-
Hoe ver is de voorbereiding gevorderd?Het leven heeft wel degelijk een doel
-
-
Hoofdstuk 12
Hoe ver is de voorbereiding gevorderd?
1, 2. (a) Wat bedoelen de mensen gewoonlijk met de uitdrukking „God is dood”? (b) Waarom zeggen sommigen dit?
IN ONS onderzoek tot dusver is veel over Gods voornemen gezegd. Maar wat heeft hij tot nu toe gedaan om dat voornemen tot voltooiing te brengen? Sommige mensen, die de wereldaangelegenheden niet beter zien worden, zeggen dat ’God dood is’, waarmee zij bedoelen dat hij niets doet om de mensheid te helpen.
2 Dat zij er zo’n zienswijze op na houden, komt doordat er een mate van geloof voor nodig is om te zien hoe God op progressieve wijze voorbereidingen heeft getroffen voor een rechtvaardig nieuw samenstel van dingen dat de aarde zal besturen. „Geloof”, zo zegt de bijbel, „is de verzekerde verwachting van dingen waarop wordt gehoopt, de duidelijke demonstratie van werkelijkheden die echter niet worden gezien.” — Hebreeën 11:1.
3. Hoe beziet een persoon die geen geloof heeft, de dingen?
3 Een persoon die geen geloof heeft, koestert geen werkelijke verwachting of hoop met betrekking tot God omdat hij niet gelooft wat God belooft. Voor zo iemand lijken de dingen die hij ziet, oppervlakkig beschouwd in strijd met datgene waarnaar degene die wel geloof heeft, uitziet. Maar waarom verlangt God geloof?
4. Waarom verlangt God geloof?
4 God is als een vader, die wil dat zijn kinderen hem liefhebben wegens zijn goedheid en dat zij zijn beloften aanvaarden zonder alles te moeten zien voordat zij hun vader geloven. Een kind dat geen geloof stelt in een goede vader, zal ook ongehoorzaam zijn en zal ten slotte moeilijkheden en schande over het gezin brengen. Zo’n kind verdient geen ouderlijke genegenheid. Maar net als in het geval van een goede vader, gaat Gods hart uit naar degenen van zijn aardse schepselen die in geloof naar hem opzien, en helpt hij hen. — Psalm 119:65-68.
5, 6. (a) Illustreer hoe gebeurtenissen voor mensen zonder geloof heel bedrieglijk kunnen zijn. (b) Wat was het verschil tussen de christenen en de meerderheid der joden in 66-70 G.T.?
5 Hoe bedrieglijk de dingen er oppervlakkig beschouwd kunnen uitzien, vergeleken met de wijze waarop mensen met geloof de ware situatie bezien, wordt geïllustreerd in het geval van de verwoesting van Jeruzalem in 70 G.T. Jezus had ongeveer drieëndertig jaar voordat het gebeurde, voorzegd dat er een tijd zou komen waarin Jeruzalem door legers omsingeld zou worden. Wanneer dat gebeurde, zo zei hij, moesten christenen de stad onmiddellijk verlaten, want de verwoesting van Jeruzalem zou nabij zijn (Lukas 21:20-24). Volgens de eerste-eeuwse joodse geschiedschrijver Josephus werd Jeruzalem in 66 G.T. door de Romeinen onder generaal Cestius Gallus omsingeld, die van plan waren de stad in te nemen. Maar om de een of andere onverklaarbare reden trok Gallus zich terug. Die joden en anderen die christenen waren geworden, vluchtten toen onmiddellijk, omdat zij beseften dat dit precies datgene was wat Jezus had geprofeteerd. Andere joden achtervolgden Gallus’ troepen echter en brachten zijn leger zware verliezen toe.
6 De meeste joden in Jeruzalem waren opgetogen over hun overwinning. Het gevaar scheen geweken. Maar de christenen trachtten niet naar Jeruzalem terug te keren. In de ogen van de joden die waren achtergebleven, kan dit dwaas hebben geleken. Maar nog geen vier jaar later keerden de Romeinen onder generaal Titus terug en werd de stad met meer dan negen tiende van haar inwoners volledig verwoest. Ja, degenen die geloof hadden, zagen datgene wat niet aan de oppervlakte verscheen en redden hun leven. Zij zagen iets wat de joden in het algemeen, hoewel zij de gelegenheid hiertoe hadden, niet zagen. Als volk hadden de joden Jezus Christus verworpen, en derhalve hadden zij de wijsheid verworpen die hen had kunnen redden. — Vergelijk Jeremia 8:9.
7. Hoe kunnen wij weten dat God tot nu toe aan de vervulling van zijn belofte heeft gewerkt?
7 Wij moeten het juiste perspectief krijgen met betrekking tot datgene wat God tot nu toe heeft gedaan om, zoals hij heeft beloofd, een eind aan het lijden van de mensheid te maken. Hoe kunnen wij dit doen? Door het historische bericht te onderzoeken. Wanneer wij dit doen, zullen wij zien dat God vanaf het begin van de moeilijkheden der mensheid op progressieve wijze aan de verwezenlijking van zijn voornemen heeft gewerkt. Wij zullen niet slechts theorieën of speculaties zien, maar „de duidelijke demonstratie van werkelijkheden”, waarop een vast geloof gebouwd kan worden.
HET LEGGEN VAN EEN FUNDAMENT
8. Waarom heeft God er een lange tijd over gedaan om zijn heerschappij over de aarde in te voeren?
8 Jehovah heeft beloofd dat hij de gehele aarde zal besturen en vrede en eenheid tot stand zal brengen. Maar hij zal niet eenvoudig door middel van machtsbetoon heersen. Het is zijn voornemen mensen te onderrichten en op te leiden, zodat zij hem leren kennen en zich gewillig aan zijn bestuur onderwerpen (Psalm 110:3). Met het oog hierop is er tijd voor nodig geweest om een fundament te leggen voor een gehele mensenwereld die hem zou dienen. God moest kennis verschaffen omtrent de maatstaven en beginselen van zijn rechtvaardige bestuur en aangaande de wijze waarop dit bestuur werkzaam is.
9. Waarom is de manier waarop God ons onderwijst, beter dan wanneer hij met een luide stem vanuit de hemel zou spreken?
9 Maar Jehovah is een onzichtbare God (1 Timótheüs 1:17). Hoe zou hij dit dan aan mensen van vlees en bloed duidelijk maken? Niet slechts door een tentoonspreiding van macht, door op ontzag inboezemende wijze vanuit de hemel te spreken. Neen, God zou zijn beginselen en hoedanigheden onthullen door de wijze waarop hij met mensen handelde. Hoeveel leerzamer, overtuigender en treffender zou het zijn niet alleen Gods verklaringen, zoals deze door getrouwe mannen waren opgetekend, te horen en te lezen, maar bovendien in het historische bericht het bewijs te zien dat hij datgene wat hij heeft gezegd, ook ten uitvoer heeft gebracht.
10. Wanneer toonde God voor het eerst op treffende wijze aan de wereld dat hij geen inactieve God is, maar belangstelling heeft voor de aangelegenheden der mensen?
10 Gedurende het eerste deel van de geschiedenis der mensheid — tot aan de tijd van de Vloed — liet Jehovah God de mensen de weg gaan die zij verkozen en liet hij hen vrij om al dan niet in hem te geloven. Maar hij toonde dat hij geen ’dode’ of inactieve God was toen hij die wereld vernietigde. De reden hiervoor was, dat de wereld zo verdorven was geworden dat de reine aanbidding en het leven van degenen die het goede wilden doen, in gevaar werden gebracht. De weinigen die destijds Gods heerschappij erkenden, werden door hem in de ark bewaard. — Genesis 6:11-13, 17-20; 1 Petrus 3:20.
11, 12. (a) Hoe ging God na de Vloed te werk? (b) Welke dingen heeft God voor het oog van de mensen duidelijk gemaakt door een fundament voor zijn regering over de aarde te leggen?
11 Na de Vloed ging God ertoe over een fundament te leggen voor zijn toekomstige bestuur van de aangelegenheden op aarde, welk bestuur uitgeoefend zou worden door bemiddeling van het beloofde „zaad”, de Messías. Ondertussen liet God de natiën hun onafhankelijke weg bewandelen en een bericht opbouwen waardoor bewezen wordt dat mensen niet in staat zijn zichzelf te besturen.
12 Bij het leggen van het fundament voor zijn regering over de aarde heeft Jehovah de volgende noodzakelijke dingen verschaft: (1) een vaste basis voor geloof in het bestuur dat hij zou verschaffen, (2) kennis omtrent de beginselen van zijn regering, (3) een tentoonspreiding van zijn hoedanigheden als Universele Regeerder en (4) een zekere en onmiskenbare identificatie van de Messías, Degene die de Bevrijder van de mensheid zou zijn, alsmede de Koning die in Jehovah’s naam zou regeren (Galáten 3:24). Terzelfder tijd heeft een vergelijking met menselijke heerschappij aangetoond dat Gods heerschappij superieur is, dat ze Hem alleen toekomt en Hij er recht op heeft te regeren.
ÉÉN NATIE UITGEKOZEN TOT NUT VAN ALLEN
13, 14. Wat heeft God tot nut van ons tot stand gebracht door de natie Israël uit de oudheid te gebruiken?
13 Hoe ging God te werk om zo’n fundament te leggen? In de eerste plaats koos hij één natie uit, de natie Israël uit de oudheid, om als een levend voorbeeld te dienen door middel waarvan hij zijn beginselen en handelingen kon demonstreren. Daardoor openbaarde Jehovah zichzelf en zijn schitterende hoedanigheden van gerechtigheid en wijsheid wanneer hij Israël wegens hun zonden kastijdde, want zij bleken voor het grootste deel ongehoorzaam te zijn (Romeinen 10:21). Voorts toonde hij ook zijn liefde, barmhartigheid en lankmoedigheid jegens hen telkens wanneer zij berouw hadden.
14 Bovendien toont de geschiedenis van Israël aan wat er gebeurt wanneer Gods wijze, rechtvaardige wetten al dan niet worden gehoorzaamd, terwijl de geschiedenis van de wereld onthult hoe het degenen vergaat die zonder het voordeel van de goddelijke wet leven. — 1 Korinthiërs 12:2; Efeziërs 4:17-19.
WAAROM ISRAËL WERD UITGEKOZEN
15. Toonde God partijdigheid door de natie Israël te gebruiken? Licht dit toe.
15 Waarom werd Israël, en niet een andere natie, uitgekozen? Niet omdat de Israëlieten beter waren, maar vanwege Gods liefde jegens hun voorvader Abraham (Deuteronomium 7:7, 8; 2 Koningen 13:23). Ongeveer vierhonderd jaar na de Vloed bevond Jehovah dat Abraham een man was die God op zijn woord aanvaardde en Hem onvoorwaardelijk geloofde en gehoorzaamde (Genesis 15:1, 6; Romeinen 4:18-22). Dientengevolge ontving Abrahams nageslacht via zijn getrouwe vrouw Sara de unieke zegen, uitgekozen te worden als het volk dat door Jehovah God gebruikt zou worden om het voornemen dat hij in gedachten had, te verwezenlijken. Het beloofde „zaad” zou via Abraham, Isaäk en Jakob komen.
16, 17. Deed God de andere natiën onrecht aan door met Israël uit de oudheid te handelen? Licht dit toe.
16 De andere natiën uit die tijd gingen hun eigen weg van zelfbestuur en ongehoorzaamheid aan God. God stond ze toe zich te verheugen in de zon en de regen en de opbrengst van de aarde (Handelingen 14:16, 17; Matthéüs 5:45). God bemoeide zich niet met ze, behalve wanneer individuele personen uit het midden van deze natiën in geloof tot hem kwamen, of wanneer deze natiën inbreuk maakten op de aangelegenheden van zijn uitverkoren natie. — Deuteronomium 32:8.
17 Maar Jehovah had de andere natiën niet vergeten. Hoewel hij zich exclusief met Israël inliet, werkte hij aan de volvoering van een voornemen om later de mensen van deze natiën te zegenen, ofschoon zij volkomen onwetend hiervan waren. — Genesis 22:18.
18. Stond het volk Israël onder een zwaarder oordeel doordat het door God gebruikt en gezegend werd?
18 Niemand kan zich erover beklagen dat God één natie uitkoos om dit fundament voor ons geloof en begrip in deze tijd te verschaffen. Israël werd gedurende deze periode weliswaar boven de andere natiën gezegend, maar doordat Jehovah zijn naam op die natie had gelegd, droeg ze ook een zeer zware verantwoordelijkheid, die de andere natiën niet hadden. Israël was rechtstreeks rekenschap verschuldigd aan God. Het volk werd door Jehovah zwaar gekastijd wanneer het zijn wetten overtrad. — Deuteronomium 28:15-68.
19. Hoe hebben wij, zoals uit Romeinen 3:1, 2 blijkt, nog meer voordeel getrokken van het feit dat Israël uit de oudheid door God werd gebruikt?
19 Nog een doel dat door het gebruiken van één natie werd bereikt, was dat de waarheid bewaard bleef. Dit deed God door Israël afgescheiden te houden van de ongelovige volken rondom hen, door die natie streng te onderrichten en ze bijeen te houden onder zijn Wetsverbond. Hij vertrouwde de natie ook zijn „heilige uitspraken” toe, die wij thans in de bijbel aantreffen (Romeinen 3:1, 2). Ondertussen bleven de andere natiën, onder hun menselijke heerschappij, een grote verscheidenheid van valse goden van hun eigen maaksel dienen, terwijl ze er allerlei verwarrende leerstellingen op na hielden. — Psalm 96:5; 115:2-8.
20. (a) Wat werd als het belangrijkste door de aan Israël gegeven wet tot stand gebracht? (Romeinen 10:4) (b) Welke goede dingen ontvangen wij nog meer wanneer wij de Hebreeuwse Geschriften bestuderen?
20 Voorts leidde Jehovah gedurende al deze tijd de aangelegenheden zo dat de voortreffelijkste gave aan de mensheid geschonken kon worden — het voornaamste „zaad” der belofte, Christus Jezus, de Koning van Gods koninkrijk, dat de aarde zal besturen. Door bemiddeling van hem zal God alle gehoorzame mensen leven schenken (Handelingen 17:30, 31). Hoe duidelijk treedt Gods wijsheid aan het licht doordat hij ervoor heeft gezorgd dat de Messías, toen deze ten slotte kwam, onmiskenbaar geïdentificeerd kon worden en men derhalve op grond daarvan geloof in hem kon stellen! De Allerhoogste heeft in deze positieve identificatie voorzien door middel van de genealogie, de chronologie en de profetieën van de Hebreeuwse Geschriften (Johannes 5:39). Bovendien verschaft het historische bericht dat in de Hebreeuwse Geschriften bewaard is gebleven, niet alleen troost en hoop, maar dient het tevens als een richtsnoer voor het huidige leven. Het bevat zowel afschaduwingen als voorbeelden voor „ons, tot wie de einden van de samenstelsels van dingen gekomen zijn”. — 1 Korinthiërs 10:11; Hebreeën 10:1.
JEZUS KIEST MEDEREGEERDERS UIT
21, 22. Waarom ging Jezus, toen hij op aarde was, selectief te werk bij het uitkiezen van zijn intieme discipelen? (Lukas 9:57-62)
21 Ten slotte verscheen de langverwachte Messías. Als Gods gezalfde ging Jezus Christus, in navolging van God, selectief te werk bij het uitkiezen van degenen die zijn intieme discipelen zouden zijn (Lukas 8:38, 39). Hij was weliswaar op aarde om de losprijs te verschaffen voor de redding van alle mensen die deze losprijs zullen aanvaarden (Matthéüs 20:28; Johannes 3:16). Maar hij wist dat hij pas later het Hoofd zou zijn van een koninkrijk dat de voordelen van zijn offer aan de gehele mensheid zou doen toekomen. En evenals elke regeerder die nog niet in zijn ambt geïnstalleerd is, eerst aan de personen denkt die hij in belangrijke bestuursfuncties onder zich zal plaatsen, was Jezus allereerst geïnteresseerd in degenen die met hem in de Koninkrijksregering verbonden zouden zijn. — Lukas 22:28, 29; Johannes 17:12.
22 Bijgevolg koos Jezus, door middel van gebed en onder leiding van Gods geest, eerst zijn apostelen uit (Lukas 6:12-16). Zij zouden het fundament vormen van een bestuurslichaam dat onder hem als Hoofd werkzaam zou zijn.
23. (a) Welke hoop werd door middel van de prediking van Jezus en zijn apostelen in het vooruitzicht gesteld? (b) Zouden deze discipelen terwijl zij op aarde waren, over andere mensen regeren? (1 Korinthiërs 4:8)
23 Bij het lezen van de christelijke Griekse Geschriften merken wij op dat aan allen die de prediking van Jezus en zijn apostelen aanvaardden, de hoop in het vooruitzicht werd gesteld met Jezus Christus in zijn hemelse Koninkrijksheerschappij te delen (2 Timótheüs 2:12; Hebreeën 3:1; 1 Petrus 1:1-4). Terwijl deze discipelen op aarde waren, zouden zij echter geen regeerders zijn, maar zouden zij eenvoudig als „de gemeente van God” bekendstaan. Zij zouden de voortreffelijkheden van God alleen maar aan de mensen bekendmaken. — 1 Petrus 2:9.
24. Welk voornaamste werk van God is vanaf de tijd van Christus’ opstanding tot nu toe ten uitvoer gebracht?
24 De lange tijdsperiode na Christus’ dood en zijn aanvaarding van Koninkrijksmacht zou derhalve in beslag genomen worden door het uitkiezen, opleiden, beproeven, toetsen en geschikt maken van degenen die met Christus zouden regeren. De vereisten waren zeer streng. Volgens de Schrift beperkte God het aantal van dit uitgekozen bestuurslichaam onder Jezus Christus tot 144.000 personen. — Openbaring 14:1-3.
25. Wat is het doel van de zware beproeving die de toekomstige leden van Christus’ Koninkrijksregering ondergaan?
25 Deze toekomstige koningen en priesters worden door middel van de vele beproevingen die zij ondergaan, door Jehovah opgeleid en streng onderricht. Aldus worden zij precies geschikt gemaakt voor de plaats die hij voor hen in zijn regering heeft (Efeziërs 2:10; Romeinen 8:29). Bovendien kan hij, doordat zij aldus op volmaakte wijze opgeleid en beproefd worden, er zeker van zijn dat zij tot in eeuwigheid loyaal zullen blijven en rechtschapen regeerders zullen zijn. Over hen staat geschreven: „In hun mond werd geen onwaarheid gevonden; zij zijn zonder smet” (Openbaring 14:5). Dit betekent dat zij vlekkeloos zijn in hun toewijding en rechtschapenheid. (Vergelijk Romeinen 7:25.) Zij zijn in elk opzicht betrouwbaar. Jehovah kan hun veilig onsterfelijk hemels leven geven (1 Korinthiërs 15:50-54). Maar laten wij nu eens zien hoe God ook de rest van de mensheid in gedachten had toen hij degenen die hij als zijn regeringslichaam zou gebruiken, beproefde en goedkeurde.
BARMHARTIGE REGEERDERS VERZEKERD
26. Hoe kwam Christus ervoor in aanmerking de Hogepriester en Regeerder van de mensheid te worden?
26 Jezus Christus, het Hoofd van de gemeente, werd zeer zwaar op zijn geschiktheid beproefd. Wij lezen over hem: „Wij hebben als hogepriester niet iemand die geen medegevoel kan hebben met onze zwakheden, maar iemand die in alle opzichten evenals wij beproefd is, maar zonder zonde” (Hebreeën 4:15). Hoe wijs en billijk was dit van Gods zijde! De Regeerder die hij over de mensheid aanstelt, zal derhalve nooit onrechtvaardig of partijdig handelen.
27. Welke ondervindingen hebben hem ervoor toegerust een regeerder te zijn in wie wij volledig geloof kunnen stellen?
27 Bovendien begrijpt Christus, wegens zijn vroegere ervaring in de hemel, waar hij met zijn Vader heeft samengewerkt bij de schepping van alle andere dingen, de menselijke geaardheid (Johannes 1:10; 2:25). Maar meer dan dat, door een mens van vlees en bloed op aarde te worden, ondervond hij wat het zeggen wil God onder ongunstige omstandigheden te dienen. Hij begrijpt menselijke problemen volledig. Hij weet wat het zeggen wil lijden te ondergaan (Hebreeën 5:7-9). Alle mensen kunnen volledig geloof stellen in Christus’ heerschappij, wetend dat hij met succes dezelfde beproevingen heeft ondergaan en weet wat mensen nodig hebben. — Hebreeën 4:16; Johannes 16:33.
28. Waarom is de periode van 1900 jaar die God tot nu toe heeft vergund, geen tijdverspilling geweest?
28 Beschouw ook eens hoe wijs God te werk is gegaan bij het uitkiezen van het lichaam van 144.000 medekoningen en -priesters. Het is geen tijdverspilling geweest. Gedurende het ruime tijdsbestek van de afgelopen negentien eeuwen zijn deze mannen en vrouwen uit alle maatschappelijke lagen van de bevolking, alle rassen en talen en alle achtergronden gekozen. Er is eenvoudig geen probleem dat sommigen van hen niet onder de ogen hebben gezien en hebben overwonnen. Ook zij zullen medegevoelende en barmhartige mederegeerders zijn, die in staat zullen zijn mannen en vrouwen van allerlei aard te helpen.
FUNDAMENT VOOR EEN „NIEUWE AARDE”
29. Welke voorbereiding moet God nog meer treffen opdat door middel van zijn koninkrijk zijn wil „gelijk in de hemel, alzo ook op aarde” wordt gedaan? (Matthéüs 6:10)
29 Zijn met het uitkiezen van de laatsten van degenen die hemelse koningen en priesters met Christus zullen worden, Gods voorbereidingen tot een einde gebracht? Betekent dit dat de duizendjarige heerschappij dan kan beginnen, en de opstanding van de doden kan plaatsvinden? Neen, want eerst moet God de aarde reinigen door het verdorven samenstel van dingen dat thans bestaat, te vernietigen. Wanneer hij dit doet, zal hij echter geen „vacuüm” achterlaten. Dat wil zeggen, hij zal de aarde geen verlaten oord laten zijn, zonder leven, zonder mensen die hem dienen, evenmin als hij dit bij de Vloed heeft gedaan (Jesaja 45:18). Integendeel, God zal ervoor zorgen dat er overlevenden zijn, die er een begin mee zullen maken de aarde in een paradijs te veranderen. Zij zullen aanwezig zijn wanneer de tijd komt om de doden te verwelkomen, en zij zullen hen helpen de weg ten leven te bewandelen.
30. Welke groep van mensen zal God nog meer bijeenbrengen, opdat zij de vernietiging van het huidige samenstel van dingen kunnen overleven?
30 Wie zullen de overlevenden van die vernietiging zijn? De apostel Johannes, die het visioen beschrijft dat Christus hem gaf, zegt, na gesproken te hebben over de 144.000 Koninkrijkserfgenamen: „Na deze dingen zag ik, en zie! een grote schare, die niemand tellen kon, uit alle natiën en stammen en volken en talen.” De engel die het visioen overbracht, verklaarde vervolgens uit wie deze ongetelde mensenmenigte bestond: „Dezen zijn het die uit de grote verdrukking komen, en zij hebben hun lange gewaden gewassen en hebben ze wit gemaakt in het bloed van het Lam.” — Openbaring 7:9, 14; Jesaja 2:2-4.
31. Welke rol zal de „grote schare” in Gods progressieve voornemen spelen?
31 Deze mensen zullen een kern vormen, het „fundament” van een „nieuwe aarde”. (Vergelijk Jesaja 51:16.) Nadat zij de „grote verdrukking” hebben overleefd, zullen zij onmiddellijk onder leiding van de „nieuwe hemelen”, bestaande uit Christus en zijn 144.000 medekoningen en -priesters, aan de slag gaan om de aarde te onderwerpen. Zij zullen als Gods vertegenwoordigers de ware aanbidding op aarde beoefenen en zullen de uit de doden opgewekte personen in de ware aanbidding onderwijzen. Zij zullen er vanzelfsprekend voor zorgen dat er voedsel en onderdak voor deze mensen is, en zij zullen hen in de wegen van rechtvaardigheid onderwijzen.
32. Uit wie zal de „grote schare” bestaan, en wanneer worden zij uitgekozen en bijeengebracht?
32 Aangezien de leden van de „grote schare” de „grote verdrukking” zullen overleven, ligt het voor de hand dat zij bijeengebracht zouden worden uit het midden van de mensen die vlak vóór het einde van het huidige samenstel van dingen zouden leven. Dit bijeenvergaderingswerk maakt derhalve ook deel uit van Gods voorbereidende werk voordat de duizendjarige regering van Christus begint. Het bijeenbrengen van de „grote schare” duurt echter geen eeuwen, zoals het geval was toen God met Israël handelde en, later, de 144.000 medeërfgenamen met Christus bijeenbracht. Niettemin vergt het tijd. Het uitkiezen en bijeenbrengen van de „grote schare” geschiedt thans en zal kennelijk gedurende de levensduur van één geslacht voltooid zijn. Sommigen van dat geslacht zullen in leven blijven en de invoering van Christus’ duizendjarige regering meemaken. — Lukas 21:32.
33, 34. (a) Wat heeft God gedurende de ongeveer 6000 jaar van de geschiedenis der mensheid tot stand gebracht? (b) Zou men terecht kunnen zeggen dat ’God dood is’ of dat hij traag is?
33 Wanneer wij alles samenvatten, zien wij dat God beslist geen tijd heeft verspild (2 Petrus 3:9). Hij heeft de mensheid een bericht laten opbouwen waaruit blijkt dat de mens niet met succes de wereld kan besturen. Hij heeft zijn geduld en zijn goede hoedanigheden getoond in de progressieve stappen die hij heeft ondernomen om zijn Koninkrijksheerschappij in te voeren. Hij heeft getoond wat voor een bestuur hij uitoefent. En hij heeft ons een overvloed aan bewijzen gegeven dat Jezus Christus de voornaamste van het beloofde „zaad” van Abraham is, de Messías, de Koning die de aarde in rechtvaardigheid zal regeren. — Galáten 3:16.
34 Dientengevolge kunnen degenen die dit oprecht wensen, Jehovah God leren kennen. Zij kunnen een krachtig geloof in zijn voornemen verwerven, want zij hebben werkelijkheden waarop zij dat geloof kunnen baseren.
[Illustratie op blz. 141]
De overlevenden van de grote verdrukking zullen mensen zijn die thans blijk geven van geloof in Gods beloften
-
-
Een afschaduwing van toekomstige dingenHet leven heeft wel degelijk een doel
-
-
Hoofdstuk 13
Een afschaduwing van toekomstige dingen
1. Wat maakt het voor iemand moeilijk onder de huidige wetsregeling recht te verkrijgen?
TEGENWOORDIG bevatten de wetboeken van de meeste natiën zo’n warnet van bepalingen dat de persoon die recht zoekt, er gewoonlijk verstandig aan doet niet te trachten zelf voor advocaat te spelen. Bovendien zijn er „mazen” in de wet, zodat gewoonlijk de rijken worden begunstigd. Zou het niet aangenaam zijn onder een wetstelsel te leven dat eerlijk en eenvoudig was — zodat een rechtszaak geen kostbare aangelegenheid zou zijn, zelfs niet voor de gewone man, en zodat iedereen, rijk of arm, zijn zaak op informele wijze voor het gerecht zou kunnen brengen en op onpartijdige wijze gehoord zou kunnen worden?
2, 3. Waarom is het nuttig voor ons de wet die God aan Israël gaf, te beschouwen?
2 Dit was het geval met het Mozaïsche wetstelsel dat God aan Israël gaf. Over deze wet zegt de bijbel: „De rechterlijke beslissingen van Jehovah zijn waarachtig; ze zijn alle te zamen rechtvaardig gebleken” (Psalm 19:9). Dat Jehovah’s rechterlijke beslissingen voortreffelijk zijn, blijkt uit een onderzoek van enkele van de voorschriften die deel uitmaken van dit uit iets meer dan 600 wetten bestaande stelsel.
3 Hoewel christenen niet onder die aan Israël gegeven wet staan, is het toch nuttig deze te beschouwen. Waarom? Omdat de Wet verduidelijkt hoe Jehovah aangelegenheden beziet en opheldering verschaft omtrent de beginselen op grond waarvan hij te allen tijde met zijn schepping handelt.
4. Welke positie en autoriteit had Jehovah in de oudheid in Israëls regering?
4 Het regeringsbestuur van Israël was uniek doordat Jehovah de opperste en absolute Regeerder was. Hij was de Koning en bovendien was hij God, het religieuze Hoofd van de natie. De profeet Jesaja zei: „Jehovah is onze Rechter, Jehovah is onze Wetgever, Jehovah is onze Koning; hijzelf zal ons redden.” — Jesaja 33:22.
5. Hoe was in Israël gehoorzaamheid aan de wet tevens een beoefening van de ware aanbidding?
5 Afgoderij, of de aanbidding van enige andere god, was derhalve tevens verraad, een vergrijp tegen de regering. Evenzo was een flagrante overtreding van de wet van het land een daad van minachting jegens God, het Hoofd van de aanbidding van de natie. Een opzettelijke overtreding van de wet stond gelijk met laster. Gehoorzaamheid aan de wet maakte derhalve deel uit van de ware aanbidding.
BURGERRECHTEN
6, 7. Beschrijf hoe burgerrechten werden beschermd.
6 Er bestonden onder de Wet geen problemen op het gebied van burgerrechten wanneer de rechters en bestuurders van de natie God gehoorzaamden. De Wet beschermde de ingeborene, de inwonende vreemdeling en zelfs de buitenlander die tijdelijk in het land vertoefde. — Exodus 22:21; 23:9; Leviticus 19:33, 34.
7 Onder de Wet werd de arme niet van recht verstoken omdat hij arm was, noch de rijke enkel omdat hij rijk was. — Leviticus 19:15; Exodus 23:3.
VRIENDELIJKE CONSIDERATIE JEGENS DE ARMEN
8. Hoe werd er door de Wet consideratie jegens de armen betoond?
8 De economie van Israël bestond hoofdzakelijk in landbouw, waarbij elke man een stuk land als erfdeel had. Sommige Israëlieten zouden, door een slecht beleid of financiële tegenslagen, arm kunnen worden, zodat zij hun land moesten verkopen. Ook inwonende vreemdelingen konden soms in slechte omstandigheden geraken. Uit vriendelijkheid jegens hen was de regeling getroffen dat elke boer bij het oogsten niet de randen van zijn veld mocht afoogsten. Hij diende ook elke korenschoof die door de oogsters was vergeten, te laten staan (Leviticus 19:9, 10; Deuteronomium 24:19-21). Dit werd als een nalezing voor de arme achtergelaten. — Ruth 2:15, 16.
9, 10. Hoe trokken alle mensen voordeel van de wetten waardoor arme personen werden beschermd?
9 Natuurlijk vergde dit werk van de zijde van de arme persoon, want aren lezen was niet gemakkelijk. Dientengevolge waren er geen werkloze armen, die door de regering onderhouden moesten worden — steuntrekken en sociale verzorging waren onbekende begrippen (Deuteronomium 15:11; Ruth 2:3, 7). Dit komt overeen met het christelijke beginsel dat in 2 Thessalonicenzen 3:10 staat, waar wij lezen: „Als iemand niet wil werken, laat hij dan ook niet eten.”
10 Behalve dat er regelingen getroffen waren dat de arme in zijn eigen levensonderhoud kon voorzien, werden alle burgers ertoe verplicht de behoeftigen met edelmoedigheid te bejegenen. Dit bevorderde de broederschap en de nationale eenheid. — Leviticus 25:35-38.
EEN „SLAVERNIJ” DIE NIET ONDERDRUKKEND WAS
11. Waarom was in het oude Israël slavernij niet hardvochtig en onderdrukkend, zoals dit in meer recente tijden het geval is geweest?
11 De „slavernij” in Israël was niet zoals de onderdrukkende slavernij die wij in meer recente tijden kennen. Ze voorzag in werkelijkheid in bescherming van een gezin dat, als gevolg van financiële tegenslagen of een rampspoed, het stuk land dat zij als erfdeel bezaten, moest verkopen en dat ten slotte, nadat zij het van de koop ontvangen geld hadden gebruikt, behoeftig was geworden. Of misschien waren zij zwaar in de schuld geraakt. In plaats van zelfstandig te blijven werken zoals voorheen, kon het gezin, of bepaalde leden ervan, dan in „slavernij” gaan. Maar deze slavernij kwam veel overeen met ons hedendaagse beginsel van tewerkstelling, namelijk dat men voor iemand anders werkt, hetgeen voor velen een vorm van ’economische slavernij’ is.
12. Welke regeling was voor Hebreeuwse „slaven” getroffen?
12 De Hebreeuwse „slaaf” mocht bijvoorbeeld niet als eigendom worden behandeld, maar moest als een „loonarbeider” worden beschouwd. Voorts moest hij na zes jaar van dienstbaarheid worden vrijgelaten (Leviticus 25:39-43). Zijn meester of „werkgever” moest hem dan, naar gelang de meester welstand genoot, stoffelijke dingen geven ten einde de man en zijn gezin te helpen opnieuw te beginnen (Deuteronomium 15:12-15). Door deze regeling werd voorkomen dat een gezin behoeftig werd en konden zij over voedsel en kleding beschikken totdat zij in hun eigen onderhoud konden voorzien.
13. (a) Welke mogelijkheid bestond er om vrij te komen voordat de normale zes jaar van dienstbaarheid ten einde waren? (b) In welke bescherming was voorzien voor jonge Hebreeuwse meisjes die slavinnen waren?
13 Bovendien kon de persoon, terwijl hij in „slavernij” verkeerde, aan projecten meewerken of anderszins zaken doen of geld investeren, zodat een man zich in sommige gevallen uit zijn dienstbaarheid kon loskopen. Of hij kon door een naaste bloedverwant, die zijn schulden voor hem betaalde, worden losgekocht, waarna hij vrij was (Leviticus 25:47-54). Een dochter die in „slavernij” ging, werd dikwijls door haar meester tot vrouw genomen. Net als in het geval van elke andere vrouw, moest haar alles worden gegeven waar zij recht op had. — Exodus 21:7-11.
BESCHERMING VOOR VROUWEN
14. Hoe werd een gescheiden vrouw beschermd?
14 Vrouwen werden door de huwelijkswetten beschermd. Een man moest een deugdelijke reden hebben om van zijn vrouw te scheiden, terwijl hij haar bovendien een echtscheidingscertificaat moest geven. Het echtscheidingscertificaat beschermde haar, zodat er, in geval zij zou hertrouwen, geen valse beschuldigingen tegen haar ingebracht konden worden. — Deuteronomium 24:1; zie Jezus’ verklaring in verband met echtscheiding in Matthéüs 19:3-9.
15. Door welke wetten werd hoererij tegengegaan?
15 Een man die een maagd die niet verloofd was, verleidde, moest haar, met goedvinden van haar vader, trouwen en kon nooit van haar scheiden (Deuteronomium 22:28, 29; Exodus 22:16, 17). Was de vrouw verloofd, dan kreeg de man de doodstraf, waardoor zij tegen seksuele aanranding werd beschermd, hetgeen net zo ernstig werd geacht als moord. — Deuteronomium 22:25-27.
16. (a) Was polygamie oorspronkelijk door God ingesteld? (Matthéüs 19:4-6) (b) Waarom werd polygamie in het oude Israël door God getolereerd?
16 Hoewel polygamie werd toegestaan, waren hier in het belang van de vrouw wettelijke voorzieningen voor getroffen. Polygamie, een van oudsher bestaand gebruik, werd getolereerd omdat het niet Gods tijd was om alle dingen recht te zetten. God wachtte tot de tijd van het christendom om de oorspronkelijke staat van monogamie te herstellen (1 Korinthiërs 7:2). God heeft zijn volk altijd onderwezen en geleid naar gelang zij het konden bevatten en correctie van hun wegen konden aanvaarden. Jezus zei in Johannes 16:12 tot zijn discipelen: „Nog vele dingen heb ik u te zeggen, maar gij kunt ze op het ogenblik niet dragen.” Na Jezus’ dood en opstanding werden derhalve veel dingen voor hen duidelijk gemaakt en rechtgezet.
17. Hoe werd de minder beminde vrouw in een polygaam huwelijk beschermd?
17 In een polygaam huwelijk werd dikwijls één van de vrouwen door de echtgenoot begunstigd. De Wet beschermde echter de minder beminde vrouw. Indien haar zoon bijvoorbeeld de eerstgeborene van de vader was, zou hem het eerstgeboorterecht niet onthouden worden, want de vader kon het niet aan een zoon geven die later aan een favoriete vrouw werd geboren. — Deuteronomium 21:15-17.
18. Hoe werden vrouwen, zelfs onder Israëls vijanden, beschermd?
18 Zelfs vrouwen in vijandelijke steden werden niet seksueel gemolesteerd. En ook werden er geen prostituées in de nabijheid van legerkampen aangetroffen, want soldaten die aan de oorlog deelnamen, mochten geen seksuele betrekkingen hebben. — Deuteronomium 21:10-14.
HET STRAFRECHT
19. Welk voordeel had het dat er in het oude Israël geen gevangenissen waren?
19 Het strafrecht was veel beter dan de strafwetgeving in deze tijd. Er waren onder de Wet geen voorzieningen getroffen voor gevangenissen. Pas later, gedurende de regering van de koningen, werden er gevangenissen in Israël ingesteld, hetgeen onjuist was (Jeremia 37:15, 16; 38:6, 28). Dat er voor geen enkele misdaad gevangenisstraffen werden voorgeschreven, betekende dat er geen misdadigers ten koste van de hardwerkende mensen die de wet gehoorzaamden, van voedsel en onderdak werden voorzien.
20. Wat was de straf op stelen, en welke voordelen wierp dit af?
20 Wanneer een man van zijn medemens had gestolen, werd hij niet in de gevangenis geworpen. Derhalve kon hij werken en het gestolene terugbetalen. Zijn slachtoffer bleef niet met de strop zitten. Bovendien werd er van de dief verlangd dat hij het dubbele of nog meer van wat hij had gestolen, zou terugbetalen, hetgeen ervan afhing wat hij had gestolen en wat hij ermee had gedaan (Exodus 22:1, 4, 7). Als hij niet betaalde, werd hij in slavernij verkocht. Hij moest net zolang bij zijn slachtoffer of bij een andere Israëliet werken, totdat hij overeenkomstig de rechterlijke uitspraak had terugbetaald wat hij had gestolen (Exodus 22:3). Indien hij aanmatigend weigerde aan het vonnis te voldoen, zou hij ter dood gebracht worden (Deuteronomium 17:12). Deze wet kwam niet alleen het slachtoffer van de dief ten goede, maar vormde ook een krachtig afschrikwekkend middel tegen diefstal.
21. (a) Wat was de straf op moord met voorbedachte rade? (b) Welke voorziening was er getroffen voor de onopzettelijke doodslager?
21 Onder de Wet werd het leven heilig geacht. Een opzettelijke moordenaar kon in geen enkel opzicht worden verontschuldigd. Hij moest zonder mankeren ter dood gebracht worden. In Numeri 35:30-33 lezen wij in dit verband: „Al wie een ziel doodslaat, dient op de verklaring van getuigen als een moordenaar te worden gedood, en één getuige mag niet tegen een ziel getuigen om hem te doen sterven. En gij moogt geen losprijs aannemen voor de ziel van een moordenaar, die verdient te sterven, want hij dient zonder mankeren ter dood gebracht te worden. . . . En gij moogt het land waarin gij zijt, niet bezoedelen; want bloed, dát bezoedelt het land, en voor het land is geen verzoening mogelijk ten aanzien van het bloed dat daarop vergoten is dan door het bloed van hem die het vergoten heeft.” Op grond van deze wet werd zo’n verdorven persoon uit de Israëlitische samenleving verwijderd. Hij bleef niet vrij rondlopen om nog meer moorden te plegen. De onopzettelijke doodslager kon echter barmhartigheid ontvangen. — Numeri 35:9-15, 22-29.
22. Hoe werd de heiligheid van het leven speciaal beklemtoond?
22 Zelfs een onopgeloste moord mocht niet voorbijgezien worden zonder dat er verzoening voor was gedaan. De stad die het dichtst gelegen was bij de plaats waar de verslagene was aangetroffen, werd als schuldig aan bloedvergieting beschouwd en stond onder een vloek, tenzij de oudere mannen van de stad de vereiste ceremonie verrichtten ten einde voor het aangezicht van God vrijgesteld te worden van gemeenschappelijke bloedschuld. Aldus werd het volk diep doordrongen van de heiligheid van het leven. — Deuteronomium 21:1-9.
23. Beschrijf de wet inzake kidnappen.
23 De Wet voorzag in onschendbaarheid van de persoon. Kidnappen was een halsmisdaad. De kidnapper in wiens hand de persoon werd aangetroffen of die de gekidnapte persoon in slavernij had verkocht, moest zonder mankeren ter dood gebracht worden. — Exodus 21:16; Deuteronomium 24:7.
GEEN MISDADIGHEID
24. Hoe werd het respect voor het gezin bewaard, en met welk resultaat?
24 Wanneer de natie de Wet in acht nam, waren er weinig problemen in verband met jeugdcriminaliteit. Het gezin vormde de basiseenheid van de natie. In het onderricht dat werd gegeven, leerde men diep respect te hebben voor de ouders, alsook voor de oversten van de natie (Exodus 20:12; 22:28). Gepeupelgeweld werd veroordeeld (Exodus 23:1, 2). Een zoon die de verantwoordelijke leeftijd had bereikt en onverbeterlijk opstandig was, doordat hij misschien een veelvraat en een dronkaard was geworden, moest terechtgesteld worden (Deuteronomium 21:18-21). Wie zijn vader of moeder sloeg, of kwaad over hen afsmeekte, moest ter dood gebracht worden (Exodus 21:15, 17; Leviticus 20:9). Respect voor het huis en het gezin resulteerde in respect voor de regeerders van de natie, vooral voor de Voornaamste Regeerder, Jehovah God.
RESPECT VOOR EIGENDOMSRECHTEN
25. Hoe werd er in verband met gevonden voorwerpen gehandeld?
25 In de tegenwoordige tijd wordt met betrekking tot verloren voorwerpen meestal de gewoonte gevolgd dat ’de vinder de houder’ is. Maar in Israël moest iedereen die een dier of een voorwerp vond, het aan de eigenaar teruggeven. Indien de eigenaar ver weg woonde en onbekend was, moest het voorwerp bewaard worden totdat de eigenaar ernaar zocht (Deuteronomium 22:1-3). Ten einde de eigenaar die naar het dorp kwam, bij zijn speurtocht te helpen, moest de vinder de oudere mannen of beambten van de stad er natuurlijk van in kennis stellen dat het verlorene in zijn bezit was.
26, 27. (a) Hoe werden iemands huis en bezittingen gerespecteerd? (b) Hoe waren deze wetten tot nut van de armen?
26 De heiligheid van het huis werd bijzonder gerespecteerd. Een man kon geen schuld ophalen door het huis van de schuldenaar binnen te gaan om datgene te pakken wat als onderpand was beloofd. De schuldeiser moest buiten wachten en de man het door hem verpande voorwerp naar buiten laten brengen (Deuteronomium 24:10, 11). Ook kon een schuldeiser geen beslag leggen op iemands onmiddellijke middelen voor levensonderhoud of iemands noodzakelijke kleding, want een arm man had misschien alleen maar wat koren dat hij als voedsel voor zijn gezin kon malen, of slechts één bovenkleed als bedekking.
27 Hierover staat in Deuteronomium 24:6, 12, 13 geschreven: „Niemand dient een handmolen of de bovenste molensteen daarvan tot pand te nemen, want dan neemt hij een ziel tot pand. En indien de man in moeilijkheden verkeert, moogt gij niet met zijn pand naar bed gaan. Gij dient hem het pand in elk geval terug te geven zodra de zon ondergaat, en hij moet in zijn kleed naar bed gaan, en hij moet u zegenen; en het zal voor u rechtvaardigheid betekenen voor het aangezicht van Jehovah, uw God.”
GOEDHEID TEN AANZIEN VAN DIEREN
28. Hoe toonde God zijn bedachtzaamheid en goedheid in verband met zijn wetten betreffende dieren?
28 Dieren moesten eveneens goed behandeld worden. Als iemand een huisdier in nood zag, was hij verplicht het te helpen, ook al behoorde het zijn vijand toe (Exodus 23:4, 5; Deuteronomium 22:4). Lastdieren mochten niet uitgebuit of mishandeld worden (Deuteronomium 22:10; Spreuken 12:10). Een stier mocht niet gemuilband worden zodat hij onder het dorsen van het graan niet van de vruchten van zijn arbeid kon genieten (Deuteronomium 25:4). Er werd ook tot een goede behandeling van de in het wild levende dieren aangemoedigd. Men mocht niet een moedervogel met haar eieren wegnemen, waardoor het geslacht zou worden uitgeroeid (Deuteronomium 22:6, 7). Onder de huisdieren mocht men niet een stier of een schaap met zijn jong op dezelfde dag slachten. Dit alles was bedoeld om een geest van wreedheid tegen te gaan. — Leviticus 22:28; vergelijk Gods consideratie met dieren zoals die in Jona 4:11 en Leviticus 25:4, 5, 7 tot uitdrukking wordt gebracht.
IJVER VOOR WAARHEID
29, 30. Welke wetten bestonden er inzake getuigen in rechtsgedingen?
29 In het belang van gerechtigheid en barmhartigheid werd van een getuige in een rechtszaak geëist dat hij getuigenis aflegde van wat hij omtrent de zaak wist. Deed hij dit niet, dan zou hij zich blootstellen aan een vervloeking die in het openbaar door de rechters werd uitgesproken. God zou een dergelijke vervloeking ten uitvoer leggen (Leviticus 5:1; Spreuken 29:24). Hij mocht geen meineed plegen, want door dit te doen, zou hij liegen tegenover Jehovah. Indien bleek dat iemand een ander opzettelijk vals beschuldigd had, zou de beschuldigde dezelfde straf ondergaan die de valselijk beschuldigde toegediend zou zijn.
30 Wij lezen in dit verband in Deuteronomium 19:16-19: „Ingeval een getuige die gewelddaad beraamt, tegen een man optreedt om een beschuldiging van opstand tegen hem in te brengen, dan moeten de twee mannen die het geschil hebben, zich vóór Jehovah plaatsen, vóór de priesters en de rechters die in die dagen dienst zullen doen. En de rechters moeten een grondig onderzoek instellen, en indien de getuige een valse getuige is en hij een valse beschuldiging tegen zijn broeder heeft ingebracht, dan moet gij hem doen net zoals hij beraamd had zijn broeder te doen, en gij moet het kwaad uit uw midden wegdoen.”
31. Welke andere wetten bevorderden ijver voor rechtvaardigheid en waren er ook op gericht een vals of onachtzaam getuigenis in een rechtszaak te voorkomen?
31 Niemand kon enkel op grond van aanwijzingen ter dood gebracht worden. Er moesten ten minste twee ooggetuigen zijn om de waarheid te bevestigen (Deuteronomium 17:6; 19:15). De getuigen tegen een man die schuldig was bevonden aan een halsmisdaad, moesten er als eersten aan deelnemen de man dood te stenigen. Deze wet bevorderde ijver voor rechtvaardigheid in Israël. Niet alleen van de rechters, maar van elke burger werd aldus verlangd dat hij blijk zou geven van zijn verlangen het land rein te houden van bloedschuld voor het aangezicht van God. Het diende ook als een afschrikwekkend middel tegen het afleggen van een vals, haastig of onachtzaam getuigenis. Er werd beslist veel goeds tot stand gebracht door de wet in Deuteronomium 17:7, waar wij lezen: „De hand van de getuigen dient het eerst op hem te komen om hem ter dood te brengen, en daarna de hand van heel het volk; en gij moet het kwaad uit uw midden wegdoen.”
VERBODEN SEKSUELE BETREKKINGEN
32. Welke onwettige seksuele betrekkingen werden met de dood gestraft?
32 Op overspel stond de doodstraf voor beide partijen (Leviticus 20:10). De weerzinwekkende praktijken van homoseksualiteit en bestialiteit werden volgens Leviticus 20:13, 15 eveneens met de dood gestraft. Wij lezen daar: „Wanneer een man bij een manspersoon ligt zoals men bij een vrouw ligt, hebben beiden iets verfoeilijks gedaan. Zij dienen zonder mankeren ter dood gebracht te worden. Hun eigen bloed is op hen. En wanneer een man zijn zaaduitstorting aan een dier geeft, dient hij zonder mankeren ter dood gebracht te worden, en gij dient het dier te doden.” — Zie ook Leviticus 20:16, 17; Romeinen 1:24-28.
REINHEID
33, 34. Hoe bevorderde de Wet fysieke reinheid?
33 De Wet legde het volk niet alleen morele reinheid, maar ook fysieke reinheid op. Volgens de reinheidswetten moesten de Israëlieten aardewerken vaten die met een uit zichzelf gestorven dier in aanraking waren gekomen, vernietigen. Andere vaten, alsook kleren, moesten gewassen worden. Een dergelijke wet zorgde ervoor dat de Israëlieten altijd op reinheid bedacht waren. Personen die een besmettelijke ziekte hadden, werden in quarantaine geplaatst (Leviticus 13:4, 5, 21, 26). Besmette kleren en huizen werden in quarantaine geplaatst, en in sommige gevallen vernietigd (Leviticus 13:47-52, 55; 14:38, 45). Er mocht geen bloed worden gegeten. — Leviticus 7:26.
34 Van medisch standpunt uit bezien, vormden de wetten op het gebied van de hygiëne en quarantaine, te zamen met de morele wetten en het verbod met betrekking tot bloed, een schitterende bescherming tegen tyfus, vlektyfus, builenpest, hepatitis, gonorroea en syfilis, en talloze andere ziekten.
BARMHARTIGHEID JEGENS BEROUWVOLLE PERSONEN
35. Hadden de rechters in rechtszaken de vrijheid om, afhankelijk van de omstandigheden, barmhartigheid te betonen?
35 De Wet was niet hard of onbuigzaam. Rechters hadden de vrijheid om barmhartigheid te betonen. Als een man tegen zijn naaste zondigde, en vervolgens berouw had, kon hij in Gods gunst worden hersteld door de zaak eerst met de benadeelde partij in het reine te brengen en Jehovah vervolgens een schuldoffer aan te bieden (Leviticus 6:2-7). Jezus Christus zinspeelde op deze wet toen hij zei: „Wanneer gij daarom uw gave naar het altaar brengt en u daar herinnert dat uw broeder iets tegen u heeft, laat uw gave dan daar vóór het altaar en ga heen; sluit eerst vrede met uw broeder en offer daarna, wanneer gij zijt teruggekomen, uw gave” (Matthéüs 5:23, 24). In deze tijd kunnen dienstknechten van God geen vrede met Hem hebben, indien zij niet op goede voet met hun naaste staan.
HET JUBELJAAR
36. In welke voortreffelijke dingen voorzag de wet inzake het jubeljaar?
36 Het jubeljaar, dat elk vijftigste jaar werd gevierd, was een tijd van verheuging. Alle land-erfdelen die waren „verkocht”, werden aan hun respectieve eigenaars teruggegeven. Hebreeuwse slaven werden vrijgelaten, ook al was hun zes jaar durende dienstbaarheid nog niet ten einde (Leviticus 25:8-13, 39-41). Het sublieme resultaat van deze wet was dat de economie van het land werd hersteld tot de oorspronkelijke, evenwichtige staat zoals God die had ingesteld toen Israël het Beloofde Land binnenging. Ze voorkwam de situatie die wij thans in veel landen waarnemen — een klasse van buitengewoon rijke landeigenaars en een klasse van buitengewoon arme „lijfeigenen”. Landmonopolie was niet mogelijk wanneer de wet werd gehandhaafd.
37. Welke reden zou er, als samenvatting, gegeven kunnen worden waarom wij Gods aan Israël gegeven wet dienen te bestuderen?
37 Aldus maakte de Wet een burger tot een vrij man. Elk gezin werd ervoor behoed tot een toestand van blijvende armoede te vervallen. De waardigheid van het gezin werd behouden en de geestelijke gezindheid van het gezin bleef op een hoog peil. De vader kon tijd met het gezin doorbrengen, doordat de sabbatdagen en sabbatjaren in tijd voorzagen waarin aandacht aan zulke dingen als het onderwijzen van de kinderen besteed kon worden. Hoewel christenen thans niet onder de Mozaïsche wet staan, verschaft ze ons dus een inzicht in Gods wegen en handelingen, en vormt ze tevens een „schaduw van de toekomstige goede dingen”. — Hebreeën 10:1.
[Illustratie op blz. 145]
In de Wet waren voorzieningen getroffen voor de armen; zij mochten de randen van de velden afoogsten
[Illustratie op blz. 155]
Met de aankondiging van het jubeljaar moesten alle land-erfdelen aan de oorspronkelijke eigenaar worden teruggegeven
-
-
Het uitbannen van misdaad en onrechtHet leven heeft wel degelijk een doel
-
-
Hoofdstuk 14
Het uitbannen van misdaad en onrecht
1. Hoe maakt deze wereld het moeilijk om te leven overeenkomstig datgene wat juist is?
IS HET niet zo dat u, hoe goed u ook tracht te zijn, omringd wordt door toestanden die het u moeilijk maken? In de zakenwereld, met haar strijd om in economisch opzicht het hoofd boven water te houden, wordt druk uitgeoefend om bedrog te plegen ten einde het hoofd te bieden aan de concurrentie. In het dagelijks leven stuiten wij op immoraliteit, drugmisbruik, vuile taal, haat en de geest van wraakneming. En de amusementswereld en de propagandamedia doen het voorkomen alsof deze praktijken in het algemeen volkomen normaal en juist zijn.
2. Beseffen de mensen welk een invloed een slechte omgeving heeft?
2 Niettemin beseffen veel mensen welk een krachtige invloed een slechte omgeving heeft, en dikwijls verhuizen zij naar een andere buurt in de hoop daar betere toestanden aan te treffen, vooral in het belang van hun kinderen. Zij weten dat een slechte omgeving inbreuk kan maken op de goede beginselen die zij hun kinderen hebben bijgebracht.
3, 4. (a) Welke invloed had de omgeving van het oude Israël op hen? (b) Wat is de voornaamste factor die tot een slechte omgeving heeft bijgedragen?
3 Zelfs toen het oude Israël onder de Mozaïsche wet stond, hoe goed deze ook was, was de omgeving niet altijd bevorderlijk voor de getrouwe aanbidding van God. Israël was omringd door afgoden aanbiddende natiën (Deuteronomium 13:6, 7, 12, 13). De Israëlieten waren, evenals de rest van de mensheid, zondaars. En hoewel de Wet ertoe bijdroeg dat velen van hen aan de ware aanbidding van God vasthielden, bleek de meerderheid ongehoorzaam te zijn (2 Kronieken 36:15, 16). Zij zwichtten voor hun omgeving. Bovendien heeft Satan de Duivel gedurende alle eeuwen sinds de val van de eerste mens een krachtige invloed uitgeoefend en de mensen verhinderd God te leren kennen. De apostel Paulus schreef:
4 „Als er nu in werkelijkheid een sluier ligt over het goede nieuws dat wij bekendmaken, dan is het gesluierd onder hen die vergaan, onder wie de god van dit samenstel van dingen de geest van de ongelovigen heeft verblind opdat het verlichtende licht van het glorierijke goede nieuws over de Christus, die het beeld van God is, niet zou doorschijnen.” — 2 Korinthiërs 4:3, 4.
EEN VERANDERDE OMGEVING
5, 6. Wat is God voornemens in verband met onze huidige omgeving te doen?
5 Het ligt dus voor de hand dat een veranderde omgeving er veel toe zou bijdragen zondige mensen te helpen ’hun geest te hervormen’ ten einde de goede beginselen van God te gehoorzamen (Romeinen 12:2). Het is Gods voornemen om onder de duizendjarige regering van Jezus Christus zo’n omgeving tot stand te brengen.
6 Eerst moet het goddeloze samenstel van dingen verdwijnen, doordat het door God wordt vernietigd (1 Johannes 2:17). Vervolgens moet de Duivel, „de god van dit samenstel van dingen”, gebonden worden zodat hij de mensheid niet meer kan beïnvloeden tegen Jehovah God in opstand te komen (Openbaring 20:1, 2). Hij heeft dit tot nu toe gedaan door de mensen te bedriegen en door een beroep te doen op hun onvolmaaktheden ten einde hen te doen zondigen, hetgeen de dood met zich brengt. — Openbaring 12:9; Hebreeën 2:14, 15.
7-12. Beschrijf de toestanden die door Christus’ Koninkrijksheerschappij tot stand gebracht zullen worden.
7 In het bijbelboek der Psalmen wordt ons profetisch een voorproefje gegeven van de toestanden die zullen heersen wanneer Christus als Koning over de aarde regeert:
8 „In zijn dagen zal de rechtvaardige uitspruiten, en overvloed van vrede.” „Er zal volop koren op aarde blijken te zijn.” „Louter trouw zal uit de aarde zelf spruiten, en louter rechtvaardigheid zal uit de hemel zelf neerzien. Ook zal Jehovah van zijn zijde geven wat goed is, en ons eigen land zal zijn opbrengst geven.” — Psalm 72:7, 16; 85:11, 12.
9 En de profeet Jesaja schreef over Jezus Christus:
10 „De vorstelijke heerschappij zal op zijn schouder komen. En zijn naam zal worden genoemd: Wonderbaar Raadgever, Sterke God, Eeuwige Vader, Vredevorst. Aan de overvloed van de vorstelijke heerschappij en aan vrede zal geen einde zijn, op de troon van David en over zijn koninkrijk, om het stevig te bevestigen en om het te schragen door middel van gerechtigheid en door middel van rechtvaardigheid, van nu aan en tot onbepaalde tijd. Ja, de ijver van Jehovah der legerscharen zal dit doen.” — Jesaja 9:6, 7.
11 De gunstige levensomstandigheden in het nieuwe samenstel van dingen worden door Jesaja als volgt geschilderd:
12 „Het pad van de rechtvaardige is oprechtheid. Daar gij oprecht zijt, zult gij zelfs het spoor van een rechtvaardige effen maken. Ja, voor het pad van uw oordelen, o Jehovah, hebben wij op u gehoopt . . . Wanneer er van u afkomstige oordelen voor de aarde zijn, is het rechtvaardigheid wat de bewoners van het produktieve land stellig zullen leren.” — Jesaja 26:7-9.
13. Zal het voor de uit de doden opgewekte personen gemakkelijker zijn de waarheid omtrent God te leren kennen dan dit in hun vroegere leven het geval was? Waarom?
13 Wanneer over de gehele aarde Jehovah’s oordelen worden bekendgemaakt en gehandhaafd, zal de „grote schare”, die de vernietiging van het huidige samenstel van dingen overleeft en dat nieuwe samenstel wordt binnengeleid, de uit de doden opgewekte personen kunnen onderwijzen zonder hierbij door goddeloze tegenstanders van God en Christus belemmerd te worden (Openbaring 7:9, 10, 14-16). Hoeveel duidelijker zal de waarheid te zien zijn wanneer er recht en vrede heerst. Hoeveel gemakkelijker kunnen die luisteraars gehoorzamen en hun levensweg „effen maken”!
14. Hoe heeft dit samenstel van dingen de slechte neigingen die wij van onvolmaakte ouders hebben geërfd, geaccentueerd?
14 In onze huidige tijd begaan mensen criminaliteiten, en sommigen worden wat wij ’verstokte misdadigers’ noemen. Alle personen hebben zwakheden en zijn in een of ander opzicht tot zonde geneigd (Romeinen 6:19). Allen hebben deze zwakheden door genetische overerving ontvangen (Psalm 51:5). De een kan bijvoorbeeld een neiging tot onbeheerste woede en gewelddaad hebben. Sommigen zijn agressiever dan anderen en zijn geneigd ’het recht in eigen handen te nemen’ wanneer zij menen dat hun onrecht is aangedaan. Anderen worden gemakkelijker door immoraliteit, overmatig gebruik van alcohol, enzovoort, verstrikt. Maar betrekkelijk weinigen van deze personen zouden zich onder normale omstandigheden aan criminaliteiten schuldig maken. Er is een slechte omgeving als ’kweekplaats’ voor nodig waar slechte neigingen gevoed en bevorderd worden, alsmede een omstandigheid waardoor gelegenheid of aanleiding tot de wetteloze handelwijze wordt gegeven. — 1 Korinthiërs 15:33.
15. (a) Hoe zal de omgeving onder Christus’ koninkrijk ertoe bijdragen dat de goede trekken worden opgebouwd? (b) Wat zal er door de persoon zelf gedaan moeten worden om hersteld te worden?
15 Maar wanneer deze goddeloze wereld uit de weg is geruimd en Satan gebonden is, zodat hij zijn invloed niet meer kan doen gelden, kan de mensheid geleidelijk hersteld worden. De goede neigingen van de mensen zullen door de goede omgeving gevoed en aangekweekt worden; de slechte trekken zullen tegengegaan worden. Slechte verlangens en daden zullen ’niet op zijn plaats’ zijn en zullen als iets beschouwd worden dat achterwege moet blijven. Het zal echter krachtsinspanningen van iemands zijde vergen om ’toorn, slechtheid en schimpend gepraat weg te doen’ en ’zich met de nieuwe persoonlijkheid te bekleden, die door middel van nauwkeurige kennis wordt vernieuwd naar het beeld van Degene die ze schiep’ (Kolossenzen 3:8-10). Men moet een sterk verlangen hebben om te veranderen, want God wil dat zijn onderdanen hem gewillig gehoorzaam zijn (Psalm 81:11-13). Onder het bestuur van Christus en zijn medekoningen en -priesters zal degene die de veranderingen aanbrengt, op elke mogelijke wijze geholpen worden en in niets bij zijn krachtsinspanningen worden belemmerd. — Openbaring 7:17.
DEGENEN DIE GEEN LEVEN ZULLEN ONTVANGEN
16, 17. (a) Wie zullen in het nieuwe samenstel van dingen geen eeuwig leven ontvangen? (b) Hoe stelden de religieuze leiders ten tijde dat Jezus op aarde was, zich aan groot gevaar bloot?
16 Alleen degenen die zich schuldig maken aan ’lastering tegen de heilige geest’ zullen in dat nieuwe samenstel van dingen sterven (Matthéüs 12:31, 32). Deze zonde is een moedwillige, opzettelijke, opstandige, lasterlijke daad tegen God. In welk opzicht is dit een zonde ’tegen de heilige geest’?
17 Laten wij, om dit punt te illustreren, de Farizeeën eens beschouwen. Zij brachten zichzelf in groot gevaar deze zonde te begaan, en sommigen van hen hebben zich er klaarblijkelijk ook schuldig aan gemaakt. Dat zij niet in Jezus als de Messías geloofden, kan eenvoudig te wijten zijn geweest aan gebrek aan geloof, zoals in het geval van Saulus, die later de apostel Paulus werd (1 Timótheüs 1:12, 13). Maar toen Jezus over de onvergeeflijke zonde sprak, waren de Farizeeën zo juist getuige geweest van de machtige woorden en werken van Jezus waaruit bleek dat Gods geest op hem rustte. Toen zij zagen en wisten dat Gods geest door bemiddeling van Jezus werkzaam was, maakten zij zich in werkelijkheid schuldig aan lastering tegen de heilige geest. Hoe dat zo? Zij schreven Jezus’ werken moedwillig aan de macht van de demonen toe. De Farizeeën hadden een volkomen zelfzuchtig doel op het oog. Zij wilden de mensen misleiden ten einde hun machtspositie te behouden. — Matthéüs 12:22-30.
18. Zou een christen het eeuwige leven kunnen verliezen?
18 Dit zou het geval kunnen zijn met sommigen die christenen worden en vervolgens moedwillig Gods reine aanbidding de rug toekeren. In Hebreeën 10:26, 27 staat namelijk: „Indien wij moedwillig zonde beoefenen na de nauwkeurige kennis van de waarheid te hebben ontvangen, blijft er geen slachtoffer voor zonden meer over, maar is er een stellige vreselijke verwachting van oordeel.” — Vergelijk Hebreeën 6:4-6.
19. (a) Wat is een „zonde welke de dood met zich brengt”? (b) Hoe dient een ware christen iemand die zich schijnbaar aan zo’n zonde schuldig maakt, te bezien? (c) Kan een christen bepalen of iemand de onvergeeflijke zonde heeft begaan? Licht dit toe.
19 De apostel Johannes maakt ook melding van een „zonde welke de dood met zich brengt”, in tegenstelling tot een zonde waarmee dit niet het geval is (1 Johannes 5:16, 17; vergelijk Numeri 15:30). Een ware christen zal niet omgaan met iemand die belijdt een christen te zijn, maar die, naar het zich laat aanzien, Gods geest schijnt te lasteren en klaarblijkelijk moedwillig en zonder tekenen van berouw zondigt (2 Johannes 9-11). Een christen zal niet ten behoeve van zo iemand bidden. Hij kan echter niet iemands hart lezen en kan derhalve niet bepalen of iemand werkelijk de onvergeeflijke zonde heeft begaan. Hij kan niet zeker weten of de persoon later niet tot berouw zal komen. Hij erkent dat Christus als Rechter voor God optreedt, en hij kan de „nieren” (de diepste emoties en gedachten) en het „hart” (de voornaamste zetel der beweegreden) onderzoeken, en Christus kan bepalen of iemand zich schuldig heeft gemaakt aan lastering tegen de heilige geest. — Openbaring 2:23; Johannes 5:22, 30.
20. Hoe zal er gedurende Christus’ duizendjarige regering ten aanzien van niet te hervormen, onberouwvolle zondaars worden gehandeld?
20 Zulke onverbeterlijke, niet te hervormen personen zullen gedurende Christus’ duizendjarige regering ter dood gebracht worden. Dat zij voor eeuwig worden terechtgesteld, wordt in de Schrift afgebeeld doordat zij in het symbolische „meer van vuur” worden geworpen, hetwelk de „tweede dood” is, ter onderscheiding van de van Adam geërfde dood (Openbaring 20:14, 15). Vredeverstoorders zullen in dat nieuwe samenstel van dingen dus niet in leven worden gelaten om moeilijkheden te veroorzaken.
NU REEDS EEN BETER LEVEN
21, 22. (a) Moet men tot Christus’ duizendjarige regering wachten om een beter, gelukkiger leven te leiden? (b) Bespreek de woorden van de apostel Paulus dienaangaande in 1 Timótheüs 4:8.
21 Tot degenen die momenteel dit boek lezen, zeggen wij echter hetzelfde als de apostel zei tot sommigen die rijpe dienstknechten van God trachtten te worden, namelijk: „Toch zijn wij in uw geval overtuigd van betere dingen en dingen die met redding gepaard gaan” (Hebreeën 6:9). Wij hoeven niet tot Christus’ duizendjarige regering te wachten om er een goed begin mee te maken God te dienen. Wij kunnen en dienen dat nu reeds te doen.
22 De apostel zei verder: „Godvruchtige toewijding is nuttig voor alle dingen, daar ze een belofte inhoudt voor het tegenwoordige en het toekomende leven” (1 Timótheüs 4:8). Wij kunnen vrij zijn van vele verstrikkingen van de wereld, wij kunnen vrede des geestes genieten en een doel in het leven hebben. Wij kunnen van het leven genieten en ons in een betere verhouding tot ons gezin en onze medemensen verheugen. Maar meer dan dat, wij kunnen vol verwachting de hoop koesteren zonder te sterven de komende „grote verdrukking” te overleven, met de zekerheid dat wij ons in Gods nieuwe samenstel van dingen in de volheid des levens zullen verheugen.
23, 24. (a) Dienen wij, wanneer wij hebben gezien wat Gods Woord zegt, nog langer te wachten of de waarheid ergens anders te zoeken? (b) Moeten wij naar een andere Messías uitzien, of naar een of ander groot man die zal opstaan om ons te bevrijden? (c) Wat is derhalve de juiste handelwijze?
23 Wij bevinden ons in een soortgelijke positie als de natie Israël toen deze op het punt stond het Beloofde Land binnen te gaan. Mozes zei toen tot de Israëlieten: „Dit gebod, dat ik u heden gebied, is niet te moeilijk voor u, noch is het ver weg. Het is niet in de hemel, zodat er te zeggen valt: ’Wie zal voor ons tot in de hemel opstijgen en het voor ons halen, dat hij het ons moge doen horen, opdat wij het mogen volbrengen?’ Ook is het niet aan de overkant van de zee, zodat er te zeggen valt: ’Wie zal voor ons oversteken naar de andere kant van de zee en het voor ons halen, dat hij het ons moge doen horen opdat wij het mogen volbrengen?’ Want het woord is zeer dicht bij u, in uw eigen mond en in uw eigen hart, opdat gij het moogt volbrengen.” — Deuteronomium 30:11-14.
24 Het is niet werkelijk moeilijk voor u te weten wat God van u verlangt en dienovereenkomstig te handelen. Jezus Christus zal u helpen indien u geloof oefent en overeenkomstig dit geloof handelt (Matthéüs 11:28-30). U hoeft niet iemand naar de hemel te laten gaan om de boodschap te halen die nodig is. Jezus Christus heeft dit gedaan en wij hebben zijn geboden in de bijbel. U hoeft niet naar een ver land te reizen — „aan de overkant van de zee” — om wijsheid of filosofie van de mensen daar te krijgen. U hoeft niet een hogere opleiding te ontvangen, noch alle huidige en vroegere religies te onderzoeken, om de waarheid te vinden. U hebt in de bijbel over Gods voornemen gelezen. Het is in uw eigen mond en hart. Het is „dit goede nieuws van het koninkrijk” (Matthéüs 24:14). Een apostel van Christus zei in dit verband: „Indien gij dat ’woord in uw eigen mond’, dat Jezus Heer is, in het openbaar bekendmaakt en in uw hart geloof oefent dat God hem uit de doden heeft opgewekt, zult gij worden gered. Want met het hart oefent men geloof tot rechtvaardigheid, maar met de mond doet men een openbare bekendmaking tot redding.” — Romeinen 10:5-10.
25. Verlangt God iets groots van ons, of wat verlangt hij?
25 God verlangt dus geen grote en machtige daden van u, maar hij zegt: „Hij heeft u verteld, o aardse mens, wat goed is. En wat vraagt Jehovah van u terug dan gerechtigheid te oefenen en goedheid lief te hebben en bescheiden te wandelen met uw God?” (Micha 6:8) Is dit niet redelijk — is dit niet werkelijk wat een ieder behoort te doen?
26, 27. Wat zijn enkele dingen die wij kunnen doen om nu reeds een voorsprong te krijgen?
26 U kunt derhalve nu reeds een voorsprong krijgen door onrecht uit uw eigen leven te bannen. Om niet door een slechte omgeving van uw koers te worden afgebracht, zult u zich moeten distantiëren van nauwe omgang met degenen die slechte dingen beoefenen. Paulus schreef aan personen die trachtten God te dienen: „In mijn brief heb ik u geschreven niet langer in gezelschap te verkeren van hoereerders, niet bedoelend volledig het gezelschap te mijden van de hoereerders van deze wereld of de hebzuchtige personen en afpersers of afgodendienaars. Anders zoudt gij feitelijk uit de wereld moeten gaan” (1 Korinthiërs 5:9, 10). Misschien hebt u vrienden en collega’s die verkeerde dingen doen, en natuurlijk kunt u niet volledig de omgang met hen mijden. Maar u zult zich niet met hen verbinden in kwaaddoen, noch zult u voortdurend hun intieme gezelschap zoeken. U dient veeleer de goede omgang met christenen te zoeken, die u juiste dingen ziet doen. Dit zal u versterken. — Hebreeën 13:7.
27 Wanneer u deze dingen hebt gedaan, dient u vervolgens standvastig deze koers te blijven volgen. Vertrouw op God en wacht totdat hij in zijn rechtvaardige nieuwe samenstel van dingen onrecht, misdaad en verdriet volledig zal uitbannen. — Jesaja 32:1, 16-18.
[Illustraties op blz. 159]
Een slechte omgeving draagt bij tot misdaad
[Illustratie op blz. 161]
Onder de heerschappij van Jezus Christus zal een gezonde omgeving tot een goed gedrag aanmoedigen
-
-
Het einde van ziekte en doodHet leven heeft wel degelijk een doel
-
-
Hoofdstuk 15
Het einde van ziekte en dood
1. Waartoe heeft vrees voor de dood mensen dikwijls gebracht?
VAN alle dingen die droefheid en lijden over de mensheid hebben gebracht, nemen ziekte en dood wel de voornaamste plaats in. Zelfs de vrees voor de dood heeft mensen in een vorm van knechtschap gehouden, en velen hebben zich er door bedreiging met de dood toe laten brengen dingen te doen waardoor zij hun geweten geweld aandeden — bijvoorbeeld onder het naziregime, toen sommige mensen door schrikaanjaging hun eigen vrienden hebben verraden (Hebreeën 2:15). Wat een verademing zal het voor de mensheid betekenen wanneer deze vijanden, ziekte en dood, teniet zijn gedaan! — 1 Korinthiërs 15:26.
2, 3. (a) Welke andere ongewenste dingen zullen uitgebannen worden wanneer de dood teniet wordt gedaan? (b) Waarvan worden wij nu reeds door Gods belofte om de dood teniet te doen, bevrijd?
2 Alleen de Schepper kan de mensen uit deze droevige situatie helpen. En hij heeft niet alleen beloofd dit te zullen doen, maar hij heeft ook het fundament gelegd op grond waarvan de dood onder de heerschappij van de „nieuwe hemelen”, die worden gevormd door Jezus Christus en zijn medekoningen en -priesters, volledig en voorgoed uitgebannen zal worden. God belooft de mensheid dat hij „elke traan uit hun ogen [zal] wegwissen, en de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch geschreeuw, noch pijn zal er meer zijn”. En ten einde ons geloof en zekerheid dienaangaande te verschaffen, voegt hij eraan toe: „Deze woorden zijn getrouw en waarachtig” (Openbaring 21:4, 5). Wanneer ziekte en dood teniet worden gedaan, zullen ook de verzwakkende gevolgen van de ouderdom, die gepaard gaat met een gerimpelde huid en grijs haar, verdwijnen.
3 Wanneer wij deze goddelijke belofte kennen en geloven, wordt hierdoor veel van de droefheid die de dood met zich brengt, weggenomen. Wij zullen niet ’treuren gelijk de overigen, die geen hoop hebben’. — 1 Thessalonicenzen 4:13.
GEEN NIEUWE HOOP
4. Waarom kunnen wij zeggen dat de hoop dat de dood teniet gedaan zal worden, geen nieuwe hoop is?
4 Deze hoop is niet nieuw. Mannen en vrouwen die God duizenden jaren geleden dienden, hadden deze hoop reeds, die hen vertroostte en versterkte. Hoewel zij wisten dat zij zouden sterven, geloofden zij ook dat God hun door middel van een opstanding de gelegenheid zou geven eeuwig leven te ontvangen. Sommigen van deze getrouwe mensen waren in werkelijkheid ooggetuigen van opstandingen die God door bemiddeling van zijn profeten en door bemiddeling van Jezus en de apostelen verrichtte. Natuurlijk zijn deze uit de doden opgewekte personen ten slotte weer gestorven. Maar de dienstknechten van God die destijds leefden, verwachtten een „betere opstanding” onder het Messiaanse koninkrijk, wanneer men niet meer zal hoeven te sterven, behalve wegens opzettelijke ongehoorzaamheid. — Hebreeën 11:16, 35.
5. Welk bewijs hebben wij dat Abraham, Job en Daniël de verzekering hadden dat zij, wanneer zij stierven, niet voor altijd dood zouden blijven?
5 Abraham toonde op een in het oog springende wijze geloof in de opstanding (Hebreeën 11:17-19). De getrouwe en volhardende Job sprak erover dat hij in Sjeool, het graf, zou verblijven en dat God op Zijn bestemde tijd aan hem zou denken (Job 14:13). En toen de profeet Daniël om begrip vroeg in verband met de profetie die hij voor de verre toekomst moest optekenen, welke profetie in „de tijd van het einde” vervuld zou worden, zei Gods engel tot hem: „Gij zult rusten, maar gij zult opstaan tot uw bestemming aan het einde der dagen.” — Daniël 12:8, 9, 13.
WIE ZULLEN EEN AARDSE OPSTANDING ONTVANGEN?
6. (a) Welke twee algemene groepen van mensen zullen een aardse opstanding ontvangen? (b) Hoe zal de houding zijn van de opgestane personen die vóór hun dood dienstknechten van God zijn geweest?
6 De opstanding uit de dood zal slechts de eerste stap zijn in Gods voornemen de gestorvenen te herstellen. Zij zullen na de vernietiging van het huidige goddeloze samenstel van dingen uit het graf te voorschijn komen en zullen verwelkomd en ontvangen worden door de „grote schare” overlevenden van de „grote verdrukking”. Er zullen twee groepen van personen zijn die tot leven op aarde worden teruggebracht: (1) Mensen die zich in het verleden getrouw aan God hebben betoond, onder andere degenen die in het elfde hoofdstuk van Hebreeën worden genoemd, en (2) degenen die vóór hun dood nooit dienstknechten van God zijn geweest. De apostel Paulus zei dat „er een opstanding zal zijn van zowel de rechtvaardigen als de onrechtvaardigen” (Handelingen 24:15). De eerste groep zal er geen moeite mee hebben Gods voorzieningen voor leven door middel van het offer van Christus te leren kennen en te aanvaarden. Zij zullen de dan bestaande wetten graag gehoorzamen. Zulke getrouwen worden nu reeds, terwijl zij zich nog in het graf bevinden, door God als ’levend’ beschouwd, omdat hij hen beslist uit de dood zal opwekken. — Lukas 20:37, 38.
7. Wat zal er gedaan worden voor de uit de doden opgewekte personen die God in het verleden niet hebben gediend?
7 Mensen die God vroeger niet hebben gediend, zullen na hun opstanding Jehovah, de ware God, en zijn goedgunstige voorzieningen door bemiddeling van Jezus Christus moeten leren kennen. De „grote schare” overlevenden van de verdrukking zal de verantwoordelijkheid hebben hen te onderwijzen (Romeinen 10:14). Deze mensen zal het goede nieuws bekendgemaakt moeten worden, want God heeft gezegd dat „in de naam van Jezus iedere knie zich zou buigen van hen die in de hemel en die op de aarde en die onder de grond [in het graf] zijn, en elke tong openlijk zou erkennen dat Jezus Christus Heer is, tot de heerlijkheid van God, de Vader”. — Filippenzen 2:10, 11.
8. Zullen de uit de doden opgewekte personen geoordeeld worden op grond van datgene wat zij in het verleden hebben gedaan, of op grond waarvan?
8 De uit de doden opgewekte personen zullen gehoorzaam moeten zijn aan de dan geldende wetten, en zij zullen geoordeeld worden „op grond van de dingen die in de boekrollen geschreven stonden, overeenkomstig hun daden” (Openbaring 20:12). De „boekrollen” bevatten klaarblijkelijk de openbaring van Gods wil voor de mensheid gedurende die duizendjarige periode.
VOLMAAKTHEID NIET ONMIDDELLIJK BEREIKT
9. Wat zal de situatie van de „grote schare” zijn?
9 De leden van de „grote schare” zullen niet onmiddellijk nadat de „grote verdrukking” voorbij is, tot volmaaktheid worden gebracht. Maar zij overleven de vernietiging van dit samenstel van dingen wegens hun geloof en gehoorzaamheid, en vormen het „fundament” van de „nieuwe aarde” (Openbaring 7:14-17; vergelijk Jesaja 51:16). Zij zullen er dus ongetwijfeld mee voortgaan de weg der getrouwheid te bewandelen en zullen snelle vorderingen tot volmaaktheid maken wanneer zij datgene nakomen wat in de „boekrollen” geschreven staat. — Psalm 37:30, 31.
10. Wat zal er gedaan worden in verband met grote handicaps die zowel de leden van de „grote schare” als degenen die uit de doden worden opgewekt, hebben gehad?
10 Hoe staat het met de leden van deze „grote schare” die ernstige handicaps hebben, zoals een hartkwaal, verlamming, blindheid, het gemis van armen of benen, enzovoort? Het is redelijk te geloven dat zij vroegtijdig van deze gebreken genezen zullen worden. Toen Jezus op aarde was, heeft hij dergelijke genezingen bij wijze van illustratie verricht. Hij genas ogenblikkelijk verdorde handen en armen, herstelde ogenblikkelijk verlamde ledematen en deed blinde ogen ogenblikkelijk weer zien. Deze lichaamsdelen herstelden niet geleidelijk (Lukas 6:8-10; Johannes 5:5-9). Evenzo is het logisch dat de mensen in de opstanding met een gaaf lichaam zullen terugkomen. Dit was ook zo met al degenen die volgens het bijbelse verslag uit de doden werden opgewekt (Lukas 8:54, 55). Lazarus bijvoorbeeld was reeds gedeeltelijk tot ontbinding overgegaan, maar hij kwam gaaf en gezond uit het graf te voorschijn (Johannes 11:39-44). In de oudheid deed God zijn volk, dat hij voornemens was naar hun land terug te brengen, de volgende belofte: „Niemand die daar woont, zal zeggen: ’Ik ben ziek.’ Het volk dat in het land woont, zal vergiffenis van zijn dwaling hebben ontvangen.” De mensen zullen, ook al zijn zij nog niet volmaakt, in staat zijn een normaal leven te leiden. — Jesaja 33:24.
HOE VOLMAAKTHEID TOT STAND KOMT
11. (a) Hoe zal volmaaktheid worden bereikt? (b) Waarom zal er eerst een geestelijke verandering moeten worden aangebracht voordat lichamelijke genezing plaatsvindt?
11 Volledige volmaaktheid naar lichaam zal kennelijk echter pas tot stand komen wanneer iemand, wegens zijn geloof in Christus, in geestelijk opzicht vorderingen maakt in ’het aandoen van de nieuwe persoonlijkheid’. Ook al is iemand van grote handicaps genezen, dan zal hij toch naarmate hij datgene beoefent wat juist is, steeds dichter naar de volmaaktheid groeien. Hij zal geregeld voordeel trekken van Gods voorziening voor genezing door middel van Christus’ zoenoffer (Openbaring 22:2). Christus zal barmhartig al zijn onvolmaaktheden uitwissen. Deze geestelijke verandering zal eerst moeten worden aangebracht, aangezien zonde de oorzaak van de dood is, en iemand kan pas volmaakt naar lichaam zijn, wanneer de zonde volledig uit zijn persoonlijkheid verwijderd is. De bijbel verbindt ziekte altijd met zonde. — Lukas 5:18-25; 1 Korinthiërs 15:56; Romeinen 6:23.
12. Welke strijd moet iedere dienstknecht van God thans voeren om zijn persoonlijkheid te hervormen, en waarom?
12 De apostel Paulus beschrijft de „strijd” die thans gevoerd wordt door een ieder die zijn persoonlijkheid tracht te hervormen ten einde God volledig te behagen. Hij zegt: „Wat ik wens, beoefen ik niet, maar wat ik haat, dát doe ik. . . . Het goede dat ik wens, doe ik niet, maar het slechte dat ik niet wens, dát beoefen ik. . . . [Nu] bewerk ík het niet meer, maar de zonde die in mij woont” (Romeinen 7:15-20). Door overerving zijn alle mensen voortgebracht „met dwaling”, in zonde (Psalm 51:5). Ook hebben allen gedurende hun eigen levensloop die zonde vermeerderd, daar de omgeving een verkeerde invloed op hen heeft gehad.
13. Wat kan iemand doen in verband met (a) de slechte neigingen die hij uit zijn omgeving heeft ’overgenomen’? (b) de slechte neigingen die hij heeft overgeërfd?
13 Iemand kan zich zelfs in deze tijd met behulp van Gods Woord, Zijn geest en zijn eigen omgang met Gods dienstknechten werkelijk ontdoen van de dingen die hij uit zijn omgeving heeft ’overgenomen’. Het is echter anders gesteld met de dingen die uit zijn genetische structuur voortvloeien, die in fysiek en mentaal opzicht een deel van hem zijn. Hij kan er weliswaar behoorlijk in slagen tegen deze fouten te strijden, want de apostelen vertellen ons dat wij ’onze geest kunnen hervormen’, ’de nieuwe persoonlijkheid kunnen aandoen’, ’de vruchten van de geest kunnen voortbrengen’, ’een goed geweten kunnen behouden’ en ’een voortreffelijk gedrag kunnen bewaren’ (Romeinen 12:2; Efeziërs 4:24; Galáten 5:22, 23; 1 Petrus 3:16; 2:12). Maar louter door zulke krachtsinspanningen kunnen wij deze slechte overgeërfde neigingen niet volledig uitwissen. De apostel zei over zijn situatie: „Ellendig mens die ik ben! Wie zal mij verlossen van het lichaam dat deze dood ondergaat? God zij gedankt door bemiddeling van Jezus Christus, onze Heer! Zo ben ik dan zelf met mijn verstand een slaaf van Gods wet, maar met mijn vlees van de wet der zonde.” — Romeinen 7:24, 25.
14. (a) Wat kan een christen, wanneer hij door overgeërfde zwakheden zondigt, doen om in Gods gunst te blijven? (b) Hoe zal iemand ten slotte van alle overgeërfde zwakheden, die tot zonde en ellende leiden, worden bevrijd?
14 Een christen kan nu reeds door geloof in Jezus Christus en het offer dat hij voor onze dwalingen heeft gebracht, vergeving van zijn zonden ontvangen. En wanneer hij om vergiffenis heeft gebeden, moet hij vervolgens ook zijn best doen om zich met de juiste handelwijze in overeenstemming te brengen. Hij kan nooit verslappen in de strijd tegen verkeerde neigingen, en met behulp van Gods geest hoeft het geen verliezende strijd te zijn. Zijn geweten kan zuiver zijn (Romeinen 8:2, 11-13; Hebreeën 9:14). Maar in het nieuwe samenstel van dingen zal Christus de volledige voordelen van zijn offer aanwenden, zodat de overgeërfde zwakheden, de genetische ’verkeerde informatie’ die men van zijn voorouders heeft ontvangen, gecorrigeerd zullen worden. Men zal in elk opzicht genezen worden. Wat een verademing! Wat een bevrijding wanneer men in staat zal zijn te allen tijde precies het goede te doen dat men in zijn hart wenst te doen! God zij gedankt door bemiddeling van Jezus Christus!
15. (a) Wanneer zal het iemand geen strijd meer kosten om te allen tijde het juiste te doen? (b) Hoe beklemtoont de apostel Paulus dit punt in 1 Timótheüs 1:8, 9? (c) Hoe blijkt in het geval van Jezus dat iemand die rechtvaardig is, geen wetstelsel nodig heeft waardoor dingen als moord, diefstal, enzovoort, verboden worden?
15 Gedurende de duizendjarige regering van Christus kan iemand dus geleidelijk aan steeds minder gebukt gaan onder zondige neigingen. Hij zal steeds meer het juiste doen. Wanneer vervolgens de volmaaktheid is bereikt, zal het geen strijd meer kosten om het juiste te doen. Het zal een vanzelfsprekende zaak zijn het juiste te doen. Men zal geenszins geneigd zijn te stelen, immoraliteit te bedrijven, te haten of anderen te belasteren. De apostel Paulus zei over de Mozaïsche wet, waarin maatregelen tegen deze dingen waren getroffen: „Nu weten wij dat de Wet voortreffelijk is, mits men haar op wettige wijze hanteert, in de wetenschap dat de wet niet voor een rechtvaardig mens wordt afgekondigd, maar voor wettelozen en weerspannigen, goddelozen en zondaars” (1 Timótheüs 1:8, 9). Iemand die volmaakt is, heeft geen wet nodig om hem voor deze goddeloze dingen te waarschuwen. Toen Jezus op aarde was, was het voor hem iets vanzelfsprekends het juiste te doen. Hij ’had rechtvaardigheid lief en haatte wetteloosheid’ (Hebreeën 1:9). Hij reageerde snel en vanuit het hart wanneer het erop aankwam het goede te doen en het slechte te verwerpen. Beschouwt u het verslag maar eens waarin verteld wordt hoe hij door Satan werd verzocht en ook het verslag over Petrus’ mislukte poging om Jezus ervan af te brengen de weg die God voor hem had uitgestippeld, te bewandelen. — Matthéüs 4:1-11; 16:21-23.
DE MENSEN UIT DE OPSTANDING ONTVANGEN
16. (a) Zullen uit de doden opgewekte personen voor zichzelf en hun vrienden herkenbaar zijn? (b) Met welke bedoeling brengt God iemand door middel van een opstanding op aarde terug? (c) Zal datgene wat een uit de doden opgewekte persoon in het verleden heeft gedaan, hoewel hij niet op grond van zijn vroegere daden geoordeeld zal worden, van invloed zijn op zijn leven na de opstanding?
16 Wanneer God de doden opwekt, zal hij elke persoon nauwkeurig met zijn gehele vroegere levenspatroon, persoonlijkheid en geheugen „herscheppen”. De persoon zal weten wie hij is. En anderen die hem vroeger hebben gekend, zullen hem aan zijn uiterlijke verschijning en karakteristieke trekken herkennen. Hij kan dan na de onderbreking die door zijn dood werd veroorzaakt, het leven hervatten, terwijl hij dezelfde motivaties, neigingen en trekken bezit die hij vroeger aan de dag heeft gelegd. Zijn vroegere zonden en fouten zullen echter niet als beschuldigingen tegen hem worden ingebracht. Waarom niet? Omdat God hem op aarde terugbrengt om hem de gelegenheid te geven voordeel te trekken van Christus’ offer en van zonde bevrijd te worden. Niettemin zal datgene wat de persoon in het verleden heeft gedaan, indien dit slecht was, van invloed zijn op zijn persoonlijkheid, en de daaruit voortspruitende slechte trekken zullen overwonnen moeten worden. Hoe onrechtvaardiger zijn levenswandel in het verleden is geweest, des te meer zal hij moeten veranderen. Sommigen zullen wellicht geen voordeel trekken van de gelegenheid te veranderen. — Jesaja 26:10.
17. Als iemand eeuwen geleden gestorven is, zal de tijd die er tussen zijn dood en zijn opstanding is verstreken, hem dan lang toeschijnen?
17 Voor de persoon die uit de dood wordt opgewekt, zal de tijd dat hij dood is geweest, slechts als een ogenblik schijnen, aangezien de dood een toestand van niet-bestaan is. In de bijbel wordt de dood met een diepe slaap vergeleken (Johannes 11:11-14; 1 Thessalonicenzen 4:13, 14; Prediker 9:5, 10). Duizenden jaren, of een dag, zullen slechts als een ogenblik schijnen. Voor degene die uit de dood wordt opgewekt, zal het zijn alsof hij door een deur vanuit het huidige goddeloze samenstel van dingen het rechtvaardige, ordelijke nieuwe samenstel van dingen binnengaat.
18. (a) Wat zullen de uit de doden opgewekte personen moeten leren? (b) Hoe zullen degenen die uit de doden worden opgewekt, logischerwijs niet in een volslagen onbekende wereld worden teruggebracht, waar een ’communicatiekloof’ zou bestaan?
18 Natuurlijk zal iemand die vele jaren geleden is gestorven, verbaasd zijn dat alles op aarde zo veranderd is. Hij zal er door de leden van de „grote schare” over ingelicht moeten worden wat God in die tussentijd allemaal gedaan heeft, vooral dat hij Zijn Zoon als zoenoffer heeft gegeven. Hij zal ook vernemen hoe de goede toestanden een resultaat zijn van Christus’ Koninkrijksheerschappij. Het zou in harmonie met Gods liefderijke goedheid zijn, aan te nemen dat gezinsleden en vrienden hun geliefde gestorvenen zullen kunnen terugontvangen, evenals dit het geval was met de opstandingen die in de bijbel worden vermeld (Lukas 7:12-15; 8:49-56; Hebreeën 11:35). Vervolgens zullen deze uit de doden opgewekte personen, na een periode van training, op hun beurt in staat zijn hun geliefden die nog dood zijn en die daarna teruggebracht zullen worden, te ontvangen en te helpen. Aldus zal niemand in een volslagen onbekende wereld worden teruggebracht, maar zal men veeleer een warm onthaal vinden in een gezelschap waar geen ’communicatiekloof’ bestaat. Dit proces zal voortgang vinden totdat alle losgekochte doden ten slotte zijn opgewekt. Wat een vreugdevolle tijd zal dat zijn!
GOD WORDT ’ALLES VOOR IEDEREEN’
19. Wanneer zullen de aardbewoners eeuwig leven ontvangen, hoewel door Christus’ duizendjarige heerschappij volmaaktheid tot stand gebracht zal worden?
19 Aan het einde van de duizend jaar zal het laatste spoor van zonde en hetgeen eruit voortvloeit, de dood, teniet zijn gedaan (1 Korinthiërs 15:26). Wil dit echter zeggen dat alle dan op aarde levende mensen die aldus de volmaaktheid hebben bereikt, niet meer kunnen zondigen? Neen, want de bijbel onthult dat personen die deze staat bereiken, pas van eeuwig leven verzekerd zullen zijn wanneer zij zich getrouw hebben betoond gedurende een laatste aanval door Satan de Duivel. Wanneer door toedoen van Christus’ koningschap en priesterschap de mensheid tot volmaaktheid is hersteld, geeft Christus het Koninkrijk terug aan God, en de mens bevindt zich dan weer in dezelfde verhouding tot God als eertijds Adam. De situatie is dan hersteld tot wat ze was in het begin, en alleen God zal dan bepalen wat de uiteindelijke, eeuwige bestemming van een ieder zal zijn. God laat deze aanval door Satan en zijn demonenhorden toe.
20. Welke beproeving zal aan het einde van de duizend jaar over de volmaakte aardbewoners komen?
20 In Openbaring 20:7-10 wordt beschreven op welke wijze de aardbewoners worden beproefd: „Zodra nu de duizend jaren geëindigd zijn, zal Satan uit zijn gevangenis [de afgrond, waarin hij vlak voor het begin van de duizend jaar was geworpen] worden losgelaten, en hij zal uitgaan om de natiën te misleiden die aan de vier hoeken van de aarde zijn, Gog en Magog, om hen ten oorlog te vergaderen. Het aantal van hen is als het zand der zee [een niet bekendgemaakt en derhalve door mensen niet vast te stellen aantal]. En zij trokken op over de breedte der aarde en omsingelden de legerplaats van de heiligen en de geliefde stad. Maar vuur daalde neer uit de hemel en verslond hen. En de Duivel, die hen misleidde, werd in het meer van vuur en zwavel geslingerd, waar zowel het wilde beest als de valse profeet reeds waren. En zij zullen dag en nacht gepijnigd worden tot in alle eeuwigheid.” — Vergelijk Openbaring 20:1-3.
21. (a) Welke strijdvraag zal opnieuw worden opgeworpen? (b) Hoe zal de afloop zijn?
21 Deze profetie onthult dat sommigen van de dan op aarde levende mensen zich zullen aaneensluiten om de getrouwen op aarde aan te vallen. Zij zullen hier door Satan en zijn demonen toe worden aangezet. Waarom zouden volmaakte personen dit doen? Net als Adam en Eva kiezen zij de weg van onafhankelijkheid aan God. Zij zijn ervan overtuigd dat zich nu de gelegenheid hiertoe voordoet. Satan doet aldus een ’laatste wanhopige poging’ om zijn strijd in verband met de grote strijdvraag die hij oorspronkelijk had opgeworpen, namelijk de strijdvraag inzake de rechtmatigheid van Gods heerschappij, te winnen. Hij faalt, want de getrouwen, die ongetwijfeld de grote meerderheid der mensheid zullen vormen, blijven standvastig. Vervolgens worden Satan en degenen die hem volgen, in het „meer van vuur” geslingerd. Dit is de „tweede dood”, waar zij tot in alle eeuwigheid in ’pijniging’ worden gehouden (gevangenbewaarders werden in de oudheid „pijnigers” genoemd [Matthéüs 18:34, Statenvertaling]). Zij worden voor eeuwig in een toestand van niet-bestaan ’opgesloten’.
22. (a) Hoe kan God degenen die onder de laatste beproeving getrouw blijven, veilig eeuwig leven op aarde garanderen? (b) Welk voorbeeld hebben wij dat God iemand zo grondig kan kennen dat hij er zeker van kan zijn dat die persoon nooit zal zondigen?
22 Degenen die getrouw pal zijn blijven staan voor Gods heerschappij of soevereiniteit, zullen dan eeuwig leven ontvangen. Zij zullen ’tot leven komen’, dat wil zeggen, hun zal werkelijk leven verzekerd worden (Openbaring 20:4-6). Aldus wordt God ’alles voor iedereen’ (1 Korinthiërs 15:28). Maar hoe kan God veilig garanderen dat zij voor eeuwig zullen leven? Omdat hij degenen die hem liefhebben en die zich nimmer van hem zullen afkeren, grondig kent. Dat God dit vermogen bezit, blijkt bijvoorbeeld in het geval van Jezus Christus. God kende hem zo grondig en volledig, dat hij kon voorzeggen dat Christus onder elke beproeving getrouw zou blijven. God liet zijn profeten zelfs van tevoren vele van de details optekenen in verband met dingen die Christus onder zwaar lijden in gehoorzaamheid aan God zou doen. — Jesaja 53:7, 11; Psalm 40:7-10; 45:7.
GODS VOORNEMEN TEN AANZIEN VAN DE AARDE VERWEZENLIJKT
23. Hoe zal men van het leven kunnen genieten, terwijl men volop de gelegenheid zal hebben om zijn talenten en bekwaamheden tot het welzijn van allen op aarde aan te wenden?
23 Hoewel het dus tijd heeft gevergd, zal Gods voornemen ten aanzien van de aarde op glorierijke wijze worden verwezenlijkt. De aarde zal een schitterend paradijs zijn, gevuld met mensen die God loven en liefde jegens elkaar tonen. Maar zal de aarde dan overvol worden? Neen, wij kunnen er zeker van zijn dat God weet hoeveel mensen er op gerieflijke wijze op aarde kunnen wonen. Hij kan er dus voor zorgen dat er ruimschoots voldoende plaats is voor bergen en zeeën, alsook voor het in het wild levend gedierte, en dat er dan nog voldoende plaats overblijft voor schoonheid en recreatie. Hij zal alles zo regelen dat men geen gevoel van overbevolktheid zal hebben, zoals dit thans in grote steden het geval is. Het leven zal aangenaam zijn, zonder dat ooit de harmonie onder de mensen wordt verstoord. Maar aangezien zij zullen verschillen in persoonlijkheid en in gaven of talenten en bekwaamheden, zullen er eindeloze perspectieven van interesses en genoegens zijn waarin men zich in hun gezelschap kan verheugen. De vele terreinen van activiteit zullen gelegenheid bieden voor boeiende studie, researchwerk en initiatief, en dat met een werkelijk, blijvend doel. Een ieder zal zijn talenten en bekwaamheden tot het gemeenschappelijk welzijn kunnen bijdragen en zal de energie en de tijd hiervoor hebben. — Vergelijk Jesaja 40:29-31 en het beginsel dat in Prediker 5:18-20 tot uitdrukking wordt gebracht.
24. (a) Hoe zal de verhouding tussen mens en dier dan zijn? (b) Zullen er ernstige ongelukken gebeuren?
24 Toen God de man en de vrouw schiep, gebood hij hun de aarde te onderwerpen en heerschappij over de dierlijke schepping uit te oefenen (Genesis 1:28). De aarde werd de mens als een geschenk gegeven — als zijn tehuis (Psalm 115:16). De mens zal daarom weten hoe hij voor de aarde moet zorgen en hoe hij op juiste, liefdevolle wijze heerschappij over de dieren moet uitoefenen. De dieren zullen de vrienden van de mens zijn en zullen de heerschappij van de mens op instinctieve wijze respecteren. God toonde dit toen hij het Israël uit de oudheid uit ballingschap in Babylon terugbracht (Hosea 2:18). Daar de mens dan volledig over zijn vermogens zal beschikken en al zijn zintuigen zal aanwenden, zal hij geen ernstige ongelukken maken. Kijk maar eens naar de dieren in hun natuurlijke woongebied. De vleermuis, met zijn „sonar”-uitrusting, vliegt in het donker en gaat feilloos zelfs voorwerpen zo fijn als een pianosnaar uit de weg. Een vogel maakt een volmaakte landing op een tak of twijg. Ze zijn volledig toegerust voor het leven dat ze leiden, en ze genieten van het leven. Met veel krachtiger reden kunnen wij ervan verzekerd zijn dat de mens, die superieur is aan de dieren, zich volmaakt thuis zal voelen in zijn omgeving.
25. Waarom zal het leven dan nooit saai of eentonig worden?
25 Werk zal dan een vreugde zijn. De mens zal niet ’in het zweet van zijn aangezicht’ brood hoeven te eten, zoals dit aan Adam werd gezegd nadat hij had gezondigd (Genesis 3:19). Door middel van werk en het gebruik van al hun vermogens zullen de mensen waardevolle, zinvolle doeleinden nastreven. Zoals werd afgeschaduwd door het volk Israël uit de oudheid wanneer zij de Wet gehoorzaamden, zal men volop tijd hebben voor omgang met zijn naaste en meest intieme vrienden, en tevens om nieuwe vrienden te leren kennen. Over de gehele aarde zal men dus vrienden hebben die altijd vrienden zullen blijven. Dit alles zal het resultaat zijn van het feit dat men degenen tot zijn vrienden heeft gemaakt die de mensheid het meest liefhebben, namelijk Jehovah God en zijn Zoon Jezus Christus. — Johannes 15:14.
[Illustratie op blz. 169]
Toen Jezus Christus op aarde was, heeft hij gestorvenen weer tot leven gebracht
-
-
U kunt zeker zijn van een beloningHet leven heeft wel degelijk een doel
-
-
Hoofdstuk 16
U kunt zeker zijn van een beloning
1. Aan wie hebben wij het te danken dat wij hier op aarde zijn?
HET leven is een gave van God. Er zou thans niemand leven indien God, wegens zijn eigen edelmoedigheid, niet de eerste man en vrouw had geschapen (Openbaring 4:11). Daar wij zondige mensen zijn, zouden wij hier niet zijn indien God ons niet geduldig had ’verdragen’. De psalmist schreef: „Indien gij op dwalingen zoudt letten, o Jah, o Jehovah, wie zou stand kunnen houden?” — Psalm 130:3.
2. Waarvan hangt eeuwig leven af, hoewel het leven een vrije gave is?
2 Het leven is inderdaad een vrije gave. En het is Gods wil dat het mensengeslacht in leven blijft (1 Timótheüs 2:3, 4). Hij gaf de mensheid niet slechts leven, maar leven met een doel. God geeft zijn vijanden geen eeuwig leven, want zij zouden slechts wanorde op aarde veroorzaken en anderen schade berokkenen. Of wij eeuwig leven zullen ontvangen, hangt derhalve af van ons geloof in God, hetgeen in werkelijkheid betekent dat wij vrienden van God moeten zijn. „Zonder geloof [is het] onmogelijk hem welgevallig te zijn, want wie tot God nadert, moet geloven dat hij bestaat en dat hij de beloner wordt van wie hem ernstig zoeken.” — Hebreeën 11:6.
3. Met welk doel dienen wij de bijbel voornamelijk te bestuderen?
3 Door ons geloof verwerven wij derhalve de vriendschap van God, en deze vriendschap houdt een beloning in. Door uw studie van de bijbel, waar u op het ogenblik mee bezig bent, zoekt u hem in werkelijkheid — dat wil zeggen, tracht u hem te leren kennen, te behagen en bevriend met hem te worden. En naarmate u meer omtrent hem verneemt, zal uw geloof sterker en steviger gefundeerd worden. — 2 Petrus 1:5-8.
4. Waarvan kunt u verzekerd zijn als u God oprecht zoekt door zijn Woord te bestuderen?
4 Maar misschien vraagt u zich af: ’Waarom ben ik in staat deze dingen omtrent Gods voornemen te begrijpen, terwijl velen van mijn vrienden en kennissen ze niet begrijpen?’ U kunt zich inderdaad gelukkig prijzen dat u Gods voornemen begrijpt, want het heeft God goedgedacht om u, uit miljoenen personen, met zijn voornemen bekend te maken. Hij trekt een ieder tot zich die hij wil, maar niet willekeurig of zonder goede reden. Wij kunnen niet zien wat God ziet. Zoals Jezus uiteenzette, onthult God zijn geheimen aan degenen die er oprecht moeite voor doen hem te leren kennen (Matthéüs 13:10-15). En hij weet wanneer de omstandigheden er precies juist voor zijn dat de persoon de waarheid van het goede nieuws kan inzien en begrijpen (Handelingen 8:25-36). Gods keuze van vrienden is juist. Hij begaat geen fouten. Derhalve kunt u ervan verzekerd zijn dat de gelegenheid tot eeuwig leven voor u openstaat. — Handelingen 13:48.
5. Welke liefdevolle waardering toont God jegens degenen die hem oprecht zoeken?
5 Jehovah God ziet het hart. Hij zegent degenen die hun denkvermogen gebruiken en oprecht zijn Woord onderzoeken. Hij waardeert degenen die zelfs maar de geringste dienst jegens hem verrichten en bewijst hun zijn gunst, door hun verdere gelegenheden te geven om hem te leren kennen. — Matthéüs 10:40-42.
6. Waarom dienen wij de gelegenheden die God voor ons openstelt om hem te leren kennen, niet te onderschatten of erop neer te zien?
6 De apostel Paulus gaf echter de volgende waarschuwing: „Met hem samenwerkend, verzoeken wij u ook dringend de onverdiende goedheid van God niet te aanvaarden en dan het doel ervan te missen” (2 Korinthiërs 6:1). Het wordt aan degene die door God met zijn goedheid is begunstigd, overgelaten hier waardering voor te tonen door verdere stappen te ondernemen en in een werkelijke, blijvende verhouding tot hem te geraken (2 Korinthiërs 6:2). Hoe jammer zou het zijn, wanneer iemand die Gods gunst heeft ontvangen, hem de rug toekeert en de schitterende beloning verbeurt! — Spreuken 4:5-9.
NU REEDS EEN PERSOONLIJK DOEL IN HET LEVEN
7. (a) Wat kunnen wij uit ons onderzoek tot dusver concluderen? (b) Wat zal er gebeuren wanneer iemand een doel in het leven nastreeft waarbij Gods wil buiten beschouwing wordt gelaten?
7 Wanneer u tot dusver Gods Woord hebt beschouwd met betrekking tot zijn voornemen, zal de waarheid wellicht duidelijk zijn dat ook uw eigen leven WEL DEGELIJK EEN DOEL HEEFT. Het is Gods wil dat wij ons leven in overeenstemming brengen met zijn voornemen, omdat alleen Gods wijsheid en leiding ons een wenselijk, gelukkig doel kunnen schenken. Een man of vrouw kan met goede bedoelingen een zeker doel trachten te bereiken, en een tijdlang kan het schijnen alsof dat doel met succes wordt bekroond. Maar als Gods leiding daarbij buiten beschouwing wordt gelaten, zal het slechts op frustratie uitlopen. Zo’n persoon zal in werkelijkheid niet in harmonie zijn met de rest van Gods schepping.
8, 9. Waartoe zal het leiden wanneer iemand zonder een doel door het leven gaat?
8 De apostel Paulus schreef een brief aan de jongeman Timótheüs waarin hij toonde waarom wij het nastreven van Gods wegen tot ons doel moeten maken. Hij zei: „In een groot huis nu zijn niet alleen vaten [gebruiksvoorwerpen] van goud en zilver, maar ook van hout en aardewerk, en sommige voor een eervol doel, maar andere voor een doel waaraan geen eer verbonden is. Indien iemand de laatste daarom uit de weg blijft, zal hij een vat zijn voor een eervol doel, geheiligd, bruikbaar voor zijn eigenaar [Jehovah God heeft de gehele mensheid door middel van het offer van zijn Zoon gekocht], toebereid tot ieder goed werk.” — 2 Timótheüs 2:20, 21.
9 Zonder een doel in het leven kan een persoon in deze wereld echter gemakkelijk ten prooi vallen aan slechte invloeden, want hij wordt dan als het ware „heen en weer geslingerd als door golven en her- en derwaarts gevoerd door elke wind van leer door middel van de bedriegerij van mensen, door middel van listigheid in het beramen van dwaling” (Efeziërs 4:14). Hij zal een vat worden voor een doel waaraan geen eer verbonden is.
DE DOOP, EEN ERNSTIGE MAAR NOODZAKELIJKE STAP
10. Wanneer dient iemand gedoopt te worden?
10 Nadat u vernomen en vastgesteld hebt wat Gods wil is, en nadat u zich door bemiddeling van Christus aan God hebt opgedragen om voor altijd zijn wil te doen, kunt u zich in water laten dopen. Dit is een zeer ernstige stap. U moet er zeker van zijn dat u deze weg wilt volgen. Daardoor volgt u Jezus’ voorbeeld en gehoorzaamt u zijn gebod. De doop is noodzakelijk, wil men een volgeling van Jezus Christus worden (Hebreeën 10:7; Matthéüs 3:13-15; 28:19, 20). Wanneer u zich laat dopen, maakt u in het openbaar bekend dat uw doel in het leven is, God volledig te dienen overeenkomstig zijn aan u bekendgemaakte wil en voornemen. Neem uw eigen beslissing. U dient u niet op „aandrang” van iemand anders te laten dopen, of enkel omdat iemand anders wordt gedoopt.
11. Dient een pasgedoopte persoon te denken dat hij (of zij) nu geen verdere raad of hulp meer nodig heeft? Hoe dat zo?
11 De doop als symbool van uw opdracht is echter slechts het begin van uw christelijke loopbaan. Ongeacht de opleiding of positie die u in de wereld hebt gehad, bent u, schriftuurlijk bezien, een geestelijke „baby”. Het is absoluut noodzakelijk dat u blijft studeren en hulp blijft ontvangen van degenen die God dienen (1 Korinthiërs 14:20). U hebt geregelde omgang met de christelijke gemeente nodig. Tracht niet het op uw eigen houtje te doen. — Hebreeën 10:24, 25.
12. Betekent het feit dat men een lange tijd ’in de waarheid’ is, op zichzelf dat men een rijpe christen is? Hoe dat zo?
12 Hoe lang u ’in de waarheid’ bent, is niet de enige graadmeter waardoor wordt aangegeven hoe het met uw geestelijke groei staat. Voortdurende studie en toepassing van de bijbelse beginselen zijn eveneens noodzakelijk om de vruchten voort te brengen waardoor rijpheid wordt gekenmerkt (Hebreeën 5:14; Romeinen 12:1, 2). De apostel Paulus maakte deze punten aan de vroege Hebreeuwse christenen duidelijk. Hij zei tot hen: „Ja, want ofschoon gij eigenlijk leraren moest zijn met het oog op de tijd, hebt gij wederom iemand nodig om u van het begin af de elementaire dingen van de heilige uitspraken Gods te leren, en gij zijt geworden als zij die melk, geen vast voedsel, nodig hebben.” Hij gaf hun de raad: „Laten wij . . . tot rijpheid voortgaan.” — Hebreeën 5:12; 6:1.
NAAR EEN BELONING UITZIEN IS NIET ZELFZUCHTIG
13. Is het zelfzuchtig om God met een beloning voor ogen te dienen? Licht dit toe.
13 Wanneer u een doel in het leven nastreeft als een volgeling van Jezus Christus, is het volkomen juist, en niet zelfzuchtig, naar God op te zien om u wegens uw getrouwheid aan hem te belonen (Kolossenzen 3:24). Jehovah wil dat wij weten dat hij een God is die degenen die hem liefhebben, beloont. Hij is niet zoals veel wereldse personen, die geen waardering of consideratie hebben voor degenen die uit liefde of loyaliteit dingen doen. En een god zonder waardering en loyaliteit, die zijn dienstknechten nooit beloonde, zou geen aanbidding waard zijn. Maar Jehovah God is loyaal; hij is teder en staat op intieme voet met zijn vrienden (Jeremia 3:12). Ook al zou u een grove fout begaan, smeek hem dan in gebed om vergiffenis (1 Johannes 1:9; 2:1, 2; Lukas 18:1-8). Zoek hulp bij medechristenen (Jakobus 5:16-18). Als u aan uw geloof in hem vasthoudt, zal hij „u geenszins in de steek laten noch u ooit verlaten”. — Hebreeën 13:5, 6.
14. Hoe dient, zelfs als wij God met heel onze macht gaan dienen, onze houding te zijn?
14 Wij van onze zijde dienen echter, zoals Jezus zei, niet te menen dat wij God een „gunst” bewijzen, of dat wij, door hem te dienen, leven als loon verdienen. Hij zei tot zijn discipelen: „Zo moet ook gij, wanneer gij alle dingen hebt gedaan die u zijn opgedragen, zeggen: ’Wij zijn onnutte slaven. Wij hebben gedaan wat wij moesten doen’” (Lukas 17:10). Niettemin weten wij dat God ons liefheeft en niet meent dat onze krachtsinspanningen van nul en gener waarde voor hem zijn.
15. Welke beloningen brengt getrouwheid zowel nu als in de toekomst met zich?
15 Wij kunnen dus naar grote beloningen uitzien, naar dingen die ons bevattingsvermogen verre te boven gaan. Wanneer wij God trouw blijven, schenkt dit ons, allereerst, nu reeds een beter leven, met een doel (1 Timótheüs 4:8). Vervolgens hebben wij het vooruitzicht, deel uit te maken van het „fundament” van de „nieuwe aarde”. Wat een vreugde zal het zijn, van meet af aan een aandeel te mogen hebben aan de opbouw van het aardse paradijs! Hoe geweldig zal het bovendien zijn, mensen uit de opstanding te mogen verwelkomen en hen te onderwijzen, te helpen en op te leiden! Het toekomstige leven heeft een voortreffelijk doel!
16. Waarom is het zo’n groot voorrecht God thans te dienen?
16 Maar denk niet geringschattend over de schitterende gelegenheid die u hebt om God nu te dienen. Want thans is het de laatste maal dat mensen de gelegenheid zullen hebben zich te midden van een gehele wereld van mensen die Gods voorzieningen niet kennen, aan Gods zijde van de strijdvraag inzake de universele heerschappij te scharen. Bovendien is het de laatste gelegenheid om onder tegenstand het goede nieuws aan zulke mensen bekend te maken. Wat een voortreffelijke manier om uw loyaliteit jegens God te bewijzen! (Matthéüs 24:14) Dit te doen, brengt de grootste beloning met zich. Nu hebt u de gelegenheid om met „Gods huisgezin, dat de gemeente van de levende God is, een pilaar en ondersteuning van de waarheid”, samen te werken in het bekendmaken van het goede nieuws van het Koninkrijk aan anderen. — 1 Timótheüs 3:15.
LAAT U NIET DOOR TEGENSTAND ONTHUTSEN
17. Waarom kan er tegenstand worden verwacht, en hoe dient u deze te bezien?
17 U kunt u met deze gemeente, waar God de waarheid omtrent zichzelf en zijn voornemens heeft „verankerd”, verbinden. Wees echter niet verrast of onthutst als u op tegenstand stuit wanneer u de waarheid van Gods Woord in uw leven tracht toe te passen en de waarheid tracht te spreken. De apostel Petrus sprak de volgende vertroostende woorden: „Geliefden, staat niet vreemd te kijken over de brand onder u, die over u komt als een beproeving, alsof u iets vreemds overkwam. Integendeel, blijft u verheugen, aangezien gij deel hebt aan het lijden van de Christus, opdat gij u ook gedurende de openbaring van zijn heerlijkheid moogt verheugen en verrukt moogt zijn. Indien gij om de naam van Christus wordt gesmaad, zijt gij gelukkig, want de geest der heerlijkheid, ja, de geest van God, rust op u.” — 1 Petrus 4:12-14.
18. (a) Hoe kunt u meer medegevoel ontwikkelen jegens degenen die u tegenstaan? (b) Dient u te denken dat degenen die u tegenstaan, absoluut „goddeloos” zijn? (c) Hoe dient uw reactie te zijn, ook al wordt u hardvochtig bejegend?
18 Wanneer u met tegenstand wordt geconfronteerd, is het goed terug te kijken naar uw vroegere staat — uw leven en houding voordat u Gods voornemens leerde kennen. Dit zal u helpen sympathie te gevoelen voor de situatie waarin degenen die u tegenstaan, zich bevinden en mededogen met hen te hebben. U zult wellicht inzien dat u vroeger, toen u Gods wegen nog niet kende, eveneens vele van de verkeerde dingen hebt gedaan die zij nu doen. Misschien stond u zelfs wel vijandig tegenover God, tegenover de bijbel en tegenover degenen die getuigen voor Jehovah God zijn. (Vergelijk Kolossenzen 3:5-7.) Door terug te kijken en te beseffen hoe u toen dacht, kunt u het vermijden te menen dat deze mensen absoluut „goddeloos” zijn omdat zij niet luisteren. U zult hen niet veroordelen en hen niet als een hopeloos geval opgeven. Wanneer iemand, zelfs op een hardvochtige manier, uw geloof uitdaagt, zult u „altijd gereed [zijn] u te verdedigen voor een ieder die van u een reden eist voor de hoop die in u is, maar [dit doen] met zachtaardigheid en diepe achting”. — 1 Petrus 3:15.
WEES NIET „AL TE RECHTVAARDIG”
19. (a) Hoe zou iemand in de strik kunnen vallen „al te rechtvaardig” te zijn? (b) Wat dient u te beseffen en te doen, in plaats van te denken dat u beter bent dan degenen die God niet dienen?
19 Voor iemand die de juiste levenswijze ziet, bestaat een zekere verleiding om „al te rechtvaardig” te worden. Hij is misschien geneigd een „perfectionist” te worden. Dit kan hem ertoe brengen anderen te gaan bekritiseren, op hen neer te zien en zich als rechter van zijn medemens op te werpen (Prediker 7:16; Matthéüs 7:1, 2). Hij kan het gevoel gaan krijgen dat hij net een beetje beter is dan degenen die de waarheid nog niet kennen. Maar men moet in gedachten houden dat Christus voor alle mensen gestorven is. U bent één van hen, en zonder zijn hulp zou u net als de rest zijn. Jezus Christus heeft mededogen met allen. Hij weet dat veel mensen er door de omstandigheden, en door de geest van deze wereld onder haar god Satan, toe zijn gebracht een slechte levenswijze te volgen. Er was profetisch gezegd: „Duisternis zelf zal de aarde bedekken, en dikke donkerheid de nationale groepen.” Dit is heden ten dage zo (Jesaja 60:2). Daarom is het noodzakelijk begrip en medegevoel te hebben en het ons ten doel te stellen te helpen, in plaats van te beschuldigen of te veroordelen. — 1 Thessalonicenzen 2:7, 8.
20, 21. Welk beginsel en welke handelwijze dient iemand te volgen ten aanzien van degenen die nauw aan hem (of haar) verwant zijn?
20 Een echtgenoot of echtgenote die tot een kennis van de waarheid komt, dient er derhalve moeite voor te doen een betere echtgenoot of echtgenote te worden. Een kind dient een beter, gehoorzamer kind te worden. Dit kan veel meer invloed op anderen hebben dan woorden. Hoewel alle personen die de waarheid ontvangen, enthousiast en ijverig dienen te zijn, moet men toch beseffen dat elke poging om de ongelovige partner, het familielid of de vriend te „dwingen”, een averechtse uitwerking kan hebben zodat zij hun oren zullen toesluiten. „Hak” niet op iemand omdat hij een gewoonte of geloofsovertuiging heeft die u niet goedkeurt. Betoon veeleer geduld en meer dan gewone vriendelijkheid. Wees zelfs jegens degenen die vijandig gezind zijn, „omzichtig als slangen en toch zo onschuldig als duiven”, en gebruik elke mogelijke manier, in liefde, om anderen te helpen de waarheid in te zien (Matthéüs 10:16; 1 Korinthiërs 9:20, 23). Of u nu een echtgenote, een echtgenoot of een kind bent, volg het beginsel dat door de apostel Petrus in 1 Petrus 3:1, 2 tot uitdrukking wordt gebracht:
21 „Evenzo gij vrouwen, weest aan uw eigen man onderworpen, opdat, indien sommigen niet gehoorzaam zijn aan het woord, zij zonder woord gewonnen mogen worden door het gedrag van hun vrouw, omdat zij ooggetuigen zijn geweest van uw eerbare gedrag te zamen met diepe achting.”
BEWAAR VOL VREUGDE UW RECHTSCHAPENHEID
22. (a) Zullen uw krachtsinspanningen om bijbelse beginselen toe te passen, problemen altijd uit de weg ruimen? (b) Als de dingen niet zo gaan als u het zou wensen, welke houding dient u dan te vermijden?
22 Wanneer u als een christen door het leven gaat, zal alles niet altijd zo gaan als u het zou wensen, omdat wij nog niet in Gods nieuwe samenstel van dingen zijn. Uw krachtsinspanningen om bijbelse beginselen toe te passen, zullen uw problemen niet altijd volledig oplossen of uit de weg ruimen. Maar u zult er ten zeerste door geholpen worden aan deze problemen het hoofd te bieden. U zult erdoor in staat worden gesteld al het mogelijke te doen om zulke problemen minder zwaar te maken. Als er dus dingen gebeuren die u beroeren, ga dan niet klagen. Wees veeleer gelukkig. Verheug u in de waarheid. Besef dat Adams zonde en Satans invloed als de „god van dit samenstel van dingen” de oorzaak zijn, en niet God. — 2 Korinthiërs 4:4.
23. Als er zich iets ergs in de gemeente van Gods volk voordoet, is dit dan een reden om ontmoedigd of geërgerd te zijn of te gaan mopperen?
23 Ga dus niet klagen over moeilijkheden of ongewenste voorvallen waarvan u niet had vermoed dat ze zich onder Gods volk zouden voordoen, maar trek veeleer voordeel van de gelegenheid om te tonen dat u als Christus bent, door uw rechtschapenheid te bewaren. Rechtvaardig Jehovah’s naam door te tonen dat niet alle mensen zich door moeilijkheden van God zullen laten afkeren, hetgeen de beschuldiging van de Duivel was, maar dat zij hun rechtschapenheid kunnen bewaren.
24. (a) Hoe geeft het dienen van God ons een voldoening schenkend doel in het leven? (b) Kunnen wij erop rekenen dat het leven voor eeuwig zinvol zal blijven en nooit saai of eentonig zal worden?
24 Ja, het leven heeft inderdaad een lonend doel! Met al de waardevolle dingen die wij thans kunnen doen, door onze „gaven” of bekwaamheden tot eer van God en ten dienste van onze medemensen te gebruiken, schenkt het leven werkelijk voldoening — wij vinden onze plaats in het leven. En God, die ons in zijn dienst gebruikt, vraagt niet van ons dat wij een normaal, produktief leven opgeven en asceten of anderszins fanatici worden. Integendeel, hij maakt dat wij een beter leven leiden en dat wij in ons leven meer dingen van blijvende waarde tot stand brengen. Bovendien zal God ons door alle eeuwen heen nieuwe en opwindende projecten laten uitvoeren, zodat het leven steeds zinvoller en nooit eentonig zal worden. Het is zoals de apostel Paulus aan zijn christelijke metgezellen schreef: „Mijn God zal op zijn beurt volledig in al uw behoeften voorzien naar de mate van zijn rijkdom in heerlijkheid, door bemiddeling van Christus Jezus.” — Filippenzen 4:19; Psalm 145:16; Romeinen 8:38, 39.
-