19 Derhalve zeiden de magie-beoefenende priesters tot Farao: „Het is de vinger+ van God!”+ Maar Farao’s hart bleef verstokt,+ en hij luisterde niet naar hen, juist zoals Jehovah gesproken had.
22 En op die dag zal ik het land Go̱sen, waar mijn volk zich bevindt, stellig apart onderscheiden, dat daar geen steekvliegen voorkomen;+ opdat gij moogt weten dat ik Jehovah ben in het midden van het land.*+
4 Ik dan zal Farao’s hart inderdaad verstokt laten worden,+ en hij zal hen stellig najagen en ik zal door bemiddeling van Farao en al zijn strijdkrachten heerlijkheid voor mijzelf verkrijgen;+ en de Egyptenaren zullen stellig weten dat ik Jehovah ben.”+ Bijgevolg deden zij precies zo.