35 En al zijn zonen en al zijn dochters maakten zich voortdurend op om hem te troosten,+ maar steeds weigerde hij zich te laten troosten en zei:+ „Want rouwend zal ik naar mijn zoon in Sjeo̱o̱l* afdalen!” En zijn vader bleef om hem wenen.
30 Maar indien het iets geschapens is wat Jehovah zal scheppen,+ en de grond zijn mond moet openen en hen moet verzwelgen+ met alles wat hun toebehoort, en zij levend in Sjeo̱o̱l* moeten afdalen,+ dan zult GIJ zeker weten dat deze mannen Jehovah met minachting bejegend hebben.”+
10 Alles wat uw hand te doen vindt, doe dat met uw krácht,+ want er is geen werk noch overleg noch kennis+ noch wijsheid+ in Sjeo̱o̱l,*+ de plaats waarheen gij gaat.+
14 Uit de hand van Sjeo̱o̱l* zal ik hen verlossen;+ uit de dood* zal ik hen terughalen.*+ Waar zijn uw angels, o Dood?+ Waar is uw vernietigende kracht, o Sjeo̱o̱l?*+ Ja, mededogen zal voor mijn ogen verborgen zijn.+
13 En de zee gaf de doden in haar op, en de dood en Ha̱des* gaven de doden+ in hen op, en zij werden ieder afzonderlijk geoordeeld overeenkomstig hun daden.+