Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • Andere kenmerken van de Nieuwe-Wereldvertaling
    De Wachttoren 1982 | 1 juni
    • betekent, en agathos, dat voornamelijk de betekenis heeft van iets wat moreel goed is. Jezus sprak in Johannes 10:2-16 dus niet over zichzelf als louter een goede herder, maar als een voortreffelijke, uitnemende herder.

      De Nieuwe-Wereldvertaling beveelt zich ook aan doordat ze de enige vertaling is die onderscheid maakt tussen de vijf Hebreeuwse woorden die gewoonlijk met „mens” of „man” worden vertaald. Er is verschil in betekenis van deze woorden, en de schrijvers van de Hebreeuwse Geschriften erkenden het verschil. Daarom geeft de Nieuwe-Wereldvertaling, in overeenstemming met de oorspronkelijke betekenis, adam weer met „aardse mens”, daarmee doelend op de mens als een schepsel van de aarde. Enosj wordt vertaald met „sterfelijke mens” of ’sterveling’; dit beklemtoont de nietige, zwakke toestand waarin de mens verkeert. Geber wordt weergegeven met „fysiek sterke man”, aangezien het Hebreeuwse woord duidt op een sterke man. Isj wordt eenvoudig vertaald met „man”, als onderscheiden van isjah, vrouw, of gewoon een persoon; en zakar wordt vertaald met „man”, „manlijk”, of soortgelijke uitdrukkingen die op het mannelijke geslacht duiden, omdat het over het algemeen wordt gebruikt in verband met seksuele betrekkingen.

  • Vragen van lezers
    De Wachttoren 1982 | 1 juni
    • Vragen van lezers

      ● Kan ik een wanordelijke persoon in de gemeente ’tekenen’ wanneer ik denk dat dit nodig is, of moet ik wachten totdat de ouderlingen een lezing over het probleem hebben gehouden?

      Men dient een andere christen niet zomaar te ’tekenen’, want het is een ernstige stap. U moet vaststellen wanneer deze stap gedaan moet worden. Maar in de meeste gevallen zal ’tekenen’ volgen op krachtsinspanningen door de ouderlingen om de dwalende persoon te helpen, met inbegrip van de lezing die zij ten slotte voor de gemeente zullen houden over de kwestie ten aanzien waarvan hij dwaalt.

      Toen de apostel Paulus de Thessalonicenzen over het ’tekenen’ van leden van die gemeente schreef, corrigeerde hij bepaalde personen aldaar die ver van Gods raad waren afgeweken. Zij ’wandelden wanordelijk door in het geheel niet te werken, maar zich in te laten met wat hen niet aanging’ (2 Thess. 3:6, 10-12). Ondanks de schriftuurlijke raad tegen luiheid weigerden de wanordelijke personen te werken en legden zij de overigen een dure last op (Spr. 6:6-11; 10:4, 5; 12:11, 24, 27; 24:30-34; 26:13-16). Paulus gaf dus raad waarin hun handelwijze openlijk werd afgekeurd. Verder waarschuwde hij allen dat als zij niet gunstig zouden reageren op deze krachtige raad die ten aanhoren van de gehele gemeente werd gegeven, zij „getekend” en gemeden moesten worden, klaarblijkelijk op het sociale vlak. Sommige mensen in deze tijd hebben zich afgevraagd of zij iemand die in strijd met van God afkomstige raad handelt, zouden kunnen ’tekenen’, ook al hebben de ouderlingen in de gemeente geen lezing over het kwaad gehouden. Er zouden zich heel af en toe gevallen kunnen voordoen waarin een dergelijke noodzaak bestaat. (Vergelijk 1 Korinthiërs 5:1, 2.) Maar er zijn redenen waarom het in de meeste gevallen het beste is met ’tekenen’ te wachten totdat de ouderlingen definitieve stappen hebben gedaan, met inbegrip van het houden van een lezing voor de gemeente.

      In de eerste plaats zouden wij als onvolmaakte mensen geneigd kunnen zijn het ’tekenen’ te misbruiken, ten einde het als een vorm van straf aan te wenden in verband met kleine overtredingen of verschillen in persoonlijkheid. Er zou in een bepaalde gemeente een zuster kunnen zijn met een irritante persoonlijkheid. Zij ’werkt anderen op de zenuwen’ en is moeilijk in de omgang. Sommige zusters zouden daarom kunnen denken dat zij haar zouden moeten ’tekenen’ en zouden moeten mijden. Dat zou beslist niet in overeenstemming zijn met Jezus’ liefdevolle raad dat wij barmhartig moeten zijn jegens onze broeders en zusters en hun tekortkomingen en kleinere gebreken over het hoofd moeten zien. Roep u bijvoorbeeld te binnen wat hij in het Modelgebed leerde over de voorwaarde waarop God ons onze schulden of overtredingen zal vergeven. En Jezus spoorde ons ertoe aan snel te proberen weer in het reine met elkaar te komen als de één een klacht tegen de ander heeft (Matth. 5:23-25; 6:12). Het zou dus verkeerd zijn een broeder of een zuster te ’tekenen’ wegens kleine persoonlijke verschillen of overtredingen.

      In de tweede plaats moet worden opgemerkt dat toen Paulus schreef dat bepaalde personen „getekend” moesten worden, er geen sprake was van kleine verschillen in persoonlijkheid, karakteristieke smaak of eigen mening. De ouderlingen zouden niet moeten proberen zich onnodig met zulke dingen te bemoeien of daar raad over te geven. Maar evenals Paulus dienen zij te letten op personen die op ernstige wijze bijbelse beginselen overtreden (ook al vormen de overtredingen nog geen grove zonde waarvoor zij uitgesloten zouden kunnen worden). De ouderlingen zullen deze dwalenden of wanordelijken persoonlijk raad geven. Wij lezen hierover in Galáten 6:1: „Zelfs al doet iemand een misstap voordat hij zich ervan bewust is, tracht gij, die geestelijke hoedanigheden hebt, zo iemand in een geest van zachtaardigheid te herstellen.”

      Indien de herhaalde krachtsinspanningen van de ouderlingen om zo iemand persoonlijk te helpen geen resultaten afwerpen, kunnen zij de kwestie bespreken en beslissen dat een van hen een toepasselijke schriftuurlijke lezing over de kwestie zal houden voor de gemeente. Hoewel wij, evenals Paulus, degenen die Gods raad op ernstige wijze in de wind slaan, niet met name zullen noemen, zullen zij tegen de verkeerde denk- of handelwijze waarschuwen. Op deze wijze zal het geheugen van de gemeenteleden met betrekking tot Gods denkwijze worden opgefrist en zullen zij opmerkzaam zijn gemaakt op het verkeerde gedrag, zodat zij ervoor op hun hoede kunnen zijn dat zij niet worden „besmet” of misleid. Vervolgens kunnen christenen, zoals Paulus schreef, de wanordelijke persoonlijk ’tekenen’ door niet meer met hem om te gaan. En aangezien de ouderlingen openlijk raad hebben gegeven over het probleem, zal de wanordelijke begrijpen waarom anderen in de gemeente zijn uitnodigingen om samen gezellige omgang te hebben, afslaan. — 2 Thess. 3:13-15.

      Het is daarom gewoonlijk verstandig om zich ervan te weerhouden een ander te ’tekenen’ tenzij de kwestie openlijk door de ouderlingen is behandeld, evenals Paulus openlijk raad gaf in verband met een ernstige kwestie, waarna afzonderlijke personen zijn raad over het ’tekenen’ konden toepassen. Door de kwestie op deze wijze te bezien, zullen wij het gevaar vermijden personen ten onrechte te ’tekenen’ wegens onbelangrijke overtredingen en kwesties op het gebied van smaak of verschillen in persoonlijkheid. Ook blijkt hieruit respect voor de ouderlingen als liefdevolle herders die in de behoeften van de kudde voorzien. — 1 Petr. 5:2.

      ● Hoe dienen individuele christenen en de gemeente in haar geheel de bijbelse raad te beschouwen om „alleen in de Heer” te trouwen?

      De apostel Paulus zei over een vrouw wier man is gestorven: „Zij [is] vrij te trouwen met wie zij wil, alleen in de Heer” (1 Kor. 7:39). Dat is niet slechts een persoonlijke raad van een mens. Paulus schreef dit onder inspiratie; deze wijze en liefdevolle raad vindt derhalve zijn oorsprong bij God. Vandaar dat christenen deze raad ernstig moeten nemen en niet moeten beschouwen als iets dat genegeerd of licht opgevat kan worden. Dit wordt door het historische verslag in de bijbel bevestigd.

      Toen Abraham een vrouw voor Isaäk uitkoos, koos hij geen vrouw uit de beoefenaars van valse religie, de Kanaänieten te midden van wie zij woonden. Hij nam veeleer de moeite om in een ver land een vrouw te zoeken uit het midden van familieleden die de ware God kenden. Evenzo zei Isaäk tot Jakob: „Gij moogt geen vrouw uit de dochters van Kanaän nemen” (Gen. 28:1; 24:1-67). Abraham en Isaäk beseften dat het huwelijk geen kwestie was van alleen maar romantische gehechtheid. De toewijding aan Jehovah was erbij betrokken, want een huwelijk met een ongelovige zou ernstige problemen met zich kunnen meebrengen en iemand zelfs van de zuivere aanbidding kunnen aftrekken.

      Toch hielden niet alle Hebreeën zich duidelijk afgescheiden van degenen die Jehovah niet aanbaden. Dina had bijvoorbeeld omgang met jonge mensen in haar omgeving die de ware God niet aanbaden. Met welk gevolg? Een van de jonge mannen kreeg een hartstochtelijke belangstelling voor haar en verkrachtte haar. Juda schijnt zijn familie een tijdlang verlaten te hebben en een Kanaänitische vrouw te hebben genomen. Waartoe leidde dit? Welnu, er werden drie zoons uit die ongelijke verbintenis geboren, maar Jehovah moest twee van hen doden wegens hun slechtheid. Simeon had ook een zoon bij een Kanaänitische vrouw. Dit werd klaarblijkelijk zo ongewoon of zo onwenselijk geacht dat er in de lijst van Jakobs nakomelingen speciaal de aandacht op wordt gevestigd. — Gen. 34:1, 2; 38:1-10; 46:8-10.

      Toen God wetten gaf om Israël te leiden, waarschuwde hij hen geen huwelijksverbintenis aan te gaan met iemand die Jehovah niet aanbad (Deut. 7:2-4). De wijsheid hiervan werd bevestigd door de tragedie waardoor Salomo werd getroffen. Hij kan hebben gedacht dat hij, omdat hij uitzonderlijk wijs was, het hoofd kon bieden aan elk probleem of elke beproeving die voortsproot uit een huwelijk met vrouwen die Jehovah niet dienden. Maar toen Salomo Gods raad negeerde, had dit zelfs

Nederlandse publicaties (1950-2026)
Afmelden
Inloggen
  • Nederlands
  • Delen
  • Instellingen
  • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
  • Gebruiksvoorwaarden
  • Privacybeleid
  • Privacyinstellingen
  • JW.ORG
  • Inloggen
Delen