15 Op zijn dag dient gij hem zijn loon te geven,+ en de zon dient daarover niet onder te gaan, want hij verkeert in moeilijkheden en heft zijn ziel op naar zijn loon; opdat hij niet tegen u tot Jehovah roept+ en het van uw zijde zonde moet worden.+
13 Wee degene die zijn huis bouwt,+ maar niet met rechtvaardigheid, en zijn opperzalen, maar niet met gerechtigheid, door uitbuiting van zijn naaste die om niet dient en wiens loon hij hem niet geeft;+
4 Ziet! Het loon dat de werkers toekomt die UW velden hebben geoogst maar dat GIJ hebt ingehouden,+ blijft het uitroepen,+ en de hulpkreten+ van de zijde der oogsters zijn tot de oren+ van Jehovah* der legerscharen doorgedrongen.