VOGELVERSCHRIKKER
Een paal of steenhoop, gewoonlijk in een vorm die aan een menselijke gestalte doet denken, op een speciale wijze in een veld opgesteld om vogels en andere dieren te verjagen. Jeremia vergeleek de afgoden van de natiën met „een vogelverschrikker [Hebr.: toʹmer] in een komkommerveld” (Jer 10:5). Het woord toʹmer wordt elders met „palm” weergegeven (Re 4:5). De afgoden van de natiën konden terecht met een vogelverschrikker vergeleken worden, want ze waren niets anders dan een misleiding. — GNB; NBG; NW; OB; PC.