Psalmen
Aan de leider. Een melodie van Da̱vid. Een lied.
2 O Hoorder van het gebed, ja, tot u zullen mensen van alle vlees komen.+
3 Gevallen van dwaling zijn machtiger gebleken dan ik.+
Wat onze overtredingen betreft, gijzelf zult ze bedekken.+
4 Gelukkig is degene die gij uitkiest en doet naderen,+
Opdat hij in uw voorhoven mag verblijven.+
Wij* zullen stellig verzadigd worden met het goede van uw huis,+
De heilige plaats van uw tempel.+
5 Met vrees inboezemende dingen zult gij ons in rechtvaardigheid antwoorden,+
O God van onze redding,+
Het Vertrouwen van alle grenzen der aarde en van hen die ver weg zijn op zee.+
7 Hij stilt het gebruis der zeeën,+
Het gebruis van hun golven en het gewoel van de nationale groepen.+
8 En de bewoners van de verste streken zullen bevreesd zijn voor uw tekenen;+
De uitgangen van de morgen en de avond doet gij een vreugdegeroep aanheffen.+
9 Gij hebt uw aandacht op de aarde gericht, om haar overvloed te geven;+
Gij verrijkt haar ten zeerste.
De stroom Gods is vol water.+
Gij bereidt hun koren,+
10 Haar voren worden gedrenkt, haar kluiten geëffend;+
Met overvloedige regenbuien maakt gij haar zacht; gij zegent zelfs haar uitspruitsel.+