oordelen] aan de gang is, op aarde leven, niet in harmonie zijn met Satans organisatie en zich aan de zijde van rechtvaardigheid opstellen. Dezen zijn het die de Heer gedurende de tijd van Armageddon zal bewaren, door die verdrukking heen zal leiden en eeuwig leven op aarde zal geven. Dezen vormen de klasse der ’schapen’.” In 1934 maakte De Wachttoren duidelijk dat deze christenen met een aardse hoop zich aan Jehovah dienden op te dragen en gedoopt moesten worden. Er werd een steeds helderder licht op deze aardse klasse geworpen. — Spreuken 4:18.
5. (a) Hoe werd de grote schare in 1935 geïdentificeerd? (b) Wat gebeurde er toen J. F. Rutherford in 1935 aan congresgangers die de hoop hadden eeuwig op aarde te leven, vroeg of zij wilden gaan staan?
5 Het was nu bijna zover dat het begrip van Openbaring 7:9-17 in al zijn sprankelende helderheid geopenbaard zou worden! (Psalm 97:11) Het tijdschrift De Wachttoren had herhaaldelijk de verwachting tot uitdrukking gebracht dat een congres dat van 30 mei tot 3 juni 1935 in Washington D.C. (VS) gehouden zou worden, tot „werkelijke vertroosting en zegen” zou zijn voor degenen die door Jonadab afgebeeld werden. Dat bleek inderdaad zo te zijn! In een bezielende lezing over „De grote schare”, die J. F. Rutherford, die destijds de leiding had over de wereldwijde prediking, voor 20.000 congresgangers ten gehore bracht, bewees hij aan de hand van de Schrift dat de hedendaagse andere schapen synoniem zijn met die grote schare uit Openbaring 7:9. Op het hoogtepunt van deze lezing vroeg de spreker: „Zouden allen die de hoop hebben eeuwig op aarde te leven, willen opstaan?” Toen een groot deel van de toehoorders opstond, zei de spreker: „Ziedaar! De grote schare!” Er viel een stilte, gevolgd door een donderend gejuich. Hoe verrukt was de Johannesklasse — en ook de Jonadabgroep! De volgende dag werden 840 nieuwe Getuigen gedoopt, van wie de meesten beleden tot die grote schare te behoren.
De identiteit van de grote schare vaststellen
6. (a) Waarom kunnen wij duidelijk begrijpen dat de grote schare de hedendaagse groep opgedragen christenen is die de hoop koesteren voor eeuwig op aarde te leven? (b) Wat wordt door de lange witte gewaden van de grote schare afgebeeld?
6 Hoe kunnen wij zo positief beweren dat de grote schare deze hedendaagse groep opgedragen christenen is die de hoop koesteren voor eeuwig op Gods aarde te leven? Eerder had Johannes in een visioen de hemelse groep gezien die „uit elke stam en taal en elk volk en elke natie . . . voor God gekocht” is (Openbaring 5:9, 10). De grote schare heeft een zelfde afkomst maar een andere bestemming. In tegenstelling tot het Israël Gods is hun aantal niet vooraf bepaald. Niemand kan van tevoren zeggen hoeveel het er zullen zijn. Hun lange gewaden zijn wit gewassen in het bloed van het Lam, waardoor wordt afgebeeld dat zij op grond van hun geloof in Jezus’ offer een rechtvaardige positie voor het aangezicht van Jehovah innemen (Openbaring 7:14). En zij zwaaien met palmtakken om de Messías als hun Koning te begroeten.
7, 8. (a) Aan welke gebeurtenissen deed het zwaaien met palmtakken de apostel Johannes ongetwijfeld denken? (b) Wat is de betekenis van het feit dat de grote schare met palmtakken zwaait?
7 Terwijl Johannes de taferelen in dit visioen aan zijn oog ziet voorbijgaan, moeten zijn gedachten hem meer dan zestig jaar hebben teruggevoerd naar Jezus’ laatste week op aarde. Op 9 Nisan in 33 G.T., toen de scharen toestroomden om Jezus welkom te heten in Jeruzalem, namen zij „de takken van palmbomen en gingen hem tegemoet. En zij riepen voorts: ’Red toch! Gezegend is hij die komt in Jehovah’s naam, ja, de koning van Israël!’” (Johannes 12:12, 13) Insgelijks blijkt uit het feit dat de grote schare met palmtakken zwaait en luidkeels roept, dat ze uitgelaten van vreugde Jezus als de door Jehovah aangestelde Koning aanvaardt.
8 Ongetwijfeld doen de palmtakken en het vreugdegeroep Johannes ook denken aan het in de oudheid door Israël gevierde loofhuttenfeest. Met het oog op dit feest had Jehovah het volgende geboden: „En op de eerste dag moet gij u de vrucht van prachtige bomen nemen, de bladeren van palmbomen en de grote takken van wijdvertakte bomen en populieren van het stroomdal, en gij moet u zeven dagen voor het aangezicht van Jehovah, uw God, verheugen.” De palmtakken werden gebruikt als teken van verheuging. De tijdelijke loofhutten waren een herinnering aan het feit dat Jehovah zijn volk uit Egypte had gered en hen in tenten in de wildernis had doen wonen. Het feest was ook voor „de inwonende vreemdeling en de vaderloze jongen en de weduwe”. Heel Israël moest „alleen maar verheugd worden”. — Leviticus 23:40; Deuteronomium 16:13-15.
9. Welk vreugdegeroep heft de grote schare eensgezind aan?
9 Het is derhalve passend dat de leden van de grote schare, ofschoon zij geen deel uitmaken van het geestelijke Israël, met palmtakken zwaaien, aangezien zij, zoals Johannes hier ziet, vreugdevol en dankbaar de overwinning en de redding aan God en aan het Lam toeschrijven: „En zij blijven met een luide stem roepen en zeggen: ’Redding hebben wij te danken aan onze God, die op de troon is gezeten, en aan het Lam’” (Openbaring 7:10). Ofschoon de leden van de grote schare afgezonderd worden uit alle etnische groepen, roepen zij toch met slechts die ene „luide stem”. Hoe slagen zij hierin, hoewel zij uit verscheidene natiën en taalgroepen afkomstig zijn?
10. Hoe kan de grote schare met één „luide stem” een eensgezinde roep laten weerklinken, ofschoon ze uit verscheidene natiën en taalgroepen afkomstig is?
10 De leden van deze grote schare behoren tot de enige werkelijk verenigde internationale organisatie die tegenwoordig op aarde bestaat. De maatstaven waaraan zij vasthouden, verschillen niet van land tot land, maar overal waar zij wonen, passen zij de bijbelse beginselen consequent toe. Zij laten zich niet in met nationalistische, revolutionaire bewegingen, maar hebben werkelijk ’zwaarden tot ploegscharen gesmeed’ (Jesaja 2:4). Zij zijn niet in sekten of denominaties verdeeld, zodat zij niet net als de religies der christenheid verwarde of onderling tegenstrijdige boodschappen uitroepen; evenmin laten zij het aan een beroepsklasse van geestelijken over om voor hen een lofgezang aan te heffen. Zij roepen niet uit dat zij redding te danken hebben aan de heilige geest, want zij zijn geen dienstknechten van een drieënige god. In zo’n 200 geografische gebieden over de gehele aarde roepen zij eensgezind de naam van Jehovah aan, terwijl zij de ene zuivere taal der waarheid spreken (Zefanja 3:9). Terecht erkennen zij in het openbaar dat hun redding afkomstig is van Jehovah, de God van redding, via Jezus Christus, Zijn Voornaamste Bewerker van redding. — Psalm 3:8; Hebreeën 2:10.
11. Hoe heeft de moderne technologie ertoe bijgedragen dat de luide stem van de grote schare nog luider wordt?
11 De moderne technologie heeft ertoe bijgedragen dat de luide stem van de verenigde grote schare nog luider klinkt. Voor geen enkele andere religieuze groep op aarde bestaat de noodzaak bijbelstudiehulpmiddelen in ruim 400 talen uit te geven, aangezien geen enkele andere groep er belangstelling voor heeft alle volken der aarde met één verenigde boodschap te bereiken. Als een verder hulpmiddel in dit opzicht werd onder supervisie van het gezalfde Besturende Lichaam van Jehovah’s Getuigen een veeltalig elektronisch fotozetsysteem (MEPS) ontwikkeld. Ten tijde van het drukken van dit boek worden er op meer dan 125 lokaties over de gehele aarde verschillende MEPS-systemen gebruikt, en dit heeft het mogelijk gemaakt dat hun halfmaandelijkse tijdschrift, De Wachttoren, simultaan in ruim 130 talen wordt uitgegeven. Jehovah’s volk geeft in een aantal talen ook boeken simultaan uit, zoals dit boek bijvoorbeeld. Aldus zijn Jehovah’s Getuigen, onder wie de leden van de grote schare de overgrote meerderheid vormen, in staat om elk jaar honderden miljoenen publikaties in al de meer bekende talen te verspreiden, zodat nog talloze mensen uit alle stammen en talen Gods Woord kunnen bestuderen en hun stem kunnen voegen bij de luide stem van de grote schare. — Jesaja 42:10, 12.
In de hemel of op aarde?
12, 13. In welk opzicht ’staat de grote schare voor de troon en voor het Lam’?
12 Hoe weten wij dat „staande voor de troon” niet betekent dat de grote schare in de hemel is? Er is veel duidelijk bewijsmateriaal aangaande dit punt. Het hier met „voor” weergegeven Griekse woord (e·noʹpi·on) bijvoorbeeld betekent letterlijk „in [het] gezicht [van]” of „voor [het] aangezicht [van]” en wordt diverse keren gebruikt met betrekking tot mensen op aarde die zich „voor het aangezicht van” Jehovah bevinden (1 Timótheüs 5:21; 2 Timótheüs 2:14; Romeinen 14:22; Galaten 1:20). Bij één gelegenheid toen de Israëlieten in de wildernis waren, zei Mozes tot Aäron: „Zeg tot de gehele vergadering van de zonen van Israël: ’Nadert voor Jehovah, want hij heeft uw murmureringen gehoord’” (Exodus 16:9). De Israëlieten hoefden niet naar de hemel gebracht te worden om bij die gelegenheid voor het aangezicht van Jehovah te staan. (Vergelijk Leviticus 24:8.) In plaats daarvan stonden zij daar midden in de wildernis binnen het gezichtsveld van Jehovah, en zijn aandacht was op hen gericht.
13 Bovendien lezen wij: „Wanneer de Zoon des mensen gekomen zal zijn in zijn heerlijkheid . . . zullen [alle natiën] vóór hem vergaderd worden.” Het hele mensdom zal niet in de hemel zijn wanneer deze profetie in vervulling gaat. Stellig zullen degenen die „heengaan in de eeuwige afsnijding” niet in de hemel zijn (Matthéüs 25:31-33, 41, 46). De mensheid bevindt zich veeleer op aarde binnen het gezichtsveld van Jezus, en hij richt zijn aandacht op hen om hen te oordelen. Evenzo staat de grote schare „voor de troon en voor het Lam” in de zin dat ze zich binnen het gezichtsveld bevindt van Jehovah en zijn Koning, Christus Jezus, van wie ze een gunstig oordeel ontvangt.
14. (a) Wie staan volgens de beschrijving „rondom de troon” en „op de [hemelse] berg Sion”? (b) Waarom maakt het feit dat de grote schare God „in zijn tempel” dient, deze groep niet tot een priesterlijke klasse?
14 De 24 oudere personen en de groep van 144.000 gezalfden worden beschreven als zich bevindend „rondom de troon” van Jehovah en „op de [hemelse] berg Sion” (Openbaring 4:4; 14:1). De grote schare is geen priesterlijke klasse en geraakt niet tot die verheven positie. Weliswaar wordt later, in Openbaring 7:15, gezegd dat de grote schare God „in zijn tempel” dient. Maar met deze tempel wordt niet het binnenste heiligdom, het Allerheiligste, bedoeld. Er wordt veeleer gedoeld op het aardse voorhof van Gods geestelijke tempel. Het hier met „tempel” vertaalde Griekse woord naʹos wordt dikwijls in de ruime betekenis gebruikt en heeft dan betrekking op het geheel van het bouwwerk dat voor Jehovah’s aanbidding is opgetrokken. Thans is dit een geestelijk bouwwerk dat zowel hemel als aarde omvat. — Vergelijk Matthéüs 26:61; 27:5, 39, 40; Markus 15:29, 30; Johannes 2:19-21, NW, Studiebijbel, voetnoot.
-
-
Een talrijke grote schareDe Openbaring — Haar grootse climax is nabij!
-
-
[Paginagrote illustratie op blz. 121]
-