12 „Komt! Laat ik wat wijn halen; en laten wij bedwelmende drank drinken totdat wij niet meer kunnen.+ En de dag van morgen zal stellig weer net als die van vandaag blijken te zijn, groots op een nog veel grootsere wijze.”+
27 „Mensenzoon, zie! die van het huis van I̱sraël zeggen: ’Het visioen dat hij schouwt, ligt vele dagen in het verschiet, en met betrekking tot tijden die veraf zijn, profeteert hij.’+
4 en zeggen:+ „Waar is nu de beloofde tegenwoordigheid* van hem?+ Ach wat, van de dag af dat onze voorvaders zijn ontslapen, blijven alle dingen precies zo als sedert het begin der schepping.”+