Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • g93 8/9 blz. 20-24
  • Waarom ik het priesterschap heb verruild voor een betere bediening

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Waarom ik het priesterschap heb verruild voor een betere bediening
  • Ontwaakt! 1993
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • Mijn dienst in Goa, Salamanca en Rome
  • De eerste conflicten en twijfels
  • Mijn speurtocht naar de waarheid gaat voort
  • Ik maak me los van de kerk
  • Innerlijke vrede en geluk
  • Mijn familie geholpen de waarheid in te zien
  • Zij wilden de waarheid
    Ontwaakt! 1974
  • Transsubstantiatie feit of verdichtsel?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1958
  • Heeft Christus de Katholieke Kerk gesticht?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1956
  • Hun zoeken naar ware religie beloond
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1973
Meer weergeven
Ontwaakt! 1993
g93 8/9 blz. 20-24

Waarom ik het priesterschap heb verruild voor een betere bediening

IK WERD op 31 juli 1955 op 24-jarige leeftijd tot katholiek priester geordineerd. Het was de plechtige afsluiting van twaalf vormingsjaren doorgebracht op het aartsbisschoppelijk seminarie van Rachol in Goa (India). En wat had in mij het verlangen opgeroepen priester te worden?

Ik ben op 3 september 1930 geboren in Bombay (India). Het jaar daarop ging mijn vader met pensioen en vestigde ons gezin zich in Salvador do Mundo, Bardez, Goa, aan de zuidwestkust van India. Ik was de jongste van vier kinderen. Van kindsbeen af werd ik grootgebracht in een Portugees-katholieke cultuur en traditie, die in Goa bestaat sinds 1510, toen het door Portugal werd gekoloniseerd.

Mijn ouders waren vurig katholiek en vierden elk jaar, trouw aan hun geloof, Kerstmis, de grote vasten, Pasen en feesten ter ere van de maagd Maria en verscheidene „heiligen”. De priesters die aan deze vieringen deelnamen, werden vaak bij ons thuis ondergebracht, soms wel voor meer dan tien dagen achtereen. Zo hadden wij voortdurend contact met hen en zij maakten op mij als kind grote indruk.

Mijn dienst in Goa, Salamanca en Rome

Ik begon het priesterambt met veel enthousiasme en er bestond bij mij geen enkele twijfel aan de geloofwaardigheid van de leerstellingen en gebruiken van de Katholieke Kerk. De eerste zeven jaar van mijn bediening in Goa deed ik socio-pastoraal werk in de Sint-Thomaskapel in Panaji, de hoofdstad van Goa. Tegelijkertijd had ik bij het Polytechnisch Instituut van de toenmalige Portugese regering een civiele aanstelling voor een tweeledig ambt — leraar en tevens hoofd van de campus van het instituut.

In 1962 werd ik naar de universiteit van Salamanca in Spanje gestuurd, waar ik mijn doctorsgraad in rechtsfilosofie en canoniek recht haalde. In de loop van mijn juridische opleiding zetten enkele van de onderwerpen die ik bestudeerde, vooral het Romeinse recht en de geschiedenis van het canonieke recht mij ertoe aan te onderzoeken hoe de constitutie van de Katholieke Kerk zich had ontwikkeld en het punt had bereikt dat de paus geïdentificeerd werd als de opvolger van Petrus met ’jurisdictieprimaat over de kerk’.

Ik was blij dat het zo werd geregeld dat ik mijn theologische studies voor het doctoraal examen in Rome zou doen, waar ik in de gelegenheid zou zijn meer over de hiërarchie van de kerk te weten te komen. In de zomer van 1965 verhuisde ik naar Rome.

In die periode had het oecumenisch concilie Vaticanum II zijn climax bereikt. Terwijl ik mijn theologische studies voortzette, had ik interessante gesprekken met verscheidene theologen en „concilievaders” die zich tegen de ultraconservatieven in het concilie verzetten. De regerende paus was Paulus VI, met wie ik persoonlijke contacten had in mijn functie als vice-voorzitter van de Vereniging van Indiase Priesters in Rome.

De eerste conflicten en twijfels

Gedurende de hele periode van deze contacten en mijn studies en speurwerk voor mijn dissertaties was ik in de gelegenheid verder inzicht te verwerven in de geschiedenis en ontwikkeling van de fundamentele structuur van de Katholieke Kerk.a Tegen de opvattingen van de conservatieven in het concilie in, die gewend waren aan de soort absolute monarchie van Pius XII (1939–’58), slaagden de liberalen er ten slotte in de goedkeuring van het concilie te krijgen voor de Dogmatische Constitutie over de Kerk (Latijnse titel Lumen gentium, Licht der naties). Ze handelde onder meer, in hoofdstuk 3, over het recht van de bisschoppen om als college te delen in de volledige bestuursbevoegdheid van de paus over de kerk. Deze leerstelling was diepgeworteld in de traditie maar werd door de conservatieven als ketters en revolutionair beschouwd.

Ik vond beide standpunten onaanvaardbaar, daar ze de waarheid van het Evangelie misten. Ze zijn een verdraaiing van Mattheüs 16:18, 19 en vormen een autorisatie voor alle vroegere en toekomstige onschriftuurlijke leerstellingen en dogma’s van de kerk.b Ik merkte op dat de Griekse woorden die in deze tekst worden gebruikt, namelijk peʹtra (vrouwelijk), wat „een rots” betekent, en peʹtros (mannelijk), wat „stuk rots” betekent, niet door Jezus als synoniemen werden gebruikt. Daar komt nog bij dat indien Petrus als de rots het oppergezag was toegekend, als hoeksteen, er later onder de apostelen niet getwist zou zijn over de vraag wie de grootste onder hen was. (Vergelijk Markus 9:33-35; Lukas 22:24-26.) Bovendien zou Paulus Petrus niet in het openbaar hebben durven bestraffen omdat hij ’niet recht wandelde overeenkomstig de waarheid van het goede nieuws’ (Galaten 2:11-14). Ik kwam tot de conclusie dat alle door de geest verwekte volgelingen van Christus in dezelfde mate als het ware stenen zijn, met Jezus als hun fundament-hoeksteen. — 1 Korinthiërs 10:4; Efeziërs 2:19-22; Openbaring 21:2, 9-14.

Hoe hoger het niveau van de academische en pastorale status die ik bereikte en hoe uitgebreider de uitwisseling van denkbeelden die ik had, des te verder ik met mijn verstand en hart verwijderd raakte van verscheidene dogma’s van de Katholieke Kerk, vooral die welke betrekking hadden op de priesterordinatie in de context van „het Heilig Misoffer” en „het Allerheiligst Sacrament der Eucharistie” — transsubstantiatie genoemd.

In de katholieke terminologie is „het Heilig Misoffer” een bestendig gedenken en onbloedig hernieuwen van Jezus’ offer aan het „kruis”. Maar de christelijke Griekse Geschriften in het algemeen en Paulus’ brief aan de Hebreeën in het bijzonder waren voor mij voldoende duidelijk om tot de gevolgtrekking te komen dat Jezus’ slachtoffer een volmaakt offer was. Zijn werk was volkomen. Het vergde geen enkele toevoeging, herhaling of verbetering en was daar ook niet vatbaar voor. Het slachtoffer werd „eens voor altijd” gebracht. — Hebreeën 7:27, 28.

Mijn speurtocht naar de waarheid gaat voort

Om mijzelf op de proef te stellen, bleef ik werken voor verscheidene bisdommen en aartsbisdommen in West-Europa, voor het aartsbisdom New York en voor het bisdom Fairbanks in Alaska. Het was een pijnlijke beproeving van negen jaar in mijn speurtocht naar de waarheid. Ik was voornamelijk betrokken bij bestuurlijke aangelegenheden, kerkelijke jurisprudentie en rechtspleging. Ik hield me zo afzijdig mogelijk van liturgische riten en ceremoniën. De grootste uitdaging was het opdragen van de dagelijkse mis. Het was strijdig met mijn gevoelens en emoties omdat ik niet geloofde in het bij herhaling onbloedig offeren van Christus, noch in de transsubstantiatie of in de noodzaak van het aardse sacrale priesterschap om geldig en wettig het „wonder” der transsubstantiatie te verrichten.

Tijdens het Tweede Vaticaans Concilie werden er verhitte discussies over dit „wonder” gevoerd. Liberalen onder aanvoering van de Nederlandse katholieke hiërarchie onderschreven slechts de „transsignificatie”, wat wil zeggen dat het brood en de wijn het lichaam en bloed van Christus slechts betekenen of vertegenwoordigen. De ultraconservatieven daarentegen, aangevoerd door de Italiaanse katholieke hiërarchie, verdedigden onverzettelijk de „transsubstantiatie”, ofte wel de verandering van het wezen van het brood en de wijn in het ware en werkelijke wezen van het lichaam en bloed van Christus door de tijdens de mis uitgesproken „consecratie”. Vandaar dat er gezegd werd: ’In Nederland verandert alles met uitzondering van het brood en de wijn, terwijl er in Italië niets verandert behalve het brood en de wijn.’

Ik maak me los van de kerk

Door die verkeerde voorstelling van Christus en zijn evangelie voelde ik me verschrikkelijk teleurgesteld en gefrustreerd, want mijn streven om God te verheerlijken en zielen te redden, werd ondermijnd door valse leerstellingen. Daarom trok ik me in juli 1974 ten slotte terug uit de actieve bediening, met het verzoek om verlof voor onbepaalde tijd. Het was in mijn ogen onlogisch en onaanvaardbaar om dispensatie te vragen van een priesterschap dat geen bijbelse basis had. Bijgevolg hield ik me van juli 1974 tot december 1984 afzijdig van religie. Ik had geen contact met enige andere godsdienst van de christenheid omdat geen ervan mijn conclusies deelde. Ik was het namelijk niet eens met de Drieëenheid, de onsterfelijkheid van de ziel, de opvatting dat alle rechtvaardige mensen eeuwig leven in de hemel verwerven en de nooit eindigende straf in het hellevuur. Ik beschouwde deze leerstellingen als voortbrengselen van het heidendom.

Innerlijke vrede en geluk

Mijn religieuze isolement eindigde in december 1984. In mijn functie als hoofd van de afdeling Afbetalingen en Debiteuren bij een firma in Anchorage (Alaska) moest ik enkele facturen doornemen met een cliënte, Barbara Lerma. Zij had haast en verklaarde dat zij naar een „bijbelstudie” moest. De uitdrukking „bijbelstudie” trok mijn aandacht en ik stelde haar enkele bijbelse vragen. Zij gaf mij prompt en efficiënt schriftuurlijke antwoorden die min of meer overeenkwamen met mijn eigen leerstellige conclusies. Daar Barbara merkte dat ik meer vragen had, bracht zij mij in contact met Gerald Ronco, die op het bijkantoor van Jehovah’s Getuigen in Alaska werkte.

De opbouwende gesprekken in verband met de bijbel die volgden, brachten mij innerlijke vrede en geluk. Dit was het soort mensen dat ik had gezocht — Gods volk. Ik bad tot God om leiding en sloot me na verloop van tijd aan bij Jehovah’s Getuigen als een ongedoopte prediker van het goede nieuws. Ik was bijzonder verbaasd te vernemen dat het hoofdbureau van deze organisatie gevestigd was in Brooklyn (New York), slechts enkele kilometers van de Holy Family Church in Manhattan, waar ik (in 1969, 1971 en 1974) had gediend als een van de pastoors van de parochiekerk van de Verenigde Naties.

Mijn familie geholpen de waarheid in te zien

Na zes maanden met Jehovah’s Getuigen in Anchorage omgegaan te hebben, verhuisde ik op 31 juli 1985 naar Pennsylvania. Hier had ik het voorrecht het goede nieuws van Jehovah’s koninkrijk te delen met mijn nichtje Mylene Mendanha, die biochemie studeerde aan de University of Scranton. Toen Mylene hoorde dat ik op zoek was naar Jehovah’s Getuigen, was zij verrast omdat haar eerder op de mouw was gespeld dat de groep een sekte was. Eerst zei ze niets tegen mij omdat zij mij respecteerde als haar oom en als priester en zij grote achting had voor mijn academische en pastorale prestaties.

De zondag daarop ging Mylene naar de katholieke kerk om de mis bij te wonen, terwijl ik naar de Koninkrijkszaal ging voor de bijbelse toespraak en de Wachttoren-studie. Diezelfde avond gingen wij ervoor zitten, zij met de katholieke Jerusalem Bible en ik met de Engelse Nieuwe-Wereldvertaling van de Heilige Schrift. Ik wees haar de naam Yahweh in haar bijbel aan en het equivalent, Jehovah, in de Nieuwe-Wereldvertaling. Zij was opgetogen toen zij hoorde dat God een naam heeft en dat hij wil dat wij hem bij zijn naam aanroepen. Ik vertelde haar ook hoe onschriftuurlijk de leerstellingen van de Drieëenheid, de transsubstantiatie en de onsterfelijkheid van de ziel zijn en liet haar de desbetreffende schriftplaatsen zien. Zij stond versteld!

Mylenes belangstelling werd verder geprikkeld toen ik haar vertelde over de hoop op eeuwig leven in een paradijs op aarde. Voordien maakte zij zich zorgen over wat er met haar zou gebeuren bij de dood. Zij vond zichzelf niet heilig genoeg om rechtstreeks naar de hemel te gaan, maar zij dacht niet dat zij zo goddeloos was dat zij het verdiende tot de eeuwige straf in het hellevuur veroordeeld te worden. En dus was in haar ogen het enige alternatief het vagevuur, waar zij geduldig zou moeten wachten op gebeden van mensen en op missen om haar naar de hemel te krijgen. Nadat ik haar echter verscheidene schriftplaatsen had getoond en uitgelegd over de hoop op eeuwig leven in een paradijs op aarde, wilde zij dolgraag meer over dit schitterende goede nieuws leren. Mylene vergezelde mij naar de vergaderingen in de Koninkrijkszaal. Wij begonnen officieel te studeren met plaatselijke Getuigen. Kort daarna droegen wij ons op aan Jehovah God en wij werden op 31 mei 1986 gedoopt.

Mijn familie, en vooral mijn oudste broer, Orlando, was ontsteld bij het bericht dat ik het priesterschap vaarwel had gezegd. Hij besprak het met mijn zus Myra Lobo Mendanha, die hem kalmeerde met de woorden: „Laten wij ons er maar geen zorgen over maken; Alinio zou al zijn 43 jaar van hard werken niet prijsgegeven hebben als hij daar niet een heel goede reden voor had.” In september 1987 voegden Myra en haar gezin zich bij mij in Wisconsin (VS). Het kostte mij geen enkele moeite hun het onschriftuurlijke van veel katholieke leerstellingen en gebruiken te laten inzien. Zij wilden de bijbelse waarheid heel graag leren kennen. Onmiddellijk begonnen Mylene en ik een bijbelstudie met hen. Toen zij naar Orlando in Florida verhuisden, zetten zij hun studie voort.

Het geluk en de vrede die wij allemaal genoten, bewogen ons ertoe het goede nieuws van Jehovah’s koninkrijk te delen met mijn oudste zus, Jessie Lobo, die in het Canadese Toronto woont. Zij had in 1983 getuigenis gekregen. Maar omdat haar broer priester was, dacht zij dat niets haar van geloof zou kunnen doen veranderen. Toen zij vier jaar na dat eerste gesprek met Jehovah’s Getuigen hoorde dat ik een getuige van Jehovah was geworden en dat Myra en haar gezin predikers van het goede nieuws waren, nam zij contact op met een Getuige, die prompt een afspraak maakte voor een bijbelstudie. Jessie werd op 14 april 1990 gedoopt; Myra, mijn zwager Oswald en mijn nichtje Glynis werden op 2 februari 1991 gedoopt. Het dienen van Jehovah, de Allerhoogste, maakt hen erg gelukkig.

De conservatieve traditionalisten en de liberale progressieven in de Katholieke Kerk zijn beslist intelligente mensen. Zij geloven dat zij Gods wil doen. Wij mogen echter niet vergeten dat „de god van dit samenstel van dingen de geest van de ongelovigen heeft verblind opdat het verlichtende licht van het glorierijke goede nieuws over de Christus, die het beeld van God is, niet zou doorschijnen” (2 Korinthiërs 4:4). Het is dan ook duidelijk dat de wijsheid van dit samenstel van dingen dwaasheid is bij God (1 Korinthiërs 3:18, 19). Wat ben ik dankbaar en gelukkig dat Jehovah „de onervarene wijs” maakt door een nauwkeurige kennis van zijn Woord. — Psalm 19:7.

De negentien jaar dat ik als katholieke priester gediend heb, zijn verleden tijd. Nu ben ik een getuige van Jehovah. Het is mijn innige wens Jehovah’s wegen te bewandelen en zijn Zoon, Jezus Christus, onze Koning en Verlosser, na te volgen. Graag zou ik anderen helpen Jehovah te leren kennen, opdat ook zij in aanmerking komen voor de prijs, eeuwig leven op een paradijselijke aarde, tot heerlijkheid van de ware God, Jehovah. — Verteld door Alinio de Santa Rita Lobo.

[Voetnoten]

a Ik verliet Salamanca toen ik nog wetenschappelijk onderzoek deed voor mijn dissertatie over canoniek recht, die ik in 1968 presenteerde.

b Deze tekst luidt gedeeltelijk, volgens de katholieke New American Bible: „Wat mij betreft, ik zeg u: gij zijt ’Rots’, en op deze rots wil ik mijn kerk bouwen . . . Al wat gij gebonden verklaart op aarde zal in de hemel gebonden zijn; al wat gij ontbonden verklaart op aarde zal in de hemel ontbonden zijn.” — Zie het kader op blz. 23.

[Kader op blz. 23]

De sleutels van het Koninkrijk

Wat „de sleutels van het koninkrijk der hemelen” betreft, de betekenis ervan wordt duidelijk wanneer wij de berisping lezen die Jezus de religieuze leiders gaf: „Gij hebt de sleutel der kennis weggenomen; zelf zijt gij niet binnengegaan, en die binnengingen, hebt gij het verhinderd!” (Lukas 11:52) Mattheüs 23:13 verduidelijkt verder dat ’binnengaan’ duidt op de toegang tot „het koninkrijk der hemelen”.

De sleutels die Jezus aan Petrus beloofde, bestonden uit een unieke onderwijzende taak waardoor er voor mensen speciale gelegenheden ontsloten zouden worden om het hemelse koninkrijk binnen te gaan. Petrus gebruikte dit voorrecht bij drie gelegenheden, waarbij hij Joden, Samaritanen en heidenen hielp. — Handelingen 2:1-41; 8:14-17; 10:1-48; 15:7-9.

De strekking van de belofte was niet dat Petrus de hemel voorschreef wat al dan niet gebonden of ontbonden moest worden, maar dat Petrus als het werktuig van de hemel werd gebruikt voor de drie specifieke toewijzingen. Dat is zo omdat Jezus het ware Hoofd van de gemeente is gebleven. — Vergelijk 1 Korinthiërs 11:3; Efeziërs 4:15, 16; 5:23; Kolossenzen 2:8-10; Hebreeën 8:6-13.

[Illustratie op blz. 24]

Alinio de Santa Rita Lobo, nu een Getuige

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen