Job
3 Mijn woorden zijn de oprechtheid van mijn hart,+
En kennis is het wat mijn lippen werkelijk in oprechtheid uiten.+
4 Gods eigen geest* heeft mij gemaakt,+
En de adem van de Almachtige zelf heeft mij voorts tot leven gebracht.+
5 Indien gij kunt, antwoord mij,
Voer [woorden] aan voor mijn aangezicht; stel u toch op.
7 Zie! Geen verschrikking in mij zal u verschrikken,
En geen druk+ van mijn zijde zal zwaar op u zijn.
8 Alleen hebt gij ten aanhoren van mij gezegd,
En het geluid van [uw] woorden bleef ik horen:
9 ’Ik ben zuiver, zonder overtreding;+
Rein ben ik, en ik heb geen dwaling.+
En tweemaal+ — hoewel men er geen acht op slaat —
15 In een droom,+ een nachtvisioen,+
Wanneer een diepe slaap op de mensen valt,
In sluimeringen op het bed.+
16 Ja, dan ontbloot hij het oor der mensen,+
En op de vermaning aan hen drukt hij zijn zegel,
19 En hij wordt werkelijk terechtgewezen met smart op zijn bed,
En er is aanhoudend geruzie van zijn beenderen.
21 Zijn vlees teert weg [en verdwijnt] uit het gezicht,
En zijn beenderen, die men niet zag, worden stellig ontbloot.
23 Indien er voor hem een bode* bestaat,
Een woordvoerder,* één uit duizend,
Om de mens zijn oprechtheid te vertellen,*
24 Dan bewijst hij hem gunst en zegt:
’Laat hem niet in de kuil afdalen!+
25 Zijn vlees worde frisser dan in de jeugd;+
Hij kere terug tot de dagen van zijn jeugdige kracht.’+
26 Hij zal tot God* smeken, opdat hij een welgevallen in hem moge hebben,+
En hij zal zijn aangezicht met gejuich zien,
En Hij zal de sterfelijke mens* Zijn rechtvaardigheid teruggeven.
27 Hij zal voor de mensen zingen en zeggen:
’Ik heb gezondigd;+ en wat recht is, heb ik verdraaid,
En het was stellig niet het juiste voor mij.
28 Hij heeft mijn ziel* verlost, opdat ze niet in de kuil zou gaan,+
En mijn leven zelf zal het licht zien.’
Tweemaal, driemaal, in het geval van een fysiek sterke man,
30 Om zijn ziel terug te brengen van de kuil,+
Opdat hij verlicht moge worden met het licht der levenden.*+
31 Schenk aandacht, o Job! Luister naar mij!
Zwijg, en ik voor mij zal verder spreken.
32 Indien er enige woorden [te zeggen] zijn, antwoord mij;
Spreek, want ik heb behagen geschept in uw rechtvaardigheid.