Psalmen
Aan de leider, op „De lelies”.*+ Een vermaning.* Van A̱saf.+ Een melodie.
80 O Herder van I̱sraël, leen toch het oor,+
Gij die Jo̱zef leidt net als een kudde.+
O gij die op de cherubs zit,+ verschijn toch in lichtglans.+
2 Wek voor het aangezicht van E̱fraïm en Be̱njamin en Mana̱sse toch uw macht op,+
En kom toch tot onze redding.+
4 O Jehovah, God der legerscharen, hoe lang moet gij zieden tegen het gebed van uw volk?+
5 Gij hebt hen tranenbrood doen eten,+
En gij laat hen voortdurend tranen en nog eens tranen drinken in [grote] mate.*+
6 Gij stelt ons tot een twist voor onze buren,+
En het zijn onze vijanden die ons blijven bespotten naar hun welgevallen.+
7 O God der legerscharen,* breng ons terug;+
En doe uw aangezicht lichten, opdat wij gered mogen worden.+
8 Gij zijt ertoe overgegaan een wijnstok uit Egy̱pte te doen vertrekken.+
Gij bleeft de natiën verdrijven, opdat gij hem zoudt kunnen planten.+
9 Gij hebt een open plek voor hem gemaakt,+ opdat hij wortel kon schieten en het land kon vullen.+
12 Waarom hebt gij zijn stenen muren neergehaald,+
En [waarom] hebben allen die er op de weg voorbijgaan, eraan geplukt?+
13 Een everzwijn uit het bos* blijft hem afvreten,+
En het gewemel van dieren op het open veld blijft hem afweiden.+
14 O God der legerscharen,* keer alstublieft terug;*+
Blik neer uit de hemel en zie en draag zorg voor deze wijnstok,+