7 Als een van je broeders arm wordt in een van de steden in het land dat Jehovah, je God, je geeft, wees dan niet harteloos of gierig tegenover je arme broeder.+8 Je moet juist vrijgevig zijn+ en hem in elk geval lenen* wat hij nodig heeft of tekortkomt.
15 Stel dat er broeders of zusters zijn die nauwelijks kleding hebben* en niet genoeg voedsel voor die dag. 16 Als een van jullie dan tegen hen zegt: ‘Het ga je goed.* Kleed je warm en zorg dat je goed eet’, maar ze niet geeft wat het lichaam nodig heeft, wat voor nut heeft dat dan?+
20 Als iemand zegt: ‘Ik houd van God’ maar toch zijn broeder haat, is hij een leugenaar.+ Want wie niet van zijn broeder houdt,+ die hij ziet, kan ook niet van God houden, die hij niet ziet.+