11 Jozef gaf zijn vader en zijn broers een stuk grond in het beste deel van Egypte, in de streek Rame̱ses,+ zoals de farao had gezegd, zodat ze zich daar konden vestigen.
11 Er werden dus opzichters* over hen aangesteld om hen met zware arbeid te onderdrukken:+ de Israëlieten moesten voorraadsteden voor de farao bouwen, namelijk Pi̱thom en Raä̱mses.+