Vragen van lezers
● Welk antwoord moet men aan hen geven die er op wijzen dat bepaalde datums die door Egyptologen worden verschaft in strijd zijn met de chronologische gegevens die in De Wachttoren worden gepubliceerd? — C. V., Verenigde Staten.
De werkelijkheid is, dat de Egyptologen ten aanzien van de datums die zij voor de verschillende Egyptische dynastieën verschaffen, meer zelfverzekerdheid dan feiten bezitten. De volgende aanhaling, genomen van de bladzijden 219 en 220 van het boek Archaeology of Palestine, dat door W. F. Albright, de belangrijkste Amerikaanse archeoloog die opgravingen in Palestina heeft verricht, werd geschreven luidt:
„Er is meermalen verklaard, dat de wetenschappelijke kwaliteit van de Palestijnse archeologie ernstig verzwakt is door de vooropgezette religieuze meningen van geleerden die in het Heilige Land opgravingen hebben gedaan. Het is inderdaad waar, dat sommige archeologen door hun belangstelling voor de bijbel naar Palestina werden getrokken, en dat verschillende van hen voordien voornamelijk als bijbelgeleerden waren opgeleid. De schrijver heeft vele van dergelijke geleerden gekend, maar hij kan zich haast geen enkel geval herinneren waarin hun resultaten ernstig door hun religieuze gezichtspunt werden beïnvloed. Sommige van deze geleerden waren radicale critici, anderen waren conservatieve critici, . . . weer anderen waren uitermate conservatief. Hun archeologische conclusies stonden echter bijna altijd geheel los van hun instelling ten aanzien van kritiek.
Hoewel mij enkele gevallen bekend zijn, is de schade die door sommige van deze Palestijnse opgravers aan wetenschappelijke objectiviteit is toegebracht slechts van geringe betekenis, wanneer wij deze vergelijken met die welke de Egyptologie heeft moeten lijden door de roof op grote schaal door Belzoni en Passallacqua, of het waterdichte monopolie in dit gebied van Mariette en de meedogenloze exploitatie van de koningsgraven door Amelieau. Ook dienen wij niet te vergeten, dat sommige van de meest vooraanstaande opgravers, zoals Petrie en Reisner, verschillende van hun schoonste lauweren in Palestina hebben geoogst. Ter illustratie van de voorzichtigheid waarmee leidende Palestijnse archeologen te werk gingen, is het belangwekkend om er aan te herinneren dat Petrie en Bliss, MacAlister en Watzinger, door alle anderen gevolgd, hun datums bijna altijd te laag stelden, terwijl in Egypte de datums over het geheel veel te hoog werden opgevoerd. Hierdoor hebben wij het eigenaardige schouwspel van een progressief stijgende chronologie in Palestina, terwijl deze in Egypte progressief zakt”
Een christen kan uit het voorgaande talloze conclusies trekken. Op de eerste en belangrijkste plaats dat het feit dat de chronologie van de Egyptologen niet met die van de bijbel overeenstemt, geen reden tot zorg of opschudding vormt; een dergelijke tegenstrijdigheid behoeft niet te ernstig te worden genomen. In de tweede plaats, dat gebleken is dat de Egyptologen de neiging hadden om minder gewetensvol te werk te gaan dan degenen die in Palestina opgravingen deden. Anderzijds waren de archeologen in Palestina zo consciëntieus dat zij een grote terughoudendheid aan de dag legden en niet een oudere datum toekenden dan absoluut noodzakelijk was.
● Wordt het door de bijbel ondersteund dat men beter naar een prostituée kan gaan, dan zijn zaad op de grond uit te storten?
Deze vraag is herhaaldelijk gesteld en bijna onveranderlijk door rooms-katholieken. Volgens de inlichtingendienst van de Amerikaanse „Knights of Columbus” vertegenwoordigt deze gedachte niet het rooms-katholieke gezichtspunt. Een priester die optrad als woordvoerder van de St. Patrick-kathedraal in New York merkte echter op dat het natuurlijker was om naar een prostituée te gaan, dan om zijn zaad op de grond uit te storten, hoewel dit niet door de Schrift werd ondersteund. In bepaalde delen van Italië zijn rooms-katholieke priesters deze mening toegedaan, want er wordt van hen bericht, dat zij hoererij en overspel vergoelijken zolang men maar geen geboortebeperking toepast.
Klaarblijkelijk gaat deze gedachte lijnrecht in tegen alles wat de bijbel over het onderwerp van seksuele omgang heeft te zeggen. Desondanks kan ze wel een verdraaiing zijn van het schriftuurlijke verslag betreffende Onan, die liever zijn zaad op de grond verspilde, dan zijn plicht ten aanzien van het leviraats- of zwagerhuwelijk met de vrouw van zijn overleden broer na te komen, als gevolg waarvan Jehovah hem doodde. — Gen. 38:9.
● Waarom verklaart de New World Translation dat Jozef echtscheiding van Maria overwoog terwijl zij toen toch nog niet getrouwd waren? — H. M., Verenigde Staten.
Matthéüs 1:18, 19 (NW) luidt als volgt: „De geboorte van Jezus Christus geschiedde op de volgende wijze. Gedurende de tijd dat zijn moeder Maria aan Jozef ten huwelijk was beloofd, bleek zij, voordat zij verenigd werden, zwanger te zijn door heilige geest. Jozef, haar echtgenoot, vatte echter, doordat hij rechtvaardig was en haar niet tot een openbaar schouwspel wilde maken, het plan op zich in het geheim van haar te laten scheiden.”
Het verslag toont dus dat Maria slechts ondertrouwd en nog niet met Jozef getrouwd was. Hier wordt echter terecht over een echtscheiding gesproken, omdat de ondertrouwde vrouw onder de joden onder dezelfde verplichtingen werd geacht te staan als wanneer zij getrouwd was. Wanneer een ongetrouwd meisje daarom schuldig werd bevonden aan hoererij, dan werd van haar en van de man, als deze ook nog ongetrouwd was, geëist om met elkaar te trouwen. Als een ondertrouwd meisje evenwel betrekkingen had met een andere man, werd zij net als een overspeelster gestenigd. Daar de ondertrouw in die tijd een bindend karakter bezat, kan men terecht zeggen dat Jozef, hoewel er nog geen huwelijksceremonie had plaatsgevonden om hem en haar in de echt te verbinden, het overwoog om zich van Maria te laten scheiden. — Deut. 22:22-29.