2 Sa̱ra dan stierf in Ki̱rjath-A̱rba,+ dat wil zeggen He̱bron,+ in het land Ka̱naän,+ en A̱braham ging naar binnen om over Sa̱ra te weeklagen en haar te bewenen.
27 Ten slotte kwam Ja̱kob bij zijn vader I̱saäk, te Ma̱mré,+ te Ki̱rjath-A̱rba,+ dat wil zeggen He̱bron, waar A̱braham en ook I̱saäk als vreemdeling hadden vertoefd.+
7 Bijgevolg verleenden zij een status van heiligheid aan Ke̱des*+ in Galile̱a,* in het bergland van Na̱ftali, en aan Si̱chem,+ in het bergland van E̱fraïm, en aan Ki̱rjath-A̱rba,+ dat wil zeggen He̱bron, in het bergland van Ju̱da.