Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • Een overeenkomstige losprijs voor allen
    De Wachttoren 1991 | 15 februari
    • Wie verschaft de losprijs?

      15. Wie kon een losprijs voor de mensheid verschaffen, en waarom?

      15 De psalmist uitte de weeklacht: „Niet één van hen kan zelfs ook maar een broeder op enigerlei wijze loskopen, noch God een losprijs voor hem geven (en de loskoopprijs voor hun ziel is zo kostbaar dat die tot onbepaalde tijd heeft opgehouden).” The New English Bible zegt dat de losprijs ’voor altijd zijn mogelijkheden om te betalen te boven ging’ (Psalm 49:7, 8). Wie moest dan de losprijs verschaffen? Alleen Jehovah kon voorzien in het volmaakte „Lam . . . dat de zonde der wereld wegneemt” (Johannes 1:29). God zond geen engel om de mensheid te redden. Hij bracht het hoogste offer; hij zond namelijk zijn eniggeboren Zoon, ’degene op wie hij bijzonder gesteld was’. — Spreuken 8:30; Johannes 3:16.

      16. (a) Hoe werd bewerkstelligd dat Gods Zoon als een volmaakt mens geboren werd? (b) Hoe kon Jezus in een wettelijke zin genoemd worden?

      16 Door zijn bereidwillige deelname aan de goddelijke regeling heeft Gods Zoon „zichzelf ontledigd”, zich van zijn hemelse natuur ontdaan (Filippenzen 2:7). Jehovah bracht de levenskracht en het persoonlijkheidspatroon van zijn eerstgeboren hemelse Zoon over naar de schoot van een joodse maagd genaamd Maria. Heilige geest ’overschaduwde haar’ toen, ervoor zorgend dat het kind dat in haar schoot groeide heilig zou zijn, absoluut vrij van zonde (Lukas 1:35; 1 Petrus 2:22). Als mens zou hij Jezus genoemd worden. Maar in een wettelijke zin kon hij ’de tweede Adam’ genoemd worden, want hij kwam perfect overeen met Adam (1 Korinthiërs 15:45, 47). Jezus kon zichzelf dus offeren als „een onbesmet en onbevlekt lam”, een losprijs voor de zondige mensheid. — 1 Petrus 1:18, 19.

      17. (a) Aan wie wordt de losprijs betaald, en waarom? (b) Waarom vindt de uitwisseling feitelijk plaats, aangezien God de losprijs zowel verschaft als ontvangt?

      17 Aan wie echter zou die losprijs betaald worden? Eeuwenlang hebben theologen van de christenheid geargumenteerd dat hij werd betaald aan Satan de Duivel. Het is een feit dat de mensheid „verkocht [is] onder” de zonde en aldus onder beheersing door Satan is gekomen (Romeinen 7:14; 1 Johannes 5:19). Niettemin is Jehovah en niet Satan degene die „straf eist” voor kwaaddoen (1 Thessalonicenzen 4:6). Daarom moet zoals uitdrukkelijk in Psalm 49:7 staat, de losprijs aan God betaald worden. Jehovah stelt de losprijs beschikbaar, maar nadat het Lam Gods geofferd is, moet de waarde van zijn losprijs aan God betaald worden. (Vergelijk Genesis 22:7, 8, 11-13; Hebreeën 11:17.) Dit reduceert de losprijs niet tot een zinloze, automatische uitwisseling, alsof geld uit de ene zak werd gehaald en in de andere werd gestopt. De losprijs betreft niet zozeer een fysieke, letterlijke uitwisseling als wel een wettelijke transactie. Door erop te staan dat er een losprijs werd betaald — zelfs met grote kosten voor zichzelf — bevestigde Jehovah zijn onwankelbare trouw aan rechtvaardige beginselen. — Jakobus 1:17.

      „Het is volbracht!”

      18, 19. Waarom moest Jezus lijden?

      18 In de lente van 33 G.T. was de tijd aangebroken om de losprijs te betalen. Jezus Christus werd op valse beschuldigingen gearresteerd, veroordeeld en aan een terechtstellingspaal genageld. Hij zond smeekbeden op tot God, „met sterk geroep en tranen” vanwege de intense pijn en de vernedering die ermee gemoeid waren (Hebreeën 5:7). Was het noodzakelijk dat Jezus zo leed? Ja, want door tot het laatst toe „loyaal, schuldeloos, onbesmet, afgescheiden van de zondaars” te blijven, beslechtte Jezus definitief en op dramatische wijze de strijdvraag betreffende de rechtschapenheid van Gods dienstknechten. — Hebreeën 7:26.

      19 Het lijden dat Christus onderging, diende er ook toe hem te vervolmaken voor zijn rol als Hogepriester voor de mensheid. Als zodanig zou hij niet een of andere kille, afstandelijke bureaucraat zijn. „Want doordat hij zelf heeft geleden toen hij op de proef werd gesteld, kan hij degenen die op de proef worden gesteld, te hulp komen” (Hebreeën 2:10, 18; 4:15). Met zijn laatste adem kon Jezus in triomf uitroepen: „Het is volbracht!” (Johannes 19:30) Niet alleen had hij zijn eigen rechtschapenheid bewezen maar hij was er ook in geslaagd de basis te leggen voor de redding van de mensheid — en belangrijker nog, de rechtvaardiging van Jehovah’s soevereiniteit!

      20, 21. (a) Waarom werd Jezus uit de dood opgewekt? (b) Waarom werd Jezus Christus „levend gemaakt in de geest”?

      20 Op welke wijze zou de losprijs nu in feite ten behoeve van de zondige mensheid aangewend worden? Wanneer? Hoe? Deze zaken werden niet aan het toeval overgelaten. Op de derde dag na Christus’ dood wekte Jehovah hem uit de dood op (Handelingen 3:15; 10:40). Door deze grandioze daad, een feit dat door honderden ooggetuigen is gestaafd, beloonde Jehovah niet alleen de getrouwe dienst van zijn Zoon maar gaf hij hem ook de gelegenheid zijn verlossingswerk te voltooien. — Romeinen 1:4; 1 Korinthiërs 15:3-8.

      21 Jezus werd „levend gemaakt in de geest” en zijn aardse stoffelijk overschot werd op de een of andere ons niet onthulde manier uit de weg geruimd (1 Petrus 3:18; Psalm 16:10; Handelingen 2:27). Als een geestelijk schepsel kon de opgestane Jezus nu op triomfantelijke wijze in de hemel terugkeren. Wat moet er bij die gelegenheid een tomeloos gejubel in de hemel zijn geweest! (Vergelijk Job 38:7.) Jezus keerde niet alleen maar terug om te genieten van het hem bereide welkom. Hij kwam om nog meer werk te doen, met inbegrip van werk dat het mogelijk maakte dat de hele mensheid voordeel zou trekken van zijn losprijs. (Vergelijk Johannes 5:17, 20, 21.) Hoe hij dit bewerkte en wat het voor de mensheid betekent, zal in het volgende artikel besproken worden.

  • „Gij werdt met een prijs gekocht”
    De Wachttoren 1991 | 15 februari
    • „Gij werdt met een prijs gekocht”

      „Gij werdt met een prijs gekocht. Verheerlijkt dan toch vooral God in ulieder lichaam.” — 1 KORINTHIËRS 6:20.

      1, 2. (a) Wat opende „de wegen . . . die uit de dood leiden”? (b) Wat moest er gebeuren om Christus’ slachtoffer wettelijke geldigheid te verlenen, en hoe werd dit voorschaduwd?

      „DE WARE God is voor ons een God van reddingsdaden”, zei de psalmist, „en aan Jehovah, de Soevereine Heer, behoren de wegen toe die uit de dood leiden” (Psalm 68:20). Het slachtoffer van Jezus Christus opende die weg. Maar wilde dat slachtoffer wettelijke geldigheid bezitten, dan moest Christus persoonlijk voor God zelf verschijnen.

      2 Dit werd voorschaduwd als op de Verzoendag de hogepriester het Allerheiligste binnenging (Leviticus 16:12-15). „Toen

Nederlandse publicaties (1950-2026)
Afmelden
Inloggen
  • Nederlands
  • Delen
  • Instellingen
  • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
  • Gebruiksvoorwaarden
  • Privacybeleid
  • Privacyinstellingen
  • JW.ORG
  • Inloggen
Delen