-
GelofteInzicht in de Schrift, Deel 1
-
-
dat men iets opdroeg of heiligde), hij daarmee de gelofte deed dat hij alles waarover hij tot God gesproken had aan hem opdroeg en deze dingen niet mocht gebruiken om zijn ouders te helpen; zogenaamd mocht nu de tempel in de eerste plaats aanspraak maken op deze bezittingen, hoewel de persoon in kwestie in werkelijkheid volkomen vrij was om ze voor zichzelf te houden. — Mt 15:5, 6.
Offers in verband met geloften. Onder de Wet gingen bepaalde offers soms gepaard met brandoffers, als een aanduiding van volledige toewijding en een tot Jehovah gericht verzoek om het offer welwillend te aanvaarden (Le 8:14, 18; 16:3). Dat gold ook in verband met geloften (Nu 6:14). Bij het vervullen van speciale geloften werden brandoffers gebracht (Nu 15:3; Ps 66:13), en een ’gemeenschapsoffer dat aan Jehovah werd aangeboden om een gelofte te betalen’ moest een gaaf dier zijn, waarvan een gedeelte op het altaar werd verbrand. — Le 22:21, 22; 3:1-5.
Zie voor inlichtingen over de gelofte die Jefta vóór de strijd tegen de Ammonieten aflegde (Re 11:29-31), het artikel JEFTA.
Paulus hield zich aan de wet inzake geloften. Of de gelofte die de apostel Paulus eens aflegde, een nazireeërgelofte was of niet, is niet bekend; ook wordt niet gezegd of hij die gelofte vóór zijn bekering tot het christendom aflegde. Mogelijk beëindigde hij de periode van zijn gelofte in Kenchrea (bij Korinthe), toen hij zijn haar kort liet knippen (Han 18:18) of, zoals sommigen aannemen, in Jeruzalem, toen hij met nog vier mannen wier geloften eveneens afgelopen waren, naar de tempel ging. Dit laatste deed Paulus echter op aanraden van het besturende lichaam van de christelijke gemeente, om te bewijzen dat hij ordelijk wandelde en niet tot ongehoorzaamheid aan de Wet aanmoedigde, zoals enkele joodse christenen via geruchten ter ore was gekomen. Het was algemeen gebruikelijk dat iemand — zoals in dit geval Paulus — voor anderen de kosten betaalde die gemoeid waren met de ceremoniële reiniging aan het einde van de periode van een gelofte. — Han 21:20-24.
Dat de apostel Paulus en de andere leden van het christelijke besturende lichaam hun goedkeuring hechtten aan het opvolgen van bepaalde voorschriften van de Wet, hoewel die Wet door het offer van Jezus Christus uit de weg was geruimd, kan de volgende reden gehad hebben: De Wet was door Jehovah God aan zijn volk Israël gegeven. Daarom zei de apostel Paulus: ’De Wet is geestelijk’, en over de voorschriften: ’De Wet is heilig, en het gebod is heilig en rechtvaardig en goed’ (Ro 7:12, 14). Bijgevolg werden noch de tempel noch de daar verrichte diensten door de christenen als iets verachtelijks of verkeerds beschouwd. De tempel en de tempeldienst hadden niets met afgodenaanbidding te maken. Bovendien waren veel dingen die de Wet voorschreef, bij de joden ingeburgerd geraakt, en daarbij komt nog dat de Wet niet slechts een religieus karakter bezat, maar tevens de wet van het land was, zodat bepaalde voorschriften, zoals de arbeidsbeperkingen op de sabbat, door alle inwoners van het land in acht genomen moesten worden.
Het belangrijkste bij het beschouwen van deze aangelegenheid is echter het feit dat de christenen niet naar deze dingen opzagen voor redding. De apostel Paulus verklaarde dat bepaalde dingen, zoals het eten van vlees of groente, het in acht nemen van bepaalde dagen, ja, zelfs het eten van vlees dat aan afgoden was geofferd voordat het voor de normale verkoop op de markt kwam, gewetenskwesties waren. Hij schreef: „De een oordeelt dat de ene dag belangrijker is dan de andere; een ander oordeelt dat de ene dag gelijk is aan alle andere; een ieder zij volledig overtuigd in zijn eigen geest. Wie de dag onderhoudt, onderhoudt die voor Jehovah. En wie eet, eet voor Jehovah, want hij brengt dank aan God; en wie niet eet, eet niet voor Jehovah, en toch brengt hij dank aan God.” Vervolgens vatte hij zijn redenering samen in het beginsel: „Want het koninkrijk Gods betekent niet eten en drinken, maar het betekent rechtvaardigheid en vrede en vreugde met heilige geest”, en hij besloot met de woorden: „Gelukkig is hij die zichzelf geen oordeel op de hals haalt door wat hij goedkeurt. Indien hij echter twijfels heeft, is hij reeds veroordeeld indien hij eet, omdat hij niet uit geloof eet. Ja, alles wat niet uit geloof is, is zonde.” — Ro 14:5, 6, 17, 22, 23; 1Kor 10:25-30.
De bijbelgeleerde Albert Barnes geeft in zijn werk Notes, Explanatory and Practical, on the Acts of the Apostles (1858) een verhelderend commentaar hierover. Na gewag te hebben gemaakt van Handelingen 21:20 — waar staat: „Toen zij dit hadden gehoord [een verslag over de wijze waarop Paulus’ bediening onder de natiën door God gezegend was], gingen zij God verheerlijken, en zij zeiden tot hem: ’Gij ziet, broeder, hoeveel duizenden gelovigen er onder de joden zijn; en zij zijn allen vol ijver voor de Wet’” — merkt Barnes op: „Het gaat hier om de wet inzake de besnijdenis, de offers, het maken van onderscheid in vlees, het in acht nemen van dagen, feesten, enz. Het kan vreemd lijken dat zij deze gebruiken nog steeds in acht namen, aangezien het de duidelijke opzet van het christendom was ze af te schaffen. Maar wij moeten het volgende in gedachte houden: (1.) Dat die gebruiken door God waren ingesteld, en dat zij altijd gewend waren geweest ze in acht te nemen. (2.) Dat de apostelen zich eraan hielden terwijl zij zich in Jeruzalem bevonden, en dat zij het niet verstandig achtten er met alle geweld tegen in te gaan [Han 3:1; Lu 24:53]. (3.) Dat de vraag of ze in acht genomen moesten worden, in Jeruzalem nooit ter sprake was gebracht. Alleen onder de heidense bekeerlingen was die vraag gerezen, en bij hen moest ze rijzen, want als zij die gebruiken in acht moesten nemen, dan hadden ze hun opgelegd moeten worden. (4.) De beslissing van het concilie (hfdst. xv.) gold alleen de heidense bekeerlingen [Han 15:23] . . . (5.) Men mocht aannemen dat naarmate de christelijke religie beter begrepen werd — dat naarmate haar omvangrijke, vrije, en [universele] aard zich steeds meer ontwikkelde, de bijzondere instellingen van Mozes vanzelf terzijde gesteld zouden worden, zonder ophef en zonder tumult. Was de vraag in Jeruzalem [in het openbaar] ter sprake gekomen, dan zou dit een tienmaal zo krachtige tegenstand tegen het christendom tot gevolg hebben gehad, de christelijke kerk hebben versplinterd en de voortgang van de christelijke leer sterk belemmerd hebben. Wij moeten ook het volgende in gedachte houden: (6.) Dat volgens hetgeen door de Goddelijke Voorzienigheid was bepaald, de tijd naderbij kwam dat de tempel, de stad en de natie verwoest zouden worden; dan zouden de offers ophouden en zou er metterdaad voor altijd een eind komen aan het in acht nemen van de Mozaïsche gebruiken. Aangezien deze verwoesting zo nabij was en zo’n afdoend argument tegen het in acht nemen van de Mozaïsche gebruiken zou zijn, liet het Grote Hoofd van de kerk niet toe dat de vraag met betrekking tot de inachtneming ervan nodeloos onder de discipelen in Jeruzalem tot een strijdpunt werd gemaakt.”
-
-
GeloofInzicht in de Schrift, Deel 1
-
-
GELOOF
Het woord „geloof” is een vertaling van het Griekse piʹstis, dat vooral de gedachte overbrengt van vertrouwen en krachtige overtuiging. Afhankelijk van de context kan het Griekse woord ook „getrouwheid” of „trouw” betekenen. — 1Th 3:7; Tit 2:10.
De Schrift vertelt ons: „Geloof is de verzekerde verwachting van dingen waarop wordt gehoopt, de duidelijke demonstratie van werkelijkheden die echter niet worden gezien” (Heb 11:1). „Verzekerde verwachting” is een vertaling van het Griekse woord hu·poʹsta·sis. Deze uitdrukking komt veelvuldig in oude papyrus-handelsdocumenten voor. Ze brengt de gedachte over van iets wat aan zichtbare of waarneembare omstandigheden ten grondslag ligt en een toekomstig bezit garandeert. Met het oog hierop bevelen Moulton en Milligan de volgende vertaling aan: „Geloof is de eigendomsakte van dingen waarop wordt gehoopt” (Vocabulary of the Greek Testament, 1963, blz. 660). Het Griekse woord e·legʹchos (spreek uit: e·lenʹchos), dat met „duidelijke demonstratie” is weergegeven, brengt de gedachte over van het overleggen van bewijzen waardoor iets gedemonstreerd of getoond wordt, vooral iets wat tegengesteld is aan wat het geval schijnt te zijn. Daardoor maakt dit bewijs duidelijk wat voorheen niet werd onderscheiden en weerlegt dus wat slechts het geval schéén te zijn. „De duidelijke demonstratie”, of het bewijs waarop een overtuiging is gebaseerd, is zo onomstotelijk of krachtig dat er maar één woord voor is: geloof.
Geloof is derhalve de basis voor hoop en het bewijs dat als grondslag dient voor een overtuiging aangaande werkelijkheden die niet worden gezien. Het ware christelijke „geloof” omvat alle ware leringen die Jezus Christus en zijn geïnspireerde discipelen hebben overgedragen (Jo 18:37; Ga 1:7-9; Han 6:7; 1Ti 5:8). Het christelijke geloof is gebaseerd op het gehele Woord van God, met inbegrip van de Hebreeuwse Geschriften, waarnaar Jezus en de schrijvers van de christelijke Griekse Geschriften veelvuldig verwezen om hun uitspraken kracht bij te zetten.
Geloof is op concrete bewijzen gebaseerd. De zichtbare scheppingswerken getuigen van het bestaan van een onzichtbare Schepper (Ro 1:20). De historische gebeurtenissen die tijdens de bediening van Jezus Christus en zijn leven op aarde plaatsvonden, identificeren hem als de Zoon van God (Mt 27:54; zie JEZUS CHRISTUS). Het feit dat God in het verleden voor zijn aardse schepselen heeft gezorgd, vormt een deugdelijke basis voor het geloof dat hij beslist ook in de toekomst voor zijn dienstknechten zal zorgen. En als de Gever en Hersteller van het leven heeft hij een overvloed aan bewijzen verschaft voor de geloofwaardigheid van de opstandingshoop (Mt 6:26, 30, 33; Han 17:31; 1Kor 15:3-8, 20, 21). Bovendien boezemen de betrouwbaarheid van Gods Woord en de nauwkeurige vervulling van de daarin vervatte profetieën het vertrouwen in dat al Zijn beloften verwezenlijkt zullen worden (Joz 23:14). Men kan dus vele voorbeelden aanhalen waaruit blijkt dat ’het geloof volgt op hetgeen wordt gehoord’. — Ro 10:17; vgl. Jo 4:7-30, 39-42; Han 14:8-10.
Geloof is derhalve geen lichtgelovigheid. Iemand die zich wellicht spottend over het geloof uitlaat, stelt gewoonlijk zelf geloof in loyale en
-