40 En zij zullen stellig hun eigen dwaling belijden+ en de dwaling van hun vaderen, [begaan] in hun ontrouw, toen zij zich ontrouw jegens mij gedroegen, ja, ook toen zij in verzet tegen mij wandelden.+
6 En ik zei vervolgens:+ „O mijn God, ik voel mij werkelijk beschaamd+ en verlegen+ om mijn aangezicht tot u op te heffen, o mijn God, want onze dwalingen+ zelf zijn vermenigvuldigd tot boven ons hoofd en onze schuld is groot geworden zelfs tot aan de hemel toe.+