6 Nu ging Jehovah aan zijn aangezicht voorbij en riep: „Jehovah, Jehovah, een God* barmhartig+ en goedgunstig,+ langzaam tot toorn+ en overvloedig in liefderijke goedheid*+ en waarheid,*+
23 Maar Jehovah betoonde hun gunst+ en was hun barmhartig+ en keerde zich tot hen ter wille van zijn verbond+ met A̱braham,+ I̱saäk+ en Ja̱kob;+ en hij wilde hen niet in het verderf storten,+ en hij heeft hen tot nu toe nog niet van voor zijn aangezicht weggeworpen.