26 Toch keerde Jehovah* zich niet af van de grote hitte van zijn toorn, waarmee zijn toorn ontbrand was tegen Ju̱da+ vanwege al de krenkingen waarmee Mana̱sse hen ertoe gebracht had [hem] te krenken.+
10 die van het begin af de afloop vertelt,+ en van oudsher de dingen die niet gedaan zijn;+ die zegt: ’Míȷ́n raad zal tot stand komen+ en al mijn welbehagen zal ik doen’;+
14 Ikzelf, Jehovah, heb gesproken.+ Het moet komen+ en ik zal stellig handelen. Ik zal [het] niet nalaten,+ noch zal ik deernis gevoelen,+ noch spijt gevoelen.+ Overeenkomstig uw wegen en overeenkomstig uw handelingen zal men* u stellig richten’,+ is de uitspraak van de Soevereine Heer Jehovah.”