22 Toen zij optrokken, de Ne̱geb in,+ kwamen zij vervolgens tot He̱bron.+ Nu waren daar Ahi̱man, Se̱sai en Ta̱lmai,+ die aan E̱nak* geboren waren.+ Terloops zij opgemerkt dat He̱bron+ zeven jaar eerder was gebouwd dan het Egyptische Zo̱an.+
28 Niettemin zijn de feiten dat het volk dat in het land woont, sterk is en de versterkte steden zeer groot zijn;+ en ook hebben wij daar degenen gezien die aan E̱nak geboren zijn.+
33 En wij hebben daar de Ne̱filim gezien, de zonen van E̱nak,+ die van de Ne̱filim afkomstig zijn, zodat wij in onze eigen ogen als sprinkhanen werden, en dat werden wij ook in hun ogen.”+
28 Waarheen trekken wij op? Onze broeders hebben ons hart doen smelten,+ door te zeggen: „Een volk, groter en rijziger dan wij,+ steden, groot en tot aan de hemel versterkt,+ en ook de zonen van de Enakieten+ zagen wij daar.”’
2 een volk, groot en rijzig, de zonen van de Enakieten,+ van wie gij zelf hebt geweten en zelf hebt horen zeggen: ’Wie kan zich voor de zonen van E̱nak krachtig staande houden?’