Een lange tijd, maar niet langer dan nodig
BIJNA zesduizend jaar zijn er verstreken sinds de mensheid haar eigen weg is gegaan, onafhankelijk van God. Het is moeilijk voor te stellen hoezeer miljoenen mensen gedurende deze duizenden jaren — door oorlogen, honger, misdaad en onrecht — hebben moeten lijden.
Zelfs als wij het feit aanvaarden dat het gedrag van de mensheid tegengesteld is geweest aan Gods wil zoals die in de bijbel wordt uiteengezet, blijft de vraag bestaan: Waarom heeft God alles zo lang op deze wijze laten voortgaan? Waarom heeft hij niet eerder ingegrepen om een eind aan menselijk lijden te maken ? Waarom heeft hij zelfs mensen die zijn wil probeerden te doen, laten meelijden met de rest? Daar is een reden voor, een ernstige reden.
Een strijdvraag die een oplossing behoeft
De reden is dat er een strijdvraag was ontstaan die opgelost moest worden. Door de opstand die binnen Jehovah Gods universele gezin was uitgebroken, werden de juistheid en de rechtmatigheid van Gods regering in twijfel getrokken. Zouden de mensen, of zelfs geestelijke zonen van God, geluk en voorspoed vinden bij zo’n onafhankelijke gedragslijn? Zou hun lot op deze wijze werkelijk verbeteren? Of zou in de loop van de tijd zulk een gedragslijn noodlottig blijken, een trieste mislukking, en Gods weg de juiste beste en enige weg tot leven in vrede, zekerheid en geluk?
Zo’n vraag zou geen dagen of jaren, maar vele generaties in beslag nemen voordat het antwoord onomstotelijk zou komen vast te staan. Hoeveel tijd het ook zou kosten, de oplossing van deze vraag zou het waard zijn, want het hele universum met zijn toekomstige vrede en goede gang van zaken was erbij betrokken.
Door de tijd die God voor het oplossen van deze vraag had uitgetrokken, zouden eveneens al zijn intelligente schepselen de gelegenheid krijgen duidelijk te maken aan welke kant van de strijdvraag zij hun standpunt zouden innemen. Zij die Gods zijde hadden gekozen, zouden de gelegenheid hebben te bewijzen hoe onverbrekelijk toegewijd en loyaal zijn schepselen aan zijn regering kunnen zijn, onder alle soorten van omstandigheden, zelfs bij onrechtvaardige vervolging en dood. Hij zou hen laten tonen dat liefde voor Hem en voor rechtvaardigheid een veel sterkere kracht is dan zelfzucht, zoals dit ook in het geval van zijn getrouwe dienstknecht Job werd gedemonstreerd. — Job 1:7-12; Rom. 5:3-5.
Op deze wijze zal de kwestie niet maar half worden opgelost, maar zal er een volledig, afdoend antwoord worden verschaft, een antwoord dat nooit meer op enig tijdstip in de toekomst herhaald behoeft te worden. Jehovah God zal met niets minder dan dit genoegen nemen en wij kunnen er blij om zijn dat dit zo is, want alleen door de zaak op deze wijze op te lossen, kan de weg geopend worden tot oneindige vrede en zekerheid voor zijn gehele universele familie, in hemel en op aarde. Thans zijn de bewijzen er dat de tijd ten einde loopt en dat het tijdstip waarop God gaat ingrijpen beslist nabijgekomen is. Wat is het gevolg geweest dat hij tot nu toe de tijd heeft genomen? Wat is er gebleken?
De gevolgen van ’s mensen onafhankelijke gedragslijn nu duidelijk
De mensheid heeft thans ruimschoots de gelegenheid gehad om te tonen wat ze kan presteren op het gebied van regeren en onderhouden van deze planeet, terwijl ze dit afgescheiden van God tracht te doen. Weliswaar gebruiken sommige regeringen uitdrukkingen als „Op God vertrouwen wij”, terwijl veel personen als zij in moeilijkheden zitten, misschien uitroepen: „God help ons!”, maar in werkelijkheid heeft de mensheid in haar geheel zich weinig van Gods Woord aangetrokken en heeft ze zich er niet voor geïnteresseerd zijn wil te weten te komen. Net als in het geval van de oude natie Israël heeft God „hen [laten] gaan in de verstoktheid van hun hart; zij gingen in hun eigen raadslagen wandelen” (Ps. 81:12). Waar heeft dit toe geleid?
Vooral gedurende de laatste halve eeuw hebben mensen dingen gedaan die ze zich voorheen zelfs niet hadden kunnen voorstellen. Zij wandelen op de maan, omspannen de aarde met een netwerk van communicatiemiddelen, bouwen enorme fabrieken, enorme vliegtuigen, enorme schepen, temmen de atoomkracht, ontwerpen verbazingwekkende computers die in fracties van seconden ingewikkelde wiskundige berekeningen uitvoeren. Maar in hoeverre heeft dit alles echter bijgedragen tot verlichting voor de mensheid? Is de menselijke familie tegenwoordig beter gevoed, beter gehuisvest, veiliger en gelukkiger?
Hoe staat het met het voedsel? Een rapport van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties luidde: „De wereldsituatie in 1974 blijft moeilijker en onzekerder dan ooit sedert de jaren volgend op de verwoesting van de Tweede Wereldoorlog.” Eenvoudig gezegd: tegenwoordig lijdt één op elke vier mensen op aarde aan ernstige ondervoeding. Is dit een succes?
En hoe is de toestand in de meer welvarende, geïndustrialiseerde landen? In een onlangs uitgegeven rapport in de Verenigde Staten staat het antwoord: „De sombere en tragische waarheid is dat wij reeds verscheidene jaren achtereen hebben moeten terugwijken bij onze strijd om een eind te maken aan honger, armoede en ondervoeding.” — New York Times, 20 juni 1974, blz. 1, 17.
De mensen beweren snoevend dat zij de aarde hebben „veroverd”, maar de Zweedse geleerde Georg Borgstrom zegt: „’s Mensen ingrijpen op het aardoppervlak is werkelijk ontzagwekkend geweest. . . . Hij heeft echter meer woestijnen geschapen dan hij ooit nieuw land heeft bevloeid; hij heeft meer dan de helft van de wouden van de wereld omgehakt; uitgestrekte landstreken van vegetatie ontdaan en ze aan de verwoestende krachten van water en wind blootgesteld; en door roofbouw heeft hij dikwijls meer hectaren bovengrond bedorven dan hij ooit opgebouwd of opnieuw ontgonnen heeft.”
Steeds meer laten geleerden de waarschuwing horen dat het misbruiken van de energie en het verontreinigen van de lucht door de mens ernstige veranderingen kan teweegbrengen in het weer en het klimaat. Werkelijk, toont de huidige situatie niet aan hoezeer de mensheid de leiding van de Maker van de aarde nodig heeft om deze planeet weer in de aangename en produktieve staat te brengen waardoor ze tot een waarlijk prettig tehuis zal worden, een woonplaats die zelfs vrij zal zijn van verwoestende stormen?
De mens heeft verbazingwekkende methoden ontwikkeld voor de snelle bouw van huizen en geweldige wolkenkrabbers. Toch neemt het aantal achterbuurten over de hele wereld niet af, integendeel, ze grijpen steeds meer om zich heen. En de menselijke familie neemt thans met ongeveer 78 miljoen zielen per jaar toe.
Zelfs overvloedig veel voedsel en goede huizen kunnen geen geluk brengen tenzij degenen die dat bezitten ook zekerheid genieten. Daarover echter heeft de secretaris-generaal van de V.N., K. Waldheim, onlangs gezegd: „Ondanks de materiële vooruitgang heeft het menselijke leven nooit een grotere onzekerheid gekend dan juist in deze tijd.”
Aan de meest elementaire behoeften van de menselijke familie — voedsel, frisse lucht en zuiver water, goede huizen, zekerheid — is door de menselijke heerschappij, afgescheiden van God, niet met succes voldaan. Niet alleen zijn deze behoeften niet bevredigd; de toestand is thans ernstiger dan ooit tevoren. Zo erkende het hoofd van de Roosevelt-universiteit, R. A. Weil: „Het is te zwak uitgedrukt als men zegt dat oude problemen niet zijn opgelost . . . integendeel, [ze] zijn alleen maar wereldomvattender en kritieker geworden. . . . wij staan thans voor wereldwijde problemen van ongekende omvang.” — Vital Speeches of the Day, 1 februari 1974, blz. 236.
Terwijl sommigen trachten God van deze toestanden de schuld te geven, zijn er zelfs mensen uit de wereld die erkennen dat de oorzaak ergens anders ligt. Wijzend op het werkelijke probleem, schreef redacteur J. Reston van de New York Times: „Men kan tegenwoordig nauwelijks een vluchtige blik slaan op de koppen in de krant zonder zich af te vragen waar het met de wereld naartoe gaat. . . . zie wat er gebeurt als mensen, instellingen en landen hun zelfzuchtige belangen boven alles stellen. . . . De naakte feiten in alle landen tonen aan dat het spelen van dit zelfzuchtige spelletje niet opgaat.” De mensheid heeft dit „spelletje” echter al zesduizend jaar lang gespeeld en toont nog geen enkele neiging er een eind aan te maken.
Welke rol hebben de religies van de wereld gespeeld?
Zijn de religies van de wereld in dezen vrij van verantwoordelijkheid geweest? Hebben zij zich werkelijk bezorgd getoond voor de menselijke familie en de mensheid geholpen goddelijke zegeningen te vinden? Hebben zij de mensheid de weg teruggewezen naar onderworpenheid aan Jehovah Gods soevereiniteit?
De geschiedenis getuigt ervan dat de religieuze organisaties van de wereld dikwijls als ’dikke vrienden’ met de politieke machten hebben samengewerkt, hebben geholpen bij het opbouwen van enorme wereldrijken, door te zorgen dat het volk overheersende en corrupte regeerders gunstig gezind bleef. Behalve hun eigen gewelddadige kruistochten en inquisities, hebben de religieuze leiders politieke en commerciële oorlogen gezegend en officiële corruptie vergoelijkt. In ruil hiervoor hebben de religieuze organisaties voordeel en aanzien verworven. Ook op hen rust een belangrijk deel van de verantwoordelijkheid voor het lijden der mensheid.
Laten wij slechts één voorbeeld uit onze eigen tijd aanhalen. In een artikel in de New York Times Magazine over het door droogte getroffen Ethiopië, werd gezegd:
„Droogte of geen droogte, de kerk die een derde van al het land bezit, heeft de pacht van de verarmde boeren opgeëist, evenals trouwens de adel. De kleine boeren in Ethiopië hebben ongeveer 90 percent van hun oogst aan pacht en belasting moeten besteden.”
De religies van de wereld zijn er niet in geslaagd onder hun religieuze lidmaten een geest van eerlijkheid, bescheidenheid, naastenliefde en een hoge moraal aan te kweken. Immoraliteit, misdadigheid, rassenverdeeldheid en oneerlijkheid onder werknemers neemt hand over hand toe — zoals ook in de Saturday Review/World van 18 mei 1974 wordt gemeld: „Waar men ook rondkijkt, de tekenen dat het morele koord aan het uitrafelen is, zijn niet te loochenen.”
Waarom een zorgzame God dit alles kon toelaten
De mens zal nooit al de pijn, alle verdriet en al de schade die een van God onafhankelijke heerschappij gedurende bijna zesduizend jaar heeft veroorzaakt, kunnen uitwissen, maar Jehovah God kan dit wel. Hij kan niet alleen een eind maken aan menselijk lijden door het zelfzuchtige menselijke wanbeheer en menselijke heerschappij over deze aarde weg te vagen (Dan. 2:44). Hij kan het zelfs zo regelen alsof alle nadelige gevolgen ervan nooit zijn geschied. Hoe dan ?
Wel, als de Schepper van het leven is hij in staat degenen die gestorven zijn, tot leven terug te brengen. Zijn Woord toont aan dat hij tijdens de Koninkrijksheerschappij van zijn Zoon de graven van hun doden zal ontdoen en dat hij deze opgestane personen de gelegenheid zal geven een gedragslijn te volgen welke tot eeuwig leven leidt (Joh. 5:26-29; Hand. 24:15; Openb. 20:11-13). Daardoor zal het worden zoals in de geïnspireerde profetie in Jesaja 25:8 staat beschreven: „Hij zal werkelijk de dood voor eeuwig verzwelgen en de Heer Jehovah zal stellig de tranen van alle aangezichten wissen.”
Door het herstellen van een paradijstoestand op aarde en het brengen van vrede, gerechtigheid en eenheid over de gehele aarde door middel van de heerschappij van de rechtvaardige regering van zijn Zoon, kan God elke bittere herinnering aan het verleden uit de geest van de levenden wissen. Evenals dit het geval was toen hij het Israël uit de oudheid na jaren van ballingschap in Babylon naar hun vaderland had teruggebracht, zo zal het ook zijn wanneer de gehoorzame mensheid weer op een paradijsachtige aarde woonachtig is, „de vroegere dingen zullen niet in de geest worden teruggeroepen, noch zullen ze in het hart opkomen. . . . Maar verheugt u uitbundig en weest blij voor eeuwig over wat ik schep” (Jes. 65:17, 18). God belooft dat hij door middel van Zijn hemelse koninkrijk onder zijn Zoon „elke traan uit hun ogen [zal] wegwissen, en de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch geschreeuw, noch pijn zal er meer zijn”. — Openb. 21:2-4.
Om dit te kunnen aanvaarden, is geloof nodig. De bijbel zegt dat het „zonder geloof onmogelijk [is God] welgevallig te zijn, want wie tot God nadert, moet geloven dat hij bestaat en dat hij de beloner wordt van wie hem ernstig zoeken” (Hebr. 11:6). Blind geloof heeft geen waarde, maar geloof gebaseerd op feiten kan een betrouwbare hoop verschaffen. God heeft ons voldoende bewijzen verschaft om te geloven, niet alleen te geloven dat hij bestaat, maar ook dat hij ’de beloner is van wie hem ernstig zoeken’. Laten wij eens zien wat hij in het verleden reeds heeft gedaan als bewijs van zijn zorg voor en bekommernis om het welzijn van de mensheid.
[Illustratie op blz. 15]
Rechtszaken kunnen weken in beslag nemen, zelfs al zijn er maar twee personen bij betrokken. Indien uw reputatie, uw bezittingen of uw leven op het spel stonden, zou u dan niet willen dat uw zaak tot op de bodem werd uitgezocht, zelfs al zou dat tijd kosten? Bij de grote strijdvraag die moet worden opgelost, zijn alle met verstand begaafde schepselen van het universum betrokken. Vanzelfsprekend is er dan een lange tijdsperiode nodig om die op te lossen
[Illustratie op blz. 16]
Heeft de menselijke „vooruitgang” na 6000 jaar werkelijk de elementaire problemen van het leven opgelost en de mensheid verlost van werkeloosheid, honger en misdaad?