Psalmen
Maskil.* Van Da̱vid, toen hij zich in de grot bevond.+ Een gebed.
142 Met mijn stem ging ik tot Jehovah roepen om hulp;+
Met mijn stem ging ik luid tot Jehovah roepen om gunst.+
2 Voor hem bleef ik mijn bezorgdheid uitstorten;+
Voor hem bleef ik over mijn eigen benauwdheid vertellen,+
3 Toen mijn geest+ in mij bezweek.
Toen kende gíȷ́ mijn weg.+
Op het pad waarlangs ik ga,+
Heeft men een val voor mij verborgen.+
4 Kijk naar rechts en zie
Dat er niemand is die mij enige erkenning geeft.+
Mijn toevluchtsoord is mij ontvallen;+
Er is niemand die naar mijn ziel informeert.+