5 En de Egyptenaren zullen stellig weten dat ik Jehovah ben, wanneer ik mijn hand tegen Egy̱pte uitstrek,+ en ik zal de zonen van I̱sraël inderdaad uit hun midden wegleiden.”+
10 Hierop antwoordde Na̱bal Da̱vids knechten en zei: „Wie is Da̱vid,+ en wie is de zoon van I̱saï? De knechten die zich losscheuren, een ieder van zijn meester,* zijn tegenwoordig vele geworden.+