Psalmen
Aan de leider. „Verderf niet.” Van Da̱vid. Miktam.* Toen Saul [boden] zond en zij het huis bleven bewaken om hem ter dood te brengen.+
59 Bevrijd mij van mijn vijanden, o mijn God;+
Moogt gij mij beschermen tegen hen die tegen mij opstaan.+
2 Bevrijd mij van de beoefenaars van wat schadelijk is,+
En red mij van mannen aan wie bloedschuld kleeft.
3 Want zie! zij hebben geloerd op mijn ziel;+
Sterken doen een aanval op mij,+
Niet om enige opstandigheid van mijn zijde of enige zonde van mijn zijde, o Jehovah.+
4 Hoewel er geen dwaling is, schieten zij toe en maken zich gereed.+
Ontwaak toch wanneer ik roep en zie.+
5 En gij, o Jehovah God der legerscharen, zijt de God van I̱sraël.+
Word toch wakker om uw aandacht op alle natiën te richten.+
Betoon geen der schadelijke verraders gunst.+ Sela.
7 Zie! Zij doen [woorden] opborrelen met hun mond;+
Zwaarden zijn op hun lippen,+
Want wie luistert er?+
10 De God van liefderijke goedheid* ten opzichte van mij* zal mij zelf tegemoet komen;+
God zelf zal mij op mijn vijanden doen zien.+
11 Dood hen niet, opdat mijn volk [het] niet vergeet.+
Doe hen door uw vitale kracht omdolen,+
En stort hen neer, o ons schild, Jehovah,*+
12 [Om] de zonde van hun mond, het woord van hun lippen;+
En mogen zij gevangen worden in hun trots,+
Ja, om de vervloeking en het bedrog waaraan zij zich constant schuldig maken.
13 Maak in woede een eind [aan hen];+
Maak een eind [aan hen], opdat zij er niet meer zijn;
En mogen zij weten dat God heerst in Ja̱kob tot aan de einden der aarde.+ Sela.
15 Laat diezelfden ronddolen om iets te eten te zoeken;+
Laat hen niet verzadigd worden of overnachten.+