22 En Jehovah zei verder tot Mo̱zes:+ „Dit dient gij tot de zonen van I̱sraël te zeggen: ’GIJ hebt zelf gezien dat ik uit de hemel met U gesproken heb.+
19 en het geschal van een trompet+ en de stem van woorden;+ op het horen van welke [stem] het volk smeekte dat er geen woord verder meer tot hen gesproken zou worden.+