Psalmen
Voor de leider, op de Gi̱ttith.*+ Van de zonen van Ko̱rach. Een melodie.
2 Mijn ziel heeft vurig verlangd en ook gesmacht naar de voorhoven van Jehovah.+
Mijn eigen hart en zelfs mijn vlees heffen een vreugdegeroep aan voor de levende God.*+
3 Ja, zelfs de vogel heeft een huis gevonden,
En de zwaluw een nest voor zichzelf,
Waar ze haar jongen heeft neergelegd —
Uw grootse altaar,* o Jehovah der legerscharen, mijn Koning en mijn God!*
6 Trekkend door de laagvlakte van de bakastruiken,+
Veranderen zij die zelfs in een bron;
Ja, in zegeningen hult zich de onderwijzer.+
8 O Jehovah, God* der legerscharen, hoor toch mijn gebed;+
Leen toch het oor, o God van Ja̱kob.+ Sela.
10 Want één dag in uw voorhoven is beter dan duizend [elders].+
Ik heb verkozen aan de drempel in het huis van mijn God te staan+
Boven het rondgaan in de tenten der goddeloosheid.+
11 Want Jehovah God is een zon+ en een schild;+
Gunst en heerlijkheid geeft hij.+
Jehovah zelf zal niets goeds onthouden aan hen die in onberispelijkheid wandelen.+
12 O Jehovah der legerscharen, gelukkig is de mens* die op u vertrouwt.+